Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5713

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
10/811080-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen 317, 416bis Sr en 26 WWM. Anders dan de verdediging heeft betoogd, wordt de aangever betrouwbaar en zijn aangifte geloofwaardig geacht. Mede op grond daarvan is bewezenverklaard dat verdachte samen met twee anderen de aangever in een auto onder bedreiging van een alarmpistool en een taser heeft gedwongen een geldbedrag af te staan. Verder is verdachte veroordeeld voor het (eenvoudig) witwassen van dat afgeperste bedrag en nog meer geld dat in zijn onderbroek is aangetroffen en voor het medeplegen van het voorhanden hebben van dat alarmpistool. Aan hem is een gevangenisstraf van 354 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk opgelegd, met een aantal bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/811080-19

Datum uitspraak: 24 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. K. Hoesenie, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E.M. Loppé heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 354 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van de reclassering en daarnaast veroordeling tot een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

Door de verdediging is vrijspraak bepleit voor hetgeen onder feit 1 ten laste is gelegd.

Daartoe is aangevoerd dat er voor de aangifte van [naam slachtoffer] (hierna: de aangever) geen dan wel onvoldoende steunbewijs aanwezig is, zodat die aangifte niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde witwassen is betoogd dat niet vast staat dat de verdachte wetenschap had dat het geld afkomstig was van enig misdrijf. Voor wat betreft feit 3 is eveneens vrijspraak bepleit, omdat er geen bewijs voorhanden is dat de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van danwel feitelijke macht heeft uitgeoefend over het alarmpistool in de auto. Hetzelfde is aangevoerd voor feit 4.

Beoordeling

De rechtbank gaat uit van het volgende. In de vroege ochtend van 16 november 2019 heeft op of in de buurt van de Mathenesserlaan in Rotterdam een ontmoeting plaatsgevonden tussen onder andere de aangever en de drie verdachten. Deze ontmoeting heeft ertoe geleid dat de aangever op enig moment bij de drie verdachten in de auto is gestapt. Die auto, een Kia Picanto, was van de verdachte [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1] ) en werd ook door hem bestuurd. Naast hem op de bijrijdersstoel zat de verdachte [naam verdachte] (hierna: [naam verdachte] ) en achter [naam verdachte] zat de verdachte [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2] ). De aangever zat achterin naast [naam medeverdachte 2] . Niet lang nadat ze met z’n vieren waren gaan rijden, heeft de aangever de auto weer verlaten. Door hem is toen vrijwel direct contact gezocht met de politie met de melding dat hij in een auto was bedreigd met een vuurwapen en dat een groot geldbedrag van hem was weggenomen. Die melding is rond 5:00 uur binnengekomen.

Om 5:06 uur heeft de politie het eerste gesprek met de aangever. In dat gesprek is door hem verteld dat hij door drie mannen in een witte Kia Picanto met kenteken [kenetekennummer] is beroofd van een groot geldbedrag en dat hij dat geld onder dreiging van een zwart vuurwapen aan één van drie mannen moest geven, waarna hij uit de auto moest stappen. Op basis van de gegevens van de auto heeft de politie deze al zeer kort (enige minuten) na de melding staande gehouden, met daarin de drie verdachten. Zij zijn toen aangehouden. De auto is in beslag genomen en onderzocht. Daarbij is onder de rechter achterbank een (naar later is vastgesteld) alarmpistool aangetroffen en op de grond bij de achterbank een taser. Over deze taser heeft [naam medeverdachte 2] verklaard dat die van hem is. Bij de fouillering zijn bij [naam verdachte] in zijn onderbroek 172 biljetten van € 50,- aangetroffen. Uit onderzoek van het NFI is naar voren gekomen dat zich op het alarmpistool DNA-materiaal bevindt dat overeenkomt met dat van [naam medeverdachte 1] .

Op 16 november 2019 rond 7:30 uur is de aangifte opgenomen. Door de aangever is onder meer verklaard dat hij € 3000,- bij zich had in biljetten van € 50,-, dat de bijrijder (hij noemt hem de passagier naast de bestuurder) een klein zwart vuurwapen op hem richtte, dat de passagier (hij noemt hem de bijrijder) naast hem op de achterbank een taser en een mes pakte en die taser steeds aan en uit deed, dat de bijrijder hem met de dood bedreigde en geld van hem wilde, dat hij die € 3.000,- aan de bijrijder heeft gegeven, waarna hij de auto uit moest en dat alle drie de personen hem onder druk hebben gezet, maar dat de bijrijder en de passagier wel het meeste aan het woord waren.

In het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om de aangever als onbetrouwbaar en zijn verklaring als ongeloofwaardig ter zijde te schuiven. Het kan zijn dat hij op detailniveau, zoals het soort vuurwapen en de handelingen die daarmee zouden zijn verricht en het aanwezige mes, anders heeft verklaard dan wat aansluit bij de werkelijkheid en dat het proces-verbaal over de opmerkingen die hij tegenover de politie heeft geuit over zijn reden om aangifte te doen een bepaalde, niet zonder meer positieve, indruk van hem geeft. Door de rechtbank kan echter niet voorbij worden gegaan aan de cruciale punten in zijn aangifte die zijn bevestigd door objectieve bevindingen van het onderzoek; de personen in de auto, de positie van die personen, een groot bij [naam verdachte] in zijn onderbroek aangetroffen geldbedrag, zonder enige reële verklaring over de herkomst ervan, de taser waarover [naam medeverdachte 2] beschikte en het in de auto verstopte alarmpistool. Verder wordt steun gevonden in de verklaring van [naam medeverdachte 1] dat hij twee keer het geluid van een taser hoorde en dat sprake was van een heftige discussie tussen de aangever, [naam verdachte] en [naam medeverdachte 2] . Laatstgenoemde heeft het in zijn verklaring over een ruzie tussen de aangever en [naam verdachte] over geld. Dat de aangever geen openheid van zaken heeft willen geven over het doel van de ontmoeting doet aan al deze bevindingen uiteraard niets af. Hij heeft aangegeven dat het doel een illegale transactie betrof en dat hij zich niet wil belasten door in detail verdere uitleg te geven. In zijn verhoor op zitting is de aangever bij zijn verklaring gebleven. Daarbij heeft hij wat de inhoud van die verklaring betreft geen onbetrouwbare of ongeloofwaardige indruk achtergelaten. De rechtbank zal zijn verklaring dan ook gebruiken voor het bewijs. Dit betekent dat aan de verklaringen van de verdachten voorbij wordt gegaan. Hierbij wordt opgemerkt dat niet kan worden gezegd dat zij bereid zijn gebleken een helder beeld te schetsen van hetgeen zich heeft voorgevallen.

Een en ander leidt tot het oordeel dat niet alleen wettig, maar ook overtuigend bewijs voorhanden is dat de aangever in de auto van zijn geld is beroofd op de wijze als hieronder bewezenverklaard. Ook wordt bewezenverklaard dat de drie verdachten dit tezamen en in vereniging hebben gedaan. Er was wel sprake van enige rolverdeling, maar niet zodanig dat dat van invloed moet zijn op de kwalificatie van hun handelen als medeplegen. Zo heeft [naam medeverdachte 1] volgens de aangever zich minder laten gelden. Geoordeeld moet echter worden dat hij de bestuurder van de auto was, dat hij ook druk heeft uitgeoefend en dat hij ook met zijn enkele aanwezigheid al een rol van betekenis heeft gespeeld.


Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Bij [naam verdachte] is een geldbedrag aangetroffen van € 8.630,55 verstopt in zijn onderbroek. Over de herkomst van het geld heeft de verdachte geen inhoudelijk toetsbare verklaring afgelegd. Van de verdachte mag, indien een dergelijk groot geldbedrag wordt aangetroffen onder deze omstandigheden, worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van een dergelijk grootgeldbedrag. De verdachte wordt bovendien schuldig bevonden aan de afpersing van de aangever, waarbij bewezen is verklaard dat van hem € 3.000 is afgenomen.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat de verdachte opzettelijk het inbeslaggenomen geldbedrag voorhanden heeft gehad, waarvan hij de werkelijke aard, herkomst dan wel rechthebbende heeft verhuld. Een deel van dat bedrag, te weten € 3.000,- is afkomstig van eigen misdrijf, te weten van de afpersing in vereniging van de aangever.

Ten aanzien van feit 3 wordt overwogen dat het alarmpistool door [naam verdachte] is gebruikt bij de afpersing van de aangever. De politie treft het wapen aan onder de achterbank. [naam verdachte] zat ten tijde van zijn aanhouding voor in de auto, op de bijrijdersplaats. Daar zat hij ook tijdens de afpersing. [naam medeverdachte 2] zat achterin en [naam medeverdachte 1] bestuurde de auto. De verdachten zijn niet van positie in de auto veranderd. Tussen het verlaten van de auto door aangever en de aanhouding van de verdachten zit een korte tijdspanne. Onder de geschetste omstandigheden van de afpersing hebben de verdachten [naam medeverdachte 1] en [naam medeverdachte 2] het wapen gezien. [naam medeverdachte 2] moet het wapen hebben verstopt in de auto van [naam medeverdachte 1] . Voorts is er DNA-materiaal, te weten een mengprofiel van meerdere personen, aangetroffen op het wapen (waarbij het DNA mogelijk afkomstig is van [naam medeverdachte 1] ). Alle verdachten hebben derhalve bemoeienis gehad met het wapen. Er is daarom sprake van medeplegen van opzettelijk voorhanden hebben van dit wapen.

Voor feit 4 ligt dit naar het oordeel van de rechtbank anders. Van het stroomstootwapen staat vast dat het in de auto is gebruikt door [naam medeverdachte 2] . [naam medeverdachte 2] verklaart dat hij het wapen bij zich had. [naam medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij in de auto twee keer het geluid van een taser heeft gehoord. De politie treft dit wapen aan op de grond bij de achterbank waar [naam medeverdachte 2] zat. Niet is gebleken van een vorm van samenwerking of afstemming tussen [naam medeverdachte 2] en de overige verdachten die ertoe leidt dat zij ten aanzien van het voorhanden hebben van het stroomstootapen als medepleger kunnen worden aangemerkt. De omstandigheid dat het gebruiken van het stroomstootwapen één van de feitelijke handelingen is die zijn uitgevoerd om de aangever af te kunnen persen, maakt dat niet anders. Dit betekent dat de verdachte wordt vrijgesproken van dit feit.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 16 november 2019 te Rotterdam,

op of aan de openbare weg, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen

door bedreiging met geweld [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot de

afgifte van 3000 euro, toebehorende aan [naam slachtoffer] , welke bedreiging met geweld bestond uit het

- tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [naam slachtoffer] en

- richten van datop een vuurwapen gelijkend voorwerp aan die [naam slachtoffer] en

- tonen van een taser aan die [naam slachtoffer] en vervolgens die taser

meermalen aan- en uitzetten, waardoor elektrische schokken

zichtbaar waren en

- meermalen tegen die [naam slachtoffer] zeggen dat hij hem dood zou schieten

2.

hij op omstreeks 16 november 2019 te Rotterdam,

van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 8630,55 euro de werkelijke aard en/of de herkomst

heeft verhuld en heeft verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp is

terwijl hij wist, dat dit voorwerp, gedeeltelijk, onmiddellijk,

afkomstig was uit eigen misdrijf en voor het overige middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf

3.

hij op 16 november 2019 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met anderen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 4° van de Wet wapens en munitie, te weten een alarmpistool, voorhanden heeft gehad

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

De eendaadse samenloop van:

Ten aanzien van feit 1

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Ten aanzien van feit 2

Eenvoudig witwassen

en

Witwassen

Ten aanzien van feit 3

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering straffen

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten,

de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan de afpersing van de aangever, waarbij gebruik is gemaakt van wapens. De aangever is daarbij een fors geldbedrag afhandig gemaakt. De verdachte heeft zich ten aanzien van het bij hem in beslag genomen geldbedrag schuldig gemaakt aan witwassen en eenvoudig witwassen. Het bij de afpersing gebruikte alarmpistool bleek bij onderzoek geen echt vuurwapen waar patronen mee kunnen worden afgevuurd. Het is echter wel een wapen in de zin van de Wet wapens en munitie en zeker voor afdreiging geschikt. Er was in de auto sprake van een conflict tussen de aangever en de verdachten, in het bijzonder met [naam verdachte] . De precieze aanleiding voor de afpersing is onduidelijk gebleven, omdat geen van de betrokkenen het achterste van zijn tong heeft willen laten zien en dus het nemen van verantwoordelijkheid voor eigen handelen uit de weg wordt gegaan. Het iemand op dergelijke wijze geld afhandig maken, levert een ernstig strafbaar feit op. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte aan.

De rechtbank heeft gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 31 januari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 11 februari 2020. Daarin staat onder meer het volgende. Als de verdachte schuldig wordt bevonden, bestaan er zorgen over zijn sociaal netwerk, assertiviteit en probleemoplossend vermogen. Het recidiverisico kan niet worden ingeschat. Geadviseerd wordt reclasseringsbemoeienis op te nemen als bijzondere voorwaarde. De rechtbank heeft met dit rapport rekening gehouden.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank gelet op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Daarnaast acht de rechtbank de oplegging van een taakstraf van na te noemen duur passend en geboden.

Omdat de reclassering begeleiding noodzakelijk acht, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

Gelet op het onder 1 bewezenverklaarde feit is de rechtbank het met de offcier van justitie eens dat een deel van het in beslag genomen geldbedrag, namelijk € 3.000,- moet worden teruggegeven aan de aangever en dat het overige deel zal verbeurd worden verklaard.

Het bewezen feit is met betrekking tot dit voorwerp begaan.

9. Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.000,- aan immateriële schade en een vergoeding van materiële schade, waaronder het afgeperste bedrag van € 3000,-.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ter zake immateriële schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 500,- onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

9.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

9.3.

Beoordeling

De vraag of, en in hoeverre, de aangever immateriële schade heeft opgelopen door deze afpersing is thans niet te beantwoorden door de rechtbank. Hoewel een afpersing een ernstig strafbaar feit vormt, zijn de uitlatingen van de aangever zowel kort na het voorval als tijdens zijn verhoor ter zitting bij de behandeling van de strafzaak zodanig dat niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de aangever door dit strafbare feit immateriële schade heeft opgelopen. De rechtbank doelt dan op hetgeen de aangever heeft verklaard over zijn eigen achtergrond en (levens)geschiedenis, maar ook op zijn uitlatingen in de richting van de verdachten en hun familie. Ten aanzien van de materiële schade zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Een deel daarvan, € 3.000,-, zal aan hem worden teruggegeven, zodat hij wat dat deel betreft geen belang meer heeft bij zijn vordering. Voor een goede beoordeling van het overige is (tenminste) een gerichte, aanvullende, standpuntwisseling nodig tussen de benadeelde partij en de verdachten. Deze aanvullende behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting op van het strafgeding. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Omdat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 57, 317, 420bis en 420bis.1 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 354 dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, te weten 180 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, afdeling reclassering, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 dagen;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- gelast de teruggave aan de aangever van € 3.000,-:

- verklaart verbeurd het restant van het geldbedrag als bijkomende straf voor feit 2;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.F. Milders, voorzitter,

en mrs. W.A.F. Damen en G.P. van de Beek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 16 november 2019 te Rotterdam, althans in Nederland,

op of aan de openbare weg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot de

afgifte van 3000 euro, althans enig geldbedrag, geheel of ten dele

toebehorende aan [naam slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) aan die [naam slachtoffer] en/of

- doorladen van dat/een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) en/of

- richten van dat/een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) aan die

[naam slachtoffer] en/of

- tonen van een taser aan die [naam slachtoffer] en/of (vervolgens) die taser

(meermalen) aan- en uitzetten, waardoor (steeds) elektrische schokken

zichtbaar waren en/of

- ( meermalen) tegen die [naam slachtoffer] zeggen dat hij hem dood zou schieten;

art 317 lid 1Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 3 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 16 november 2019 te Rotterdam, althans in Nederland,

van een voorwerp, te weten een geldbedrag van 8630,55 euro (of daaromtrent),

althans enig geldbedrag,

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de

vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of

heeft verborgen en/of heeft verhuld, wie de rechthebbende op dit voorwerp is

en/of

dit voorwerp heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden,

dat dit voorwerp,

geheel of gedeeltelijk,

onmiddellijk of middellijk,

afkomstig was uit enig (eigen) misdrijf;

SR 420bis lid 1 sub a/b

SR 420bis.1 Sr

SR 420quater Sr

SR 420quater.l Sr

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 16 november 2019 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 4° van de Wet

wapens en munitie, te weten een alarmpistool, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

4.

hij op of omstreeks 16 november 2019 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 5° van de Wet

wapens en munitie, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische

stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan

worden toegebracht, te weten een stroomstootwapen, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie