Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5712

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
10/268431-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikelen 2, 10 en 10a Opiumwet. Verdachte verbleef in een woning waar onder andere cocaïne en versnijdingsmiddelen zijn aangetroffen. Door hem is ontkend dat hij hiervan enige wetenschap had. De rechtbank acht echter bewezen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van die spullen en aan het plegen van voorbereidingshandelingen. Aan hem is een gevangenisstraf van 15 maanden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/268431-19

Datum uitspraak: 24 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum verdachte] te [geboorteplaats vedrachte] , [geboorteland verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

volgens opgave verblijvende op het adres:

[verblijfadres verdachte] , [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. J. van Appia, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M. Luijpen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft tevens gevorderd om bij uitspraak de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte enige mate van bewustheid had van de aanwezigheid van de in de woning aangetroffen cocaïne, versnijdingsmiddelen en overige goederen.

Beoordeling

De rechtbank gaat uit van het volgende. De politie gaat op 9 november 2019 omstreeks 10.00 uur naar de woning aan de [adres delict] te Rotterdam om de officiële huurder aan te houden ten behoeve van de gerechtelijke tenuitvoerlegging van in totaal 15 dagen hechtenis. De politieambtenaren zien op dat moment van buiten door het raam dat er een man en een vrouw aanwezig zijn in één van de twee slaapkamers. De verdachte is één van die twee personen. Hij doet de voordeur open en laat de politieambtenaren binnen. Eenmaal in de woning ziet de politie in de woonkamer een aantal dingen die sterk wijzen in de richting van het versnijden van (hard)drugs. Het gaat daarbij om onder andere een zak met versnijdingsmiddel, een zeef, een speciale (BQ-)telefoon en een mondmasker. Ook op het televisiemeubel treft de politie een (sporen)beeld aan dat sterk wijst in de richting van harddrugs. Op dat meubel ligt de portemonnee van de verdachte waaruit hij zijn idkaart haalt om deze de verbalisanten te tonen. Naar aanleiding van deze waarnemingen worden verdachte en de vrouw, [naam vrouw] , aangehouden. De politie heeft na deze bevindingen overleg gehad met de officier van justitie. De officier van justitie heeft aansluitend aan de rechter-commissaris een machtiging gevorderd tot doorzoeking van de woning. Nadat de machtiging is verleend, vindt een doorzoeking plaats. In de woning treft de politie in de andere ruimten (keuken, tweede slaapkamer), deels ook in het zicht, goederen en sporen aan en ruiken zij een geur, die alle wijzen op het bewerken en aanwezig hebben van harddrugs. Er worden onder meer een drugspers met alle toebehoren aangetroffen. Op een verlaagd (systeem)plafond in de keuken wordt in totaal ruim 1,4 kilo cocaïne aangetroffen. In een afvalzak in de woonkamer worden verpakkingen gevonden die uiterlijk overeenkomen met het op het plafond aangetroffen “kiloblok” cocaïne. De in de woning aangetroffen situatie is fotografisch vastgelegd.

In de woning worden twee telefoons aangetroffen, waaronder een Samsung telefoon. Die telefoon is onderzocht door de politie. Daarbij zijn ondere andere contacten aangetroffen tussen de telefoon van de verdachte en de telefoon van de officiële huurder van deze woning, [naam officiële huurder] (hierna: [naam officiële huurder] ). Deze contacten vinden plaats tussen 7 oktober 2019 en 1 november 2019. De naam van [naam officiële huurder] is ook aangetroffen in de contactenlijst in de telefoon van de verdachte. [naam officiële huurder] verklaart dat “de laatste maanden maar één persoon de sleutel van de woning heeft”. Verder verklaart hij dat hij telefonisch contact heeft gehad met die persoon. Op de gerichte vraag hoe lang die persoon al woont in die woning, antwoordt [naam officiële huurder] : “Ik denk een paar maanden nu”. De monsters van de in de woning aangetroffen stoffen zijn onderzocht door een deskundige van het Nederlands Forensisch Instituut. Uit de rapportages van dat onderzoek volgt dat de politie (in totaal) ruim 1,4 kilogram cocaïne heeft aangetroffen in de woning.

Volgens de verklaring van [naam officiële huurder] en de inhoud van de berichten in de telefoon van de verdachte, is hij de bewoner/gebruiker van de woning en woonde hij daar op 9 november 2019 -in elk geval- al gedurende enkele weken. Voor een bewoner geldt dat hij in beginsel wetenschap heeft van en beschikkingsmacht heeft over de goederen die zich in die woning bevinden. Dat kan anders zijn onder bijzondere omstandigheden, maar daarvan is niet gebleken. De rechtbank betrekt bij haar oordeel verder dat in de woning goederen en stoffen zijn aangetroffen die gebruikt worden bij het versnijden en verder bewerken van, in dit geval, cocaïne. Het gaat hier om drugs en goederen die in samenhang bezien gebruikt (kunnen) worden bij het op grotere schaal versnijden/bewerken van harddrugs. Voor het aantreffen van deze goederen en de verdere situatie in de woning heeft de verdachte geen geloofwaardige verklaring afgelegd. De rechtbank zal de verklaringen van verdachte dan ook terzijde schuiven. Zij komt daarom tot een bewezenverklaring van de aan hem verweten feiten.

Verzoek horen getuige

De raadsman heeft, naar de rechtbank begrijpt: in voorwaardelijke vorm, het verzoek gedaan om [naam vrouw] te horen, ter zake het gebruik van het mondmasker door verdachte. De rechtbank acht aan de (overigens niet heel helder geformuleerde) voorwaarde voldaan en zal om die reden het verzoek hierna beoordelen. De rechtbank zal de verklaringen van [naam vrouw] en de resultaten van het DNA-onderzoek aan het mondmasker niet voor het bewijs gebruiken, zodat er geen verdedigingsbelang is bij het (nader) horen van deze getuige. Dit leidt ertoe dat het verzoek zal worden afgewezen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1

hij op 9 november 2019 te Rotterdam

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1.469,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

2

hij op 9 november 2019 te Rotterdam, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen 4.068,2 gram mannitol en 390,9 gram boorzuur en 1.050 ml aceton en een weegschaal en drukpersen en verpakkingsmateriaal en een zeef, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

Ten aanzien van feit 1

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van feit 2

Een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffem voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van die feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn derhalve strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is derhalve strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben en het bewerken/verwerken van harddrugs. Verdovende middelen zijn verslavend en kunnen de gezondheid schaden. Bovendien hangt het gebruik van en de handel in en verspreiding van verdovende middelen samen met allerlei bijkomende vormen van schadelijke en overlastgevende criminaliteit. De verdachte heeft zich hier niets aan gelegen laten liggen en heeft geen oog gehad voor de schadelijke gevolgen van zijn handelen voor anderen. De verdachte heeft geen openheid van zaken willen geven over de strafbare feiten en heeft daarmee geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn kwalijke handelen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 mei 2020, waaruit blijkt dat de verdachte in ieder geval in Nederland niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Deze straffen gaan in de regel uit boven de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf, maar de rechtbank zal vostaan met het opleggen van een straf die overeenkomt met de eis.

De rechtbank zal gezien haar beslissing, de schorsing van de voorlopige hechtenis opheffen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de (Crypto) telefoon BQ Aquaris (onder 1 vermeld op de beslaglijst) te onttrekken aan het verkeer en de Samsung telefoon (onder 2 vermeld op de beslaglijst) terug te geven aan de verdachte.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de Samsung telefoon toebehoort aan de verdachte. De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de BQ Aquaris telefoon

8.3.

Beoordeling

De in beslag genomen BQ Aquaris telefoon (vermeld op de beslaglijst onder 1) zal worden onttrokken aan het verkeer.

Het ongecontroleerd bezit van een dergelijk telefoontoestel, dat naar algemene ervaringsregels nagenoeg steeds wordt gebruikt in verband met ernstige vormen van criminaliteit, is in strijd met het algemeen belang. Ook deze BQ Aquaris telefoon is aangetroffen in directe relatie tot opzettelijk voorhanden hebben en/of (kunnen) bewerken van aanzienlijke hoeveelheden harddrugs en zal, mede daarom, hoogstwaarschijnlijk informatie bevatten die daarmee in verband staat. De rechtbank wil voorkomen dat deze informatie weer beschikbaar komt aan derden zonder dat de politie inhoudelijk onderzoek heeft kunnen doen aan dit toestel.

Ten aanzien van de Samsung telefoon (vermeld op de beslaglijst onder 2) zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36b, 36c, 36d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de

artikelen 10 en 10a van de Opiumwet.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:

- beveelt de onttrekking aan het verkeer van de BQ Aquaris telefoon;

- gelast de teruggave aan verdachte van de Samsung telefoon;

heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. V.F. Milders en G.P. van de Beek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 9 november 2019 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

aanwezig heeft gehad

ongeveer 1.469,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet)

2

hij op of omstreeks 9 november 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,

verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen 4.068,2 gram mannitol en/of 390,9 gram boorzuur en/of 1.050 ml aceton en/of een of meer weegscha(a)l(en) en/of drukpers(en) en/of verpakkingsmateriaal en/of een stofmasker en/of een zeef, voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

(Artikel art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 10a lid 1 ahf/sub 3 alinea Opiumwet, art 10 lid 4 Opiumwet, art 10 lid 5 Opiumwet)