Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5692

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
592912
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzetzaak; griffierecht niet tijdig voldaan; beroep op artikel 127a Rv faalt; verstekvonnis bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: C/10/592912 / HA ZA 20-272

uitspraak: 26 juni 2020

Vonnis in verzet

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats eiser],

eiser in het verzet,

oorspronkelijk gedaagde,

gemachtigde: mr. A. Aksu,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde in het verzet,

oorspronkelijk eiser,

niet verschenen.

Partijen worden hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Dit blijkt uit:

- de verzetdagvaarding van 28 februari 2020, met producties.

- de akte uitlaten van 29 april 2020 van de zijde van [eiser].

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De vaststaande feiten

2.1

[gedaagde] heeft van [eiser] in november 2018 gekocht het appartementsrecht dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van de woning gelegen op de eerste etage met balkon, berging en verdere toebehoren, plaatselijk bekend [adres] (hierna: de woning).

2.2

Artikel 3 van de koopovereenkomst vermeldt dat feitelijke levering van de woning zou plaatsvinden op 31 december 2018 of zoveel eerder of later als koper nader aangeeft.

2.3

Bij verstekvonnis van 27 november 2019, tussen [eiser] en [gedaagde] onder nummer C/10/584497 / HA ZA 19-984 gewezen, heeft deze rechtbank [eiser] veroordeeld tot, kort gezegd, deugdelijke nakoming van de koopovereenkomst, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [eiser] in gebreke zou blijven, met een maximum van € 50.000,-, en voorts bepaald dat het vonnis in de plaats treedt van de voor de levering vereiste wilsverklaring, medewerking en handtekening van [eiser], met zijn veroordeling in de proceskosten.

Het vonnis is wat de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3. De vordering

3.1

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hem tot goed opposant zal verklaren en hem zal ontheffen van de veroordelingen tegen hem uitgesproken bij het verstekvonnis van deze rechtbank van 27 november 2019, dit verstekvonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het door [gedaagde] gevorderde alsnog zal afwijzen, althans [gedaagde] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vordering, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

[eiser] baseert zijn vordering op de volgende, zakelijk weergegeven stellingen.

Hij heeft pas op 31 januari 2020 van het verstekvonnis kennisgenomen.

[eiser] is niet in staat om te lezen en schrijven en zijn geestvermogens zijn blijvend gestoord. Het was hem niet duidelijk dat hij de woning had verkocht.

Ook als moet worden uitgegaan van de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst, had de levering uiterlijk op 31 december 2018 moeten plaatsvinden. [gedaagde] heeft niet gereageerd op verzoeken om de overdracht te voltooien.

[eiser] heeft daarom aangenomen dat [gedaagde] blijvend afzag van de overdracht en heeft met een brief aan [gedaagde] de overeenkomst schriftelijk ontbonden.

4. De beoordeling

4.1

Uit het ter griffie bijgehouden roljournaal blijkt dat de eerste roldatum in deze zaak 11 maart 2020 was. Op 20 april 2020 is het door [eiser] verschuldigde griffierecht ontvangen. De termijn tussen de eerste roldatum en de ontvangst van het griffierecht is meer dan vier weken. Het griffierecht is dus niet tijdig voldaan.

4.2

Artikel 147 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) bepaalt dat de rechter, wanneer het verstek tegen de oorspronkelijk gedaagde is verleend wegens het niet verschijnen in het geding, de zaak aanhoudt zolang hij het verschuldigde griffierecht niet heeft voldaan en de termijn genoemd in artikel 3, derde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken nog loopt.

Wanneer het griffierecht niet alsnog tijdig, dat wil zeggen binnen vier weken na de eerste roldatum in de verzetprocedure is betaald, schrijft het tweede lid van artikel 147 Rv voor dat de rechter het verstekvonnis bekrachtigt.

Het vierde lid van artikel 147 Rv verklaart artikel 127a, derde en vierde lid, Rv van overeenkomstige toepassing.

Artikel 127a Rv luidt, voor zover relevant:

1. De rechter houdt de zaak aan zolang de eiser het griffierecht niet heeft voldaan en de termijn genoemd in artikel 3, derde lid van de Wet griffierechten burgerlijke zaken nog loopt.

2 Indien de eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan, ontslaat de rechter de gedaagde van de instantie, met veroordeling van de eiser in de kosten. (…)

3 De rechter laat het eerste en tweede lid, eerste volzin, geheel of ten dele buiten toepassing, indien hij van oordeel is dat de toepassing van die bepaling, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.3

De advocaat van [eiser] heeft de gelegenheid gekregen zich uit te laten over het niet tijdig voldoen van het griffierecht. Hij heeft bij akte het volgende gesteld:

De nota voor het griffierecht is tijdig verzonden aan de moeder van [eiser], die zijn belangen behartigt. De nota heeft haar ook bereikt. Zij kampt met verschillende gezondheidskwalen en heeft bij de betaling van nota’s hulp van derden nodig. Zij was niet bij machte die nota te betalen vanwege de maatregelen rond Corona.

Zij verlaat haar woning niet en was niet in staat hulp in te schakelen via derden.

Zij zou dan haar bankpas aan derden moeten overdragen, wat praktisch niet mogelijk was. Uiteindelijk is er contact geweest met een derde en is de betaling geschied.

Namens [eiser] vraagt de advocaat begrip omdat [eiser] en zijn moeder uit vrees voor hun leven alle contacten met de buitenwereld vermijden.

4.4

De rechtbank beschouwt het in de akte gestelde als een beroep op de “hardheidsclausule” van artikel 127a lid 3 Rv.

De omstandigheden die namens [eiser] zijn aangevoerd nopen echter niet tot het geheel of gedeeltelijk buiten toepassing laten van artikel 127a lid 2 Rv op de in lid 3 van dat artikel genoemde grond. Namens [eiser] zijn namelijk slechts feiten en omstandigheden aangevoerd die in zijn risicosfeer liggen.

Op grond van het bepaalde in artikel 147 lid 2 Rv moet de rechtbank daarom het verstekvonnis van 27 november 2019 bekrachtigen.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het verzet. Die kosten worden aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil.

De beslissing in verzet

De rechtbank:

bekrachtigt het verstekvonnis van deze rechtbank van 27 november 2019, tussen [eiser] en [gedaagde] onder nummer C/10/584497 / HA ZA 19-984 gewezen;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van het verzet, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op nihil;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

37878