Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5677

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
30-06-2020
Zaaknummer
10/051995-20 vordering TUL VV: 10/079325-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging ISD-maatregel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/051995-20

Parketnummer vordering TUL VV: 10/079325-19

Datum uitspraak: 19 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsvrouw mr. M.G.J. Plat, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 5 juni 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.H.A. de Bruijne heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar;

  • -

    afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 10/079325-19.

4. Waardering van het bewijs

Feit 1

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat de onder 1 aan de verdachte ten laste gelegde diefstallen in de periode van 13 tot en met 20 februari 2020 bij de Big Bazar te Vlaardingen wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De verdachte is namelijk zowel door een verbalisant als door een medeweker van de winkel op camerabeelden die van de diefstallen op verschillende dagen zijn gemaakt, als de dader herkend. Daarnaast heeft een andere winkelmedewerker de verdachte herkend als dader van de tenlastegelegde diefstallen op 13, 19 en 20 februari 2020 op basis van de foto van diens rijbewijs, dat op 27 februari 2020 voor de winkel werd aangetroffen en dat de verdachte daar vermoedelijk heeft verloren.

Beoordeling

Het belangrijkste element in de bewijsvoering van de officier van justitie zijn de camerabeelden: op grond daarvan wordt de verdachte immers rechtstreeks als dader van de diefstallen aangewezen. De verdediging heeft de herkenningen gemotiveerd betwist en de verdachte ontkent de diefstallen. In het dossier bevinden zich verscheidene stills van de beelden. Deze stills zijn zo vaag dat een voldoende betrouwbare persoonsherkenning op basis daarvan in elk geval niet mogelijk is. De rechtbank heeft daarom de wens geuit om op de zitting de camerabeelden te bekijken, om zelfstandig te kunnen toetsen of de bewegende beelden van zodanige kwaliteit zijn dat daarop een herkenning kan worden gebaseerd. Het bekijken van de camerabeelden op zitting bleek echter niet mogelijk. Genoemde toets heeft dus niet kunnen plaatsvinden. Bij deze stand van zaken is de rechtbank er in onvoldoende mate van overtuigd geraakt dat het de verdachte is geweest die de ten laste gelegde diefstallen heeft gepleegd.

Conclusie

Het onder 1 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Feit 2

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 27 februari 2020 te Vlaardingen, blikjes Red Bull, die toebehoorden aan Albert Heijn (gevestigd aan het [adres 1] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

diefstal.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering maatregel

Algemene overweging

De maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feit waarop de maatregel is gebaseerd

De verdachte heeft blikjes Red Bull gestolen bij de Albert Heijn. Hij heeft daarmee blijk gegeven van een gebrek aan respect voor andermans eigendom. Winkeldiefstallen als deze zijn bijzonder ergerlijk en leiden bovendien op grotere schaal tot zeer vervelende gevolgen voor winkeleigenaren in de vorm van aanzienlijke kostenposten, die vervolgens worden doorberekend aan klanten die wel voor hun boodschappen betalen.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 mei 2020, waaruit blijkt dat de verdachte reeds vele malen eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclasseringsrapportage

GGZ Antes, afdeling reclassering, heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 1 mei 2020. Dit rapport houdt - onder meer - het volgende in.

De verdachte is een verslaafde man die vanwege het daaruit voortvloeiende gedrag met grote regelmaat in aanraking komt met justitie. In de afgelopen negen jaar is aan hem zes maal een reclasseringstoezicht opgelegd, dat telkens voortijdig is beëindigd wegens zijn niet-ontvankelijke houding en het stelselmatig niet op meldplichtafspraken verschijnen. De reclassering ziet daarom nu geen aanknopingspunten voor een zoveelste reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden, terwijl een langdurig hulpverleningstraject wel is geïndiceerd om de recidivekans te doen verminderen. Zij adviseert daarom oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.

Psychologische rapportage

Psycholoog C. Moerland heeft geadviseerd over de vraag gesteld of er contra-indicaties zijn voor oplegging van de ISD-maatregel. In haar rapport van 18 maart 2020 beantwoordt zij die vraag ontkennend.

Overig

Op de zitting heeft de verdachte verklaard dat hij nooit op afspraken met de reclassering verschijnt omdat de reclassering niets voor hem doet. Geconfronteerd met de wisselende verklaringen die hij bij de reclassering en tegenover rechters heeft gegeven over zijn verslavings- en/of psychische problematiek, heeft hij daarnaast verklaard dat hij niet altijd zin heeft om alles te zeggen en om vragen te beantwoorden.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de gevorderde maatregel is voldaan:

  • -

    de verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;

  • -

    de verdachte is blijkens het eerder genoemde op zijn naam gestelde uittreksel uit de justitiële documentatie in de vijf jaren voorafgaande aan het door hem begane feit ten minste driemaal tot een vrijheidsbenemende straf of een taakstraf veroordeeld. De desbetreffende vonnissen zijn onherroepelijk. Het onderhavige feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan;

  • -

    de veiligheid van goederen eist het opleggen van de maatregel.

De rechtbank constateert dat de tot op heden aan de verdachte opgelegde straffen en maatregelen er niet toe hebben geleid dat het criminele gedrag van de verdachte is beëindigd. Bovendien let de rechtbank op de ernst van het begane feit en de veelvuldigheid van de voorafgaande veroordelingen. Gelet op de door de verdachte steeds weer veroorzaakte overlast en schade staat thans het belang van de samenleving voorop.

De rechtbank onderschrijft daaarom de conclusie van de reclassering dat oplegging van de ISD-maatregel is aangewezen. Aangezien de verdachte zich in het verleden meermalen aan voorwaarden heeft onttrokken en hij ook op de zitting blijk heeft gegeven niet open te staan voor reclasseringsbegeleiding, ziet de rechtbank geen aanleiding voor oplegging van de maatregel in een voorwaardelijk kader.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de maatregel ertoe strekt de maatschappij te beveiligen en de recidive van verdachte te beëindigen. Bovendien kan binnen de tenuitvoerlegging van de maatregel mede invulling worden gegeven aan het in kaart brengen en oplossen van de verslavings- en/of psychische problematiek van de verdachte.

Om zoveel als mogelijk uitvoering te kunnen geven aan genoemde doelen van de maatregel zal de rechtbank de maatregel opleggen voor de duur van twee jaren en de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht daarop niet in mindering brengen.

De rechtbank zal niet – zoals door de verdediging is verzocht – beslissen tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Mocht de verdachte van mening zijn dat er aanleiding is voor een dergelijke toetsing, dan kan hij daar op grond van art. 6:6:14, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering om verzoeken als zes maanden van de maatregel verstreken zijn.

Alles afwegend acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar passend en geboden.

8. Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 5 april 2019 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier weken, waarvan een gedeelte groot twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. De proeftijd is ingegaan op 19 april 2019.

In beginsel zou de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf kunnen worden gelast. Het hierboven bewezen verklaarde feit is immers na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd en door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

De rechtbank acht tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf echter niet aangewezen, nu – zoals hiervoor is overwogen – aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren zal worden opgelegd.

De vordering zal daarom worden afgewezen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;


gelast dat de verdachte wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 5 april 2019 van de politierechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. A. Bonder en M.M. Dolman, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F.M.H. van Mullekom, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juni 2020.

De oudste en jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 13 februari 2020 tot en met 20 februari 2020 te Vlaardingen (meermalen)

- één of meer trays met blikjes Red Bull en/of

- één of meer pakken Ariel wasmiddel,

in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n), te weten aan Big Bazaar (gevestigd aan de [adres 2] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij op of omstreeks 27 februari 2020 te Vlaardingen één of meer blikjes Red Bull, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n), te weten aan Albert Heijn (gevestigd aan het [adres 1] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.