Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5626

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
C/10/594863 / JE RK 20-999
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing, gewezen t.t.v. corona-maatregelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/594863 / JE RK 20-999

datum uitspraak: 12 juni 2020

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2006 te [geboorteplaats minderjarige 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2014 te [geboorteplaats minderjarige 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] ,

[naam minderjarige 3] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 3] 2015 te [geboorteplaats minderjarige 3] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 3] ,

[naam minderjarige 4] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 4] 2016 te [geboorteplaats minderjarige 4] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 4] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 10 april 2020, ingekomen bij de griffie op 14 april 2020.

Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het Covid 19-(corona)virus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. De partijen zijn in de gelegenheid gesteld om door de kinderrechter telefonisch gehoord te worden.


Op 12 juni 2020 heeft de kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, in een groepsgesprek telefonisch gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. A. Aksu,

- de vader, dhr. [naam vader] , als informant,

- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .

De minderjarige [voornaam minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden – op dit moment voldoende is om tot een goed oordeel te komen en een beslissing te kunnen nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] wordt uitgeoefend door de moeder.

[voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] wonen bij de moeder. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven bij de tante vaderszijde (vz).

Bij beschikking van 6 juni 2019 zijn [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] onder toezicht gesteld tot 14 juni 2020. De kinderrechter heeft bij beschikking van 27 februari 2020 de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 14 juni 2020.

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens wordt verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden.

De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De GI heeft geen verdere aanvulling gegeven met betrekking tot de verlenging van de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] heeft de GI het verzoek als volgt toegelicht. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] zullen dit schooljaar bij de tante vz afmaken. In de zomervakantie worden [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] voor een wenperiode van zes weken thuisgeplaatst. Na de zomervakantie kunnen [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op een nieuwe school in Rotterdam starten. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben op dit moment weinig contact met de moeder. Ook is er momenteel met de vader geen omgang.

Het standpunt van de moeder

Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen het verzoek. De moeder vindt het belangrijk dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hun schooljaar bij de tante vz afmaken. De GI heeft met de moeder afgesproken dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in de zomervakantie thuisgeplaatst kunnen worden. Vanaf het nieuwe schooljaar, dat vanaf 1 september 2020 begint, kunnen [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] op een nieuwe school in Rotterdam beginnen.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en hetgeen de partijen telefonisch naar voren hebben gebracht, is gebleken dat er sprake is van een positieve ontwikkeling. [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] wonen sinds 14 maart 2020 weer bij de moeder. De thuisplaatsing van [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] verloopt goed. De moeder heeft de afgelopen maanden voortuitgang laten zien. Het is de bedoeling dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in de zomervakantie terug zullen gaan naar de moeder. De kinderrechter is van oordeel dat het belangrijk is dat de jeugdbeschermer de ontwikkeling van de kinderen blijft volgen en dat zij betrokken is bij het vormgeven van de omgang tussen de vader en de kinderen. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] daarom verlengen voor de duur van een jaar. De kinderrechter acht het noodzakelijk dat de situatie van de moeder goed wordt gemonitord en dat de terugkeer van de kinderen naar de moeder wordt begeleid. De kinderrechter zal daarom ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengen, zodat zij dit schooljaar bij hun huidige school kunnen afmaken. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] echter verlengen voor een kortere duur dan verzocht, namelijk tot 1 september 2020. Dit is in overeenstemming met het huidige plan dat de kinderen het nieuwe schooljaar – dat op of rond die datum begint – vanuit huis starten, en dat zij in de periode daarvóór onder begeleiding worden teruggeplaatst. Het meer of anders verzochte zal worden afgewezen.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, BW).

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] , [voornaam minderjarige 3] en [voornaam minderjarige 4] tot 14 juni 2021;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 1 september 2020;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Siemons, kinderrechter, in tegenwoordigheid van I.E. Teunissen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2020.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 23 juni 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.