Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5621

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
8284541
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. WWZ. Geen rechtsgeldig ontslag op staande voet. Billijke verhoging op nihil gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-0725
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8284541 VZ VERZ 20-1080

uitspraak: 12 juni 2020

beschikking ex artikel 7:681 Burgerlijk Wetboek van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker],

verzoeker,

gemachtigde: mr. I.D.C.J. van Driel te Vlaardingen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster] ,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [plaatsnaam],

verweerster,

gemachtigde: mr. M.E.J. Elemans te Nijmegen.

Partijen worden hierna [verzoeker] en [verweerster] genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het verzoekschrift, ontvangen op 24 januari 2020, met producties;

  • -

    het verweerschrift, ontvangen op 2 april 2020, met producties;

  • -

    de brief zijdens [verzoeker] van 6 mei 2020, met producties;

  • -

    de pleitnotitie aan de kant van [verzoeker] ;

  • -

    de aantekeningen aan de kant van [verweerster] .

1.2.

De mondelinge behandeling is gehouden op 20 mei 2020. [verzoeker] is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R. Alamyar, een kantoorgenote van de gemachtigde voornoemd, die zelf ook is verschenen. Namens [verweerster] is verschenen de heer [naam 1] (directeur), bijgestaan door de gemachtigde voornoemd. Van hetgeen ter zitting is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

De beschikking is bepaald op heden.

2. De feiten

In de onderhavige procedure zal van de volgende vaststaande feiten - voor zover van belang - worden uitgegaan.

2.1.

[verweerster] is een bedrijf dat is toegespitst op handel in en reparatie van personenauto’s.

2.2.

[verzoeker] , geboren op [geboortedatum verzoeker] , is op 1 november 2018 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij [verweerster] in dienst getreden in de functie van verkoopmedewerker. Het salaris van [verzoeker] bedraagt € 1.617,70 bruto per maand, exclusief 8 % vakantietoeslag.

2.3.

De arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 november 2018 aangegaan voor de duur van één jaar, derhalve tot 1 november 2019. De arbeidsovereenkomst is nadien voortgezet wederom voor bepaalde tijd, nu voor zes maanden, derhalve tot 1 mei 2020. In de arbeidsovereenkomst is - in artikel 3.2 - de mogelijkheid van tussentijdse opzegging opgenomen.

2.4.

[verzoeker] heeft tijdens werktijd via zijn privé Marktplaats-account voor zichzelf (of voor het bedrijf van zijn vader) in ieder geval op te koop aangeboden auto’s geboden. [verzoeker] heeft vanaf het e-mailadres en de computer van [verweerster] ook e-mailberichten naar het bedrijf van zijn vader gestuurd, onder meer met tips over mogelijk aantrekkelijke campers. [verweerster] heeft [verzoeker] hiernaar gevraagd en [verzoeker] heeft laten weten dat dit niet meer zal gebeuren.

2.5.

[verzoeker] beschikte ten tijde van zijn indiensttreding niet over zijn rijbewijs. Partijen hebben afgesproken dat [verzoeker] vanaf het moment dat hij zijn rijbewijs weer in bezit zou krijgen, een auto van de zaak zou kunnen gaan rijden passend bij zijn functie.

2.6.

Op 7 november 2019 heeft [verzoeker] zijn rijbewijs teruggekregen. In een WhatsApp-bericht aan [naam 2] schreef hij het volgende:

“Regel jij een leuke sportieve demo voor deze vlotte topverkoper gehehe :D zou je me een groot plezier mee doen! Zie die zwarte Kia pro Ceed wel wat man. Lekker zuinig en sportief. Strak plan swa!”

De auto waaraan [verzoeker] refereert heeft een waarde van € 19.000,00, staat ter verkoop in de showroom en is niet verzekerd en tenaamgesteld. De auto heeft een bruto bijtelling van € 554,00.

2.7.

Op 8 november 2019 heeft tussen [naam 2] en [verzoeker] een telefoongesprek plaatsgevonden over de door [verzoeker] gewenste auto. [verweerster] heeft [verzoeker] laten weten dat hij voorlopig een auto uit de uitleenvloot mocht rijden, welke auto’s variëren in waarde van € 6.000,00 tot € 8.000,00. Dit telefoongesprek is, net als het persoonlijke gesprek dat op 12 november 2019 volgde, ontaard in een felle discussie.

2.8.

Op 25 november 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van [verweerster] , waarbij ook de vader van [verzoeker] aanwezig was.

2.9.

[verweerster] heeft [verzoeker] bij brief van 27 november 2019 op staande voet ontslagen. De ontslagbrief luidt - voor zover van belang - als volgt:

“(…) Zo heb je de gezagsverhouding ernstig geschonden door je incorrecte en ongepaste gedrag en heb je een aantal malen redelijke bevelen of opdrachten niet opgevolgd. Daarnaast is gebleken dat je tijdens werktijd op een computer van het werk hebt geboden op en hebt gehandeld in auto’s. Dit is in strijd met artikel 13 van de arbeidsovereenkomst, waarin is bepaald dat het zonder voorafgaande toestemming van je werkgever niet is toegestaan om gedurende de looptijd van de arbeidsovereenkomst al dan niet gehonoreerde nevenwerkzaamheden uit te voeren.

Je bent voor je ontoelaatbare gedrag op 8 november 2019 en 12 november 2019 schriftelijk gewaarschuwd. (…) Vervolgens zei je dat we wel moesten beseffen hoe jij hierop kon reageren en je zei dat je heel vervelend kon worden en dat je het ons heel moeilijk kon maken. Ten slotte zei je nog dat je informatie over ons bedrijf naar buiten zou brengen dat wij liever niet zouden hebben.

(…) Op 13 november 2019 heb je je ziekgemeld. Op 19 november 2019 meldde je je hersteld. We hebben je vanaf die datum vrijgesteld van werk en uitgenodigd voor een gesprek dat op maandag 25 november 2019 heeft plaatsgevonden.

(…) Alle genoemde zaken bij elkaar leveren een dringende reden op om je op staande voet te ontslaan. Dit ontslag wordt je bij deze dan ook aangezegd. De plichten die uit je arbeidsovereenkomst voorvloeien zijn door jou grovelijk veronachtzaamd en je hebt de gezagsverhouding herhaaldelijk ondermijnd en geschonden door je werkgever te beledigen en door het niet opvolgen van redelijke bevelen of opdrachten. (…)”

2.10.

Bij brief van 13 december 2019 heeft de gemachtigde van [verzoeker] geprotesteerd tegen het aan [verzoeker] verleende ontslag op staande voet en is aanspraak gemaakt op doorbetaling van loon. De gemachtigde van [verweerster] heeft bij e-mail van 31 december 2019 laten weten nog een inhoudelijke reactie te zullen geven. Die reactie is uitgebleven.

2.11.

[verzoeker] heeft per 2 januari 2020 een nieuwe baan.

3. Het verzoek van [verzoeker] en de grondslag daarvan

3.1.

[verzoeker] heeft verzocht voor recht te verklaren dat het ontslag van [verzoeker] in strijd is met artikel 7:671 BW en [verweerster] te veroordelen tot betaling van:

  • -

    een billijke vergoeding van € 10.000,00;

  • -

    een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 10.192,20 netto;

  • -

    de wettelijke rente vanaf 25 november 2019;

  • -

    de proceskosten.

3.2.

Aan zijn verzoek heeft [verzoeker] - voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag gelegd.

3.2.1.

[verzoeker] betwist dat hij redelijke bevelen of opdrachten niet heeft opgevolgd. Dat [verweerster] de zoekgeschiedenis van het Marktplaats-account van [verzoeker] heeft opgevat als een schending van het nevenwerkzaamhedenbeding, dan wel het niet opvolgen van instructies, zodanig dat voor [verweerster] aanleiding bestond [verzoeker] te ontslaan, blijkt niet uit de overgelegde stukken. [verzoeker] is daar ook nooit mee geconfronteerd. Bovendien was het zoeken op Marktplaats onderdeel van de functie van [verzoeker] . [verzoeker] heeft met het sturen van het WhatsApp-bericht waarin hij vraagt om een ‘leuke en sportieve’ bedrijfsauto, niet de gezagsverhouding geschonden. Er is slechts een verschil van mening ontstaan over de aard van het bericht, terwijl [verweerster] niet heeft geprobeerd de gemoederen te doen bedaren en een redelijke oplossing heeft geprobeerd te zoeken.

Het ontslag op staande voet is niet onverwijld gegeven aangezien [verweerster] 14 dagen heeft gewacht met het sturen van een ontslagbrief, terwijl [verweerster] al op 13 november 2019 bekend was met de in de ontslagbrief van 27 november 2019 gestelde feiten.

3.2.2.

Omdat het ontslag op staande voet niet aan de wettelijke vereisten voldoet, heeft [verweerster] de arbeidsovereenkomst opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. [verzoeker] maakt daarom aanspraak op:

  • -

    een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 10.192,20 netto;

  • -

    een billijke vergoeding van € 10.000,00 bruto. [verzoeker] heeft geen aanspraak kunnen maken op een WW-uitkering en is over de periode 25 november 2019 tot 2 januari 2020 een bedrag aan loon (inclusief vakantiegeld en vrije dagen) van € 2.618,00 misgelopen. Indien de arbeidsovereenkomst niet onregelmatig was opgezegd had [verzoeker] aanspraak kunnen maken op de transitievergoeding van € 1.223,04 bruto.

4. Het verweer van [verweerster]

4.1.

Het verweer van [verweerster] strekt tot afwijzing van het verzoek van [verzoeker] , met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten. Daartoe heeft [verweerster] - zakelijk weergegeven en voor zover van belang - het volgende aangevoerd.

4.1.1.

Het ontslag is onverwijld gegeven. [verweerster] heeft na het gesprek op 25 november 2019 twee dagen de tijd genomen om verder onderzoek te doen. [verweerster] heeft daarmee voldoende voortvarend gehandeld. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat [verzoeker] veelvuldig heeft ingelogd via zijn privé Marktplaats-account. Daarmee is sprake van het structureel overtreden van het zonder toestemming verrichten van nevenwerkzaamheden.

4.1.2.

[verweerster] heeft onder meer door gesprekken geprobeerd om de-escalatie te bereiken, dat is niet gelukt. [verzoeker] bleek niet voor rede vatbaar en heeft [verweerster] geïntimideerd met het dreigement dat hij informatie over het bedrijf naar buiten zou brengen waar [verweerster] niet blij mee zou zijn. Er is voldoende dringende reden voor ontslag op staande voet. [verweerster] heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] rechtsgeldig opgezegd.

4.1.3.

Voor toewijzing van enige vergoeding bestaat geen aanleiding. Als er al sprake is van onregelmatige opzegging dan was de arbeidsovereenkomst tussentijds opzegbaar en is [verweerster] hooguit een vergoeding verschuldigd gelijk aan het loon over de periode 27 november tot 31 december 2019. Er is geen sprake van ernstig verwijtbaar handelen door [verweerster] , zodat geen ruimte bestaat voor toewijzing van een billijke vergoeding.

5. De beoordeling

5.1.

Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of [verzoeker] met de brief van 27 november 2019 terecht op staande voet is ontslagen. Indien deze vraag ontkennend moet worden beantwoord, is vervolgens de vraag aan de orde of aan [verzoeker] ten laste van [verweerster] een billijke vergoeding toekomt. Daarnaast is dan aan de orde de vraag of [verweerster] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst.

5.2.

Voordat tot een inhoudelijke beoordeling wordt overgegaan, wordt vastgesteld dat [verzoeker] zijn verzoek tijdig heeft ingediend, omdat het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst door [verweerster] is beëindigd.

Rechtsgeldigheid ontslag op staande voet

5.3.

Uit artikel 7:681 lid 1 sub a BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer aan hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Lid 1 van artikel 7:671 BW bepaalt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig kan opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een in dat artikellid onder a) tot en met h) genoemde uitzonderingen. Tussen partijen staat vast dat de bedoelde schriftelijke instemming ontbreekt. [verweerster] beroept zich op de in artikel 7:671 lid 1 onder c) BW genoemde grond, namelijk dat zij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd op grond van artikel 7:677 lid 1 BW (het zogeheten ontslag op staande voet). Omdat het ontslag op staande voet een uiterst middel is, stelt de wet daaraan strenge eisen. Een ontslag op staande voet is rechtsgeldig indien voldaan is aan de volgende drie cumulatieve eisen: 1) er is sprake van een dringende reden, 2) het ontslag op staande voet is onverwijld gegeven, en 3) de dringende redenen is onverwijld met het ontslag op staande voet aan de werknemer meegedeeld. Partijen zijn onder andere verdeeld over (het antwoord op) de vraag of in dit geval sprake is van een dringende reden voor het ontslag.

5.4.

Op grond van artikel 7:681 lid 1 BW worden als dringende reden in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (zie ook: 7:678 BW). Bij de beoordeling van de vraag of van zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt. Verder moeten onder meer worden betrokken de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zou hebben.

5.5.

Voor de beoordeling van de vraag of het door [verweerster] aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is, zijn de aan [verzoeker] opgegeven redenen zoals vermeld in de brief van 27 november 2019 maatgevend en wordt het geschil afgebakend door de daarin genoemde verwijten. Uit deze brief volgt dat [verweerster] [verzoeker] in de kern verwijt dat hij - in strijd met het in de arbeidsovereenkomst opgenomen nevenwerkzaamheden beding - tijdens werktijd voor zichzelf in auto’s handelde. Daarnaast verwijt [verweerster] [verzoeker] dat hij de gezagsverhouding door zijn gedrag en zijn houding ernstig heeft aangetast en zijn werkgever heeft beledigd. Volgens [verweerster] vormt het voorgaande een dringende reden voor ontslag op staande voet. [verzoeker] heeft dat betwist en aangevoerd dat hij per ongeluk op zijn privé Marktplaats-account heeft gezocht naar auto’s voor [verweerster] .

5.6.

De stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan van de dringende reden liggen in dit geval bij [verweerster] . In dit kader wordt als volgt overwogen.

5.6.1.

Vooropgesteld wordt dat het niet zo is dat elke overtreding van een beding uit de arbeidsovereenkomst, in dit geval overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding, leidt tot een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet. Ook in dit geval geldt dat niet. [verweerster] heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarop de aard en de ernst ziet van het tijdens werktijd via zijn privé Marktplaats-account bieden op auto’s. Niet gesteld of gebleken is immers dat de biedingen die [verzoeker] heeft gedaan waarvan [verweerster] screenshots heeft overgelegd, door de verkopende partij zijn geaccepteerd. En als dat wel zo is of de daaruit voortvloeiende overeenkomst door [verzoeker] privé of namens [verweerster] is gesloten. Evenmin is gesteld of gebleken dat [verzoeker] de auto’s vervolgens (bedrijfsmatig) heeft doorverkocht. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verweerster] aangevoerd dat [verzoeker] erop is aangesproken dat het niet de bedoeling is dat hij vanuit zijn privé Marktplaats-account autoverkopers benadert en dat [verzoeker] zijn gedrag niet heeft aangepast. [verzoeker] heeft dit betwist. [verweerster] heeft haar stelling niet nader onderbouwd en uit hetgeen door [verweerster] is overgelegd kan niet worden afgeleid dat [verzoeker] gewaarschuwd is, noch dat hij zijn gedrag na de vermeende waarschuwing niet zou hebben aangepast. Het WhatsApp-gesprek (productie 10) gaat kennelijk over een e-mail die [verzoeker] naar zijn vader heeft gestuurd.Dit heeft geen betrekking op het vanaf zijn privé Marktplaats-account handelen in auto’s. Uit de als productie 11 overgelegde screenshots kan niet worden afgeleid wanneer [verzoeker] bedoelde biedingen heeft gedaan. Van biedingen vanaf het privé Marktplaats-account van [verzoeker] in oktober/november 2019 is geen onderbouwing overgelegd, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan. Het voorgaande leidt ertoe dat van een dringende reden geen sprake is. Het handelen van [verzoeker] in deze, hoe ‘onhandig’ ook, rechtvaardigt geen ontslag op staande voet.

5.6.2.

Ook ten aanzien van de tweede reden die [verweerster] heeft aangevoerd - dat de gezagsverhouding door het gedrag van [verzoeker] ernstig is aangetast en dat hij [verweerster] heeft beledigd - bestaat geen dringende reden. Daartoe wordt overwogen dat uit de WhatsApp-correspondentie die door beide partijen is overgelegd, volgt dat werkgever en werknemer op een zeer amicale manier met elkaar communiceerden. Dat het berichtje van [verzoeker] over de auto bij [verweerster] verkeerd is gevallen en de discussie tussen partijen vervolgens (over en weer) is verhard, waarbij er door [verzoeker] dingen gezegd zouden zijn die [verweerster] te ver vindt gaan, had door [verweerster] gesanctioneerd kunnen worden met een andere, minder zware, sanctie. [verweerster] heeft niet althans onvoldoende gesteld om tot een ander oordeel te komen.

5.6.3.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [verweerster] haar stellingen ten aanzien van het bestaan van een dringende reden niet, althans onvoldoende, heeft onderbouwd. Omdat er dus in dit geval geen sprake is van een dringende reden en dit al leidt tot een niet rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet, kan de vraag of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven en of de dringende reden onverwijld met het ontslag op staande voet aan [verzoeker] is meegedeeld, onbesproken blijven.

5.7.

Geconcludeerd wordt dan ook dat van een rechtsgeldig gegeven ontslag op staande voet geen sprake is, zodat is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW in combinatie met artikel 7:677 lid 1 BW. De verzochte verklaring voor recht zal gezien het voorgaande dan ook worden toegewezen.

Als gevolg hiervan is er een grond om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 sub a BW, waarin is bepaald dat de kantonrechter op verzoek van werknemer - zoals hier aan de orde - een billijke vergoeding kan toekennen als bedoeld in voornoemd artikel.

Billijke vergoeding

5.8.

[verzoeker] verzoekt op grond van artikel 7:681 lid 1 sub a BW [verweerster] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding ter hoogte van € 10.000,00 bruto (zie hiervoor onder 3.2.2). [verweerster] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de billijke vergoeding.

5.9.

De rechtsgrond voor toekenning van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 lid 1 sub a BW is in beginsel reeds gegeven met het oordeel dat er geen dringende reden is voor het gegeven ontslag op staande voet en dat is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW (zie: Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113). Met andere woorden: [verweerster] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door [verzoeker] ten onrechte ontslag op staande voet te geven. Dit maakt dat toekenning van een billijke vergoeding op zijn plaats is. Bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding komt het aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval en de rechter dient in de motivering van haar oordeel inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid (zie HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187, New Hairstyle).

5.10.

In dit geval is er geen ruimte voor het toekennen van enig geldelijk belang aan de billijke vergoeding, zodat de billijke vergoeding wordt vastgesteld op nihil. Bij dat oordeel worden de volgende omstandigheden betrokken. Hoewel - zoals hiervoor is overwogen - [verweerster] onterecht is overgegaan tot het geven van ontslag op staande voet, treft ook [verzoeker] verwijt. Van [verzoeker] had verwacht mogen worden dat, nadat hij had begrepen dat zijn WhatsApp-bericht over de auto van de zaak niet goed door [verweerster] was ontvangen, hij bereid en in staat was tot het voeren van een constructief gesprek daarover. Dat is niet gelukt, [verzoeker] is zelfs op enig moment uit een gesprek weggelopen. Dat het idee van [verzoeker] bij een auto van de zaak een andere was dan dat van [verweerster] , is wel duidelijk. Gegeven de omstandigheden was het idee van [verzoeker] echter niet realistisch. Immers, [verzoeker] had pas zeer recent zijn rijbewijs terug en was hij nog werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. De vergelijking die [verzoeker] probeert te maken met zijn collega’s is niet redelijk aangezien deze collega’s al veel langer werkzaam waren bij [verweerster] . Overigens heeft [verweerster] ook betwist dat bedoelde collega’s een soortgelijke auto rijden als die [verzoeker] op het oog had. Zelfs ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] er onvoldoende blijk van gegeven dat hij begrijpt dat de door hem bedoelde auto buiten het bereik van de gemaakte afspraken valt.

Daarnaast wordt bij de beoordeling betrokken dat [verweerster] [verzoeker] weliswaar op 27 november 2019 onterecht op staande voet heeft ontslagen, maar dat de arbeidsovereenkomst van [verzoeker] bij [verweerster] toch binnen afzienbare tijd zou zijn geëindigd, namelijk op 30 april 2020. Uit de omstandigheid dat de eerste arbeidsovereenkomst van [verzoeker] niet met dezelfde termijn, namelijk een jaar, maar slechts zes maanden is verlengd, wordt afgeleid dat er (in ieder geval vanuit [verweerster] ) nog geen zich was op een dermate bestendige arbeidsrelatie. Daarbij komt dat [verzoeker] met het toekennen van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging (zoals hierna is opgenomen) in voldoende mate wordt gecompenseerd. Bovendien acht de kantonrechter het van belang dat [verzoeker] met ingang van 2 januari 2020 een nieuwe baan heeft gevonden en niet gesteld of gebleken is dat hij daarbij niet (nagenoeg) hetzelfde salaris verdient als bij [verweerster] . Er wordt dan ook vanuit gegaan dat [verzoeker] geen of nauwelijks financieel nadeel lijdt.

Vergoeding wegens onregelmatige opzegging

5.11.

[verzoeker] heeft naast de billijke vergoeding verzocht om toekenning van de gefixeerde schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente. [verweerster] heeft hiertegen verweer gevoerd.

5.12.

Omdat vast staat dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet heeft plaatsgevonden met inachtneming van de daarvoor geldende termijn, heeft [verzoeker] recht op de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:672 lid 10 (oud) BW. De gefixeerde schadevergoeding is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is tussentijds opzegbaar is. Dat betekent dan ook dat de gefixeerde schadevergoeding verschuldigd is - in geval van opzegging per de eerste van de maand met in acht name van een opzegtermijn van één maand -tot en met 31 december 2019. Aangezien het loon van [verzoeker] , inclusief 8 % vakantietoeslag € 1.747,12 bruto per maand bedroeg, betekent dit dat een bedrag van € 1.921,83 bruto aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging wordt toegewezen (zijnde € 1.747,12 voor december 2019 en € 174,71 voor de laatste drie dagen van november 2019).

5.13.

Overigens heeft de gemachtigde van [verzoeker] in verwijzing naar artikel 7:672 lid 11 (oud) BW aangevoerd dat het loon niet verder kan worden gematigd dan het in geld vastgestelde loon voor drie maanden, zodat volgens de gemachtigde moet worden uitgegaan van het loon tot 1 maart 2020. Die stelling is onnavolgbaar nu de ondergrens van matiging van drie maanden alleen geldt indien de toewijsbare vordering een hoger bedrag betreft. Dat kan van belang zijn bij langdurige opzegtermijnen. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake; de niet gehanteerde opzegtermijn bedroeg immers één maand, zodat de vergoeding ook slechts één maand loon bedraagt.

5.14.

Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding worden toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig geëindigd zou zijn, dus vanaf 1 januari 2020.

Proceskosten

5.15.

De kantonrechter ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren, omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld.

6. De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst in strijd met artikel 7:671 BW heeft opgezegd;

kent aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe en stelt deze vast op nihil;

veroordeelt [verweerster] om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 1.921,83 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking, voor wat betreft de veroordeling tot betaling van de vergoeding wegens onregelmatige opzegging, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.H. Kemp-Randewijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

28356