Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5619

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-04-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
6571297
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na bewijslevering. Beantwoordde paard bij aflevering aan de koopovereenkomst?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 6571297 \ CV EXPL 18-1085

uitspraak: 24 april 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres],

eiseres,

gemachtigde: mr. M.J.A. Weda te Castricum,

tegen

1. de vennootschap onder firma [gedaagde 1] .,

rechtsopvolger van de eenmanszaak [naam bedrijf] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 1],

2. [gedaagde 2] ,

voorheen h.o.d.n. [handelsnaam] ,

thans vennoot van de vennootschap onder firma [gedaagde 1] .,

tevens pro sé in hoedanigheid van de inmiddels opgeheven eenmanszaak [naam bedrijf] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 2],

3. [gedaagde 3] ,

vennoot van de vennootschap onder firma [gedaagde 1] .,

wonende te [woonplaats gedaagde 3],

4. [gedaagde 4] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 4], en

5. [gedaagde 5] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 5],

gedaagden,

gemachtigde: mr. J. van Groningen te Middelharnis, gemeente Goeree-Overflakkee.

Eiseres blijft hierna aangeduid als [eiseres] . Gedaagden blijven hierna afzonderlijk aangeduid als “ [gedaagde 1] .”, “ [gedaagde 2] ”, “ [gedaagde 3] ”, “ [gedaagde 4] ” en “ [gedaagde 5] ”.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het tussenvonnis van 20 juli 2018 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • -

    de akte zijdens gedaagden, met producties;

  • -

    de brief van 10 september 2018 zijdens gedaagden, met een productie;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 28 november 2018;

  • -

    de e-mail van 29 november 2018 van de gemachtigde van gedaagden;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 januari 2018 (bedoeld is 2019);

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 3 april 2019;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 2 juli 2019;

  • -

    het proces-verbaal van constatering en bevindingen van de kantonrechter op 26 augustus 2019;

  • -

    de brief van 11 juli 2019 zijdens [eiseres] ;

  • -

    de conclusie na enquête tevens wijziging van eis zijdens [eiseres] , met producties;

  • -

    de akte zijdens gedaagden, met een productie;

  • -

    de akte uitlaten zijdens [eiseres] .

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1.

De kantonrechter verwijst naar en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen in het tussenvonnis van 20 juli 2018, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Bij dat vonnis is [gedaagde 2] toegelaten te bewijzen dat [naam paard] ten tijde van de aflevering aan [eiseres] op 14 juli 2017 aan de koopovereenkomst beantwoordde.

2.2.

Ter voldoening aan de bewijsopdracht hebben gedaagden een aantal schriftelijke verklaringen en foto’s overgelegd. Daarnaast hebben zij als getuigen laten horen: mevrouw [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), mevrouw [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ), mevrouw [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ), mevrouw [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ) en [gedaagde 2] zelf.

In contra-enquête zijn vervolgens de volgende getuigen gehoord: mevrouw [getuige 5] (hierna: [getuige 5] ) en mevrouw [getuige 6] (hierna: [getuige 6] ). Bij de conclusie na enquête heeft [eiseres] , onder meer, een schriftelijke verklaring van haarzelf en haar dochter [getuige 7] (hierna: [getuige 7] ) overgelegd.

bewijswaardering

2.3.

De vraag die voor ligt is of [gedaagde 2] er in is geslaagd te bewijzen dat [naam paard] ten tijde van de aflevering aan [eiseres] op 14 juli 2017 een braaf, ongecompliceerd, nuchter en betrouwbaar paard was. Naar het oordeel van de kantonrechter is zij niet in dit bewijs geslaagd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.3.1.

De schriftelijke verklaringen van [getuige 8] (Dierenarts, Specialist Chirurgie Paard, Erkend Paardendierenarts) en [getuige 9] en [getuige 10] dragen niet bij aan het probandum.

In de verklaring van [getuige 8] verwijst hij naar de veterinaire keuring die is gedaan door zijn collega specialist M. Boswinkel. Kennelijk gaat het om de keuring van 13 juli 2017 waarvan het onderzoeksrapport door [eiseres] als productie 6 bij dagvaarding is overgelegd. Dit betrof echter geen onderzoek naar de eigenschappen of het karakter van [naam paard] , maar naar haar (fysieke) gestel. Het onderzoeksrapport noch de verklaring van [getuige 8] draagt derhalve bij aan het te leveren bewijs. De verklaring van [getuige 9] en [getuige 10] ziet op hun waarneming tijdens een wedstrijd op 27 april 2017. Gezien het tijdsverloop van bijna drie maanden tussen het moment waarop deze verklaring ziet en de aflevering van [naam paard] aan [eiseres] , kan bedoelde verklaring evenmin bijdragen aan het te leveren bewijs. De foto die is genomen van [gedaagde 2] die samen met haar nichtje op [naam paard] zit, draagt evenmin bij aan het bewijs, alleen al omdat uit de foto niet is af te leiden wanneer deze is genomen en het bovendien een momentopname betreft.

2.3.2.

[getuige 2] , die als getuige en deskundige is gehoord, heeft [naam paard] nooit gezien. Zoals zij zelf ook heeft verklaard kan zij daarom niet iets specifieks over [naam paard] vertellen en is haar getuigenverklaring voor het overige zeer algemeen van aard. Haar verklaring kan dan ook niet bijdragen aan het te leveren bewijs dat [naam paard] ten tijde van de aflevering aan de overeenkomst voldeed. De verklaring van [getuige 2] over de waarnemingen van de jury tijdens de Subli cup heeft betrekking op de vijfjarige [naam paard] , terwijl zij op het moment van levering aan [eiseres] zeven jaar was. Er is dus een periode van twee jaar verstreken, zodat bedoelde waarnemingen in redelijkheid niet kunnen bijdragen aan het te leveren bewijs.

2.3.3.

[getuige 1] , [getuige 4] en [gedaagde 2] hebben uit eigen ervaring over (het gedrag van) [naam paard] verklaard.

[getuige 1] heeft verklaard dat zij [naam paard] “een stuk of dertig keer” heeft bereden in de weken dat zij bij [gedaagde 2] was om haar te helpen. Onduidelijk is wanneer dit precies is geweest, zodat reeds om die reden geen belang aan de verklaring van [getuige 1] kan worden gehecht ten aanzien van het te leveren bewijs.

[getuige 4] heeft een schriftelijke verklaring afgelegd en is voorts onder ede gehoord. Zij heeft verklaard dat zij [naam paard] één dag zelf heeft bereden (“zo’n 4 jaar gelden”), dat zij meermaals (buiten)ritjes heeft gemaakt waarbij [gedaagde 2] op [naam paard] reed en dat zij erbij was toen [eiseres] en [getuige 7] een proefrit op [naam paard] hebben gemaakt. Aangezien de verklaring van [getuige 4] ziet op ervaringen met [naam paard] die dateren van (ver) voor de aflevering van [eiseres] , kan deze verklaring evenmin bijdragen aan het te leveren bewijs.

De verklaring van [gedaagde 2] kan op grond van artikel 164 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) omtrent de door haar te bewijzen feiten geen bewijs opleveren, tenzij haar verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Hiervan is alleen sprake als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 31 maart 1995, NJ 1997/592). Gezien hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de zijdens [gedaagde 2] gehoorde getuigen, is van de tenzij-regeling geen sprake.

2.3.4.

[gedaagde 2] heeft voorts [getuige 3] laten horen, die door [eiseres] is gevraagd te beoordelen of [naam paard] voor haar en [getuige 7] een geschikt paard was. Uit de verklaring van [getuige 3] volgt dat zij [naam paard] kent vanaf 22 september 2017. De verklaring van [getuige 3] ziet derhalve op de periode ná de aflevering van [naam paard] aan [eiseres] en draagt niet bij aan het bewijs waartoe [gedaagde 2] volgens het probandum zijn toegelaten. In de akte die gedaagden hebben genomen naar aanleiding van de getuigenverhoren hebben zij erop gewezen dat [getuige 3] heeft verklaard: “Er was mij verteld dat er iets was mis gegaan bij hen ( [eiseres] en [getuige 7] , toev. ktr.) maar niet wat er mis was gegaan.”. Gedaagden hebben daaraan de conclusie verbonden dat er na de verkoop en levering iets is gebeurd en dat dit niet in verband kan worden gebracht met de koopovereenkomst. Die conclusie volgt de kantonrechter echter niet. Gelet op de context van de verklaring van [getuige 3] en de aanleiding waarom zij door [eiseres] is ingeschakeld, is het aannemelijker dat het gaat om het voorval op 10 augustus 2017 waarbij [naam paard] op hol is geslagen en [eiseres] van [naam paard] is afgevallen (r.o. 2.7 tussenvonnis). Die uitleg strookt ook met de inhoud van de verklaring van [gedaagde 2] , die immers stelt: “U vraagt mij of ik gehoord heb of er iets met [naam paard] is gebeurd, waardoor ze [eiseres] heeft afgeworpen. Ik heb niet gehoord dat er iets speciaals is gebeurd, niet dat ik weet.” Gedaagden hebben geen omstandigheden aangevoerd die een andere lezing rechtvaardigen.

2.3.5.

Uit de stukken en de verschillende getuigenverklaring volgt dat [naam paard] temperamentvol is. Dat is door [gedaagde 2] ook bevestigd met de woorden “ze is geen dooie, heeft wel een beetje bloed”. Volgens gedaagden hoeft dit echter niet problematisch te zijn en mag temperament ook worden verwacht van een paard waarvoor € 18.500,00 is betaald. Wat daar ook van zij, uit de e-mail van [eiseres] van 24 juni 2017 (r.o. 2.2 tussenvonnis) volgt duidelijk dat zij op zoek is naar “een braaf paard, waarmee mijn dochter ook direct kan wegrijden”. Onder randnummer 12 van de akte na getuigenverklaring hebben gedaagden gesteld dat [eiseres] een meer dan gemiddeld paard heeft gekocht en dat “Vast staat dat een paard van dat niveau de details in de hulpen wil krijgen. Daar ga je niet zomaar opzitten en ermee wegrijden.”. Dit staat dus haaks op het soort paard dat [eiseres] zocht en het soort paard dat [gedaagde 2] heeft toegezegd dat [naam paard] is.

2.3.6.

Gedaagden hebben tijdens het getuigenverhoor en overigens ook in de akte na getuigenverhoor de nadruk gelegd op de rijkwaliteiten van [eiseres] en [getuige 7] en het feit dat zij zich hebben voorgesteld als beginnend ruiters terwijl zij dat volgens gedaagden niet zijn. Dit is echter niet relevant voor de beoordeling van de vraag of [naam paard] aan de koopovereenkomst beantwoorde. Zelfs als er vanuit zou worden gegaan dat [eiseres] en [getuige 7] geoefende ruiters zijn, dan doet dit niet af aan de karaktereigenschappen die [naam paard] volgens de koopovereenkomst zou moeten bezitten. Voor zover gedaagden hebben bedoeld aan te voeren dat een geoefend ruiter ook een wild(er) en onrustig(er) paard moet kunnen rijden, dan kan dat zo zijn maar daarbij gaan zij eraan voorbij dat een dergelijke ruiter om welke reden dan ook op zoek kan zijn naar een mak en rustig paard.

2.3.7.

Hetgeen gedaagden hebben aangevoerd ten aanzien van de in contra-enquête gehoorde getuigen en de schriftelijke verklaringen van [eiseres] en [getuige 7] ziet niet direct op hetgeen [gedaagde 2] dient te bewijzen, namelijk dat [naam paard] bij aflevering aan de koopovereenkomst voldeed. Hetgeen gedaagden hebben aangevoerd in dit kader kan ook niet tot een ander oordeel leiden dan dat [gedaagde 2] niet geslaagd is in de bewijslevering.

2.4.

De conclusie van het bovenstaande is dat [gedaagde 2] niet in de bewijsopdracht is geslaagd. Dit heeft tot gevolg dat het in het tussenvonnis 5.16 genoemde vermoeden niet is ontkracht en dat dus is komen vast te staan dat [naam paard] ten tijde van de levering op 14 juli 2017 niet een braaf, ongecompliceerd, nuchter en betrouwbaar paard was. Dit betekent dat [naam paard] ten tijde van de levering niet de eigenschappen bezat die [eiseres] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Derhalve beantwoordt [naam paard] niet aan de overeenkomst en is er dus sprake van non-conformiteit in de zin van artikel 7:17 BW.

2.5.

Nu [naam paard] non-conform is, komt [eiseres] op grond van artikel 7:22 lid 1 BW juncto artikel 6:265 BW de bevoegdheid toe om over te gaan tot ontbinding van de overeenkomst. Aangezien [eiseres] daartoe een vordering heeft ingesteld, zal de kantonrechter de tussen partijen gesloten overeenkomst ontbinden. Als gevolg van de ontbinding ontstaan er over en weer ongedaanmakingsverplichtingen.

ontbinding koopovereenkomst

2.6.

Gelet op hetgeen is overwogen in het tussenvonnis onder 5.6 wordt de koopovereenkomst geacht te zijn aangegaan door [gedaagde 2] in eigen naam. Daarom is [gedaagde 2] gehouden om de koopsom van [naam paard] van € 18.500,00 aan [eiseres] terug te betalen. [gedaagde 2] zal hiertoe worden veroordeeld, evenals tot betaling van de hierover gevorderde en niet weersproken wettelijke rente. [eiseres] is gehouden in het kader van haar ongedaanmakingsverplichting om [naam paard] aan [gedaagde 2] terug te geven en zal daartoe worden veroordeeld.

aanvullende schadevergoeding

2.7.

Naast terugbetaling van de koopsom vordert [eiseres] aanvullende schadevergoeding. De schade bestaat volgens [eiseres] uit kosten voor stalling, training, verzekering en een aangepast zadel. Bij de conclusie na enquête tevens wijziging van eis is de schade door [eiseres] begroot op een bedrag van € 14.704,03 + p.m.

2.8.

Bij de berekening van de aanvullende schadevergoeding (ex art. 6:277 BW) stelt de kantonrechter het volgende voorop. De omvang van deze schade wordt berekend door uit te gaan van het positief contractsbelang, waarbij de verschuldigde schadevergoeding wordt gevonden door vergelijking van twee denkbare vermogenssituaties. Enerzijds de situatie die zou zijn voortgevloeid uit een in alle opzichten onberispelijke nakoming en anderzijds de situatie die zou resulteren uit een ontbinding zonder schadevergoeding, na afwikkeling van de daaruit voortvloeiende restitutieplichten (Parl. Gesch. Boek 6, p. 1036). Voor de toewijzing van aanvullende schadevergoeding is vereist dat er causaal verband bestaat tussen de (gestelde) schade en de non-conformiteit van [naam paard] .

2.8.1.

Ten aanzien van de paardenverzekering geldt dat [eiseres] deze kosten ook heeft moeten maken indien [naam paard] wel had beantwoord aan de overeenkomst. Niet gesteld, noch gebleken is dat [eiseres] ter zake extra kosten heeft moeten maken vanwege de non-conformiteit van [naam paard] . Om die reden zullen de gevorderde kosten voor de paardenverzekering worden afgewezen.

2.8.2.

Het voorgaande geldt ook ten aanzien van de stallingskosten. Nu [eiseres] kennelijk geen gelegenheid heeft om [naam paard] thuis te stallen zou zij ook in het geval [naam paard] aan de overeenkomst had beantwoordt, kosten voor stalling moeten maken. Uit het als productie 15 bij conclusie na enquête tevens wijziging van eis overgelegde overzicht volgt dat de kosten voor stalling bij Stal Benesse - waar [naam paard] stond voordat zij naar [getuige 3] ging - en KHSporthorses elkaar niet veel ontlopen. Nu [eiseres] niet heeft onderbouwd dat zij méér kosten heeft moeten maken voor stalling als gevolg van de non-conformiteit van [naam paard] , zijn de gevorderde kosten ter zake stalling evenmin toewijsbaar.

2.8.3.

[eiseres] heeft aanvankelijk gesteld dat de kosten voor het aangepaste zadel voor [naam paard] door gedaagden moeten worden vergoed. Ter zake heeft zij de aankoopfactuur voor het zadel overgelegd. Bedoeld bedrag komt echter niet voor op het overzicht met facturen van de gemaakte kosten dat [eiseres] als productie 15 bij de conclusie na enquête tevens wijziging van eis heeft overgelegd. Evenwel overweegt de kantonrechter dat [eiseres] deze kosten ook heeft moeten maken indien [naam paard] wel had beantwoord aan de overeenkomst, zodat de kosten voor het aangepaste zadel eveneens worden afgewezen.

2.8.4.

Dat ligt anders voor de kosten voor africhting van [naam paard] die [eiseres] heeft betaald aan [getuige 3] . In het geval [naam paard] aan de overeenkomst zou hebben beantwoord, had [eiseres] deze kosten immers niet hoeven maken. Niet gesteld of gebleken is dat de periode van een jaar waarin [getuige 3] [naam paard] heeft getraind/afgericht een onredelijk lange periode is, daartoe is in ieder geval onvoldoende dat gedaagden in hun laatste akte hebben aangevoerd dat de training geen enkel doel dient of dat het uitsluitend het belang van [eiseres] dient en om die reden voor haar rekening en risico komt.

Gelet op het voorgaande wordt het redelijk geacht dat [gedaagde 2] de kosten voor africhting aan [eiseres] vergoed. De kantonrechter ziet evenwel aanleiding om de facturen die [eiseres] heeft overgelegd niet integraal toe te wijzen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

2.8.5.

De kosten voor hoefsmid, fysio, enting en wormenkuur die op de facturen genoemd zijn, zijn kosten die [eiseres] ook had gemaakt in het geval [naam paard] had beantwoord aan de koopovereenkomst. Gelet daarop en het onder 2.8.1 en 2.8.2 overwogene met betrekking tot extra kosten in verband met non-conformiteit waarvan niet is gebleken, komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking.

In de periode dat [getuige 3] [naam paard] heeft getraind/afgericht zijn er geen facturen voor ‘stalling’ aan [eiseres] verzonden. Uit de stukken en de verklaring van [getuige 3] kan evenwel worden afgeleid dat [naam paard] in die periode ook bij KHSporthorses gestald stond. De kantonrechter acht het om die reden aannemelijk dat een deel van het factuurbedrag terzake ‘africhting paard [naam paard] ’ ziet op stalling en dus op kosten die [eiseres] hoe dan ook gemaakt zou hebben. Het gaat daarbij om een bedrag van € 300,00, blijkens de facturen die [eiseres] terzake van ‘stalling en weide’ heeft overgelegd. Dit gedeelte van de facturen is dan ook niet toewijsbaas (zie hiervoor onder 2.8.2).
Rekening houdend met hetgeen hiervoor is overwogen resteert van de facturen een bedrag van € 300,00 dat betrekking heeft op training/africhting. Dat bedrag zal voor de periode oktober 2017 tot en met augustus 2018 worden toegewezen. Voor de maand september 2017 is [gedaagde 2] de helft van het aan [eiseres] gefactureerde bedrag van € 157,84 verschuldigd, nu er vanuit wordt gegaan dat de andere helft van dit bedrag ziet op stalling.

2.8.6.

De conclusie van het bovenstaande is dat [gedaagde 2] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 3.378,92 aan aanvullende schadevergoeding. De gevorderde en niet weersproken wettelijke rente over deze bedragen zal eveneens worden toegewezen, maar niet vanaf 12 september 2017 zoals [eiseres] heeft gevorderd. Niet gesteld, noch gebleken is dat zij op bedoelde datum het toewijsbare bedrag heeft betaald. Aangezien [eiseres] dit gedeelte van haar vordering eerst (volledig) heeft onderbouwd bij haar conclusie na enquête tevens akte wijziging van eis, ziet de kantonrechter aanleiding de rente toe te wijzen vanaf die datum, te weten 11 september 2019.

buitengerechtelijke incassokosten

2.9.

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd gedaagden te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten. Daarbij is geen concreet bedrag gevorderd. In het vervolg van de procedure heeft [eiseres] dit gedeelte van haar vordering ook niet nader onderbouwd. Dit gedeelte van de vordering is, als onvoldoende bepaald, niet toewijsbaar.

proceskosten

2.10.

Ten aanzien van de vordering jegens gedaagden sub 1, 3, 4 en 5 zal [eiseres] in de proceskosten worden veroordeeld. Nu door hen geen afzonderlijke proceshandelingen zijn verricht worden deze kosten vastgesteld op nihil.

2.11.

Ten aanzien van de procedure tussen [eiseres] en [gedaagde 2] wordt [gedaagde 2] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Die kosten worden aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 476,00 aan griffierecht, € 101,79 aan dagvaardingskosten en € 1.650,00 aan salaris voor de gemachtigde (5,5 punt van € 300,00 per punt op basis van het ten tijde van het aanbrengen van de dagvaarding geldende liquidatietarieven), alsmede € 85,00 aan taxe getuigen (€ 34,00 en € 51,00).

3. De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen [gedaagde 2] als verkoper en [eiseres] als koper gesloten overeenkomst met betrekking tot de verkoop en levering van het dressuurpaard [naam paard] ;

veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van
€ 18.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag, te rekenen vanaf 12 september 2017 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [eiseres] om [naam paard] aan [gedaagde 2] terug te geven nadat [gedaagde 2] aan de onder II. genoemde terugbetalingsverplichting heeft voldaan;

veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van een bedrag van € 3.378,92 te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag, te rekenen vanaf 11 september 2019 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van de proceskosten, welke tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] zijn begroot op € 577,79 aan verschotten, € 85,00 aan taxe getuigen en € 1.650,00 aan salaris voor de gemachtigde;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten aan de zijde van gedaagden 1, 3, 4 en 5, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

verklaart dit vonnis, voor zover het de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

28356