Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5602

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
29-06-2020
Zaaknummer
C/10/566228 / HA ZA 19-62
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. De vorderingen van eisende partij om de woning opnieuw te taxeren en om informatie worden afgewezen. Ook kan het vaststellen van het erfdeel van eiser en de legitieme portie niet worden toegewezen. Aantal ten overvloede overwegingen opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2020/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

Zittingsplaats Dordrecht

zaaknummer / rolnummer: C/10/566228 / HA ZA 19-62

Vonnis van 24 juni 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. G.A.H. Wiekamp te Hendrik-Ido-Ambacht,

tegen

1. [gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

2. de stichting

STICHTING GOEDEGEBUURE NOTARIËLE BEWINDVOERINGEN,

gevestigd te Zwijndrecht,

gedaagden,

advocaat mr. D.J. van de Weerdt te Vlaardingen.

Partijen zullen hierna respectievelijk “ [eiser] ”, [gedaagde] ” en “ de Stichting” genoemd worden

1. De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

 het tussenvonnis van 21 augustus 2019;

 het proces-verbaal van comparitie van 26 november 2019, met als bijlage de op 22 november 2019 door [eiser] overgelegde stukken;

 de brief van 18 december 2019 aan de zijde van [eiser] met betrekking tot het proces-verbaal;

 de akte uitlaten na comparitie van 11 maart 2020 aan de zijde van [gedaagde] en de Stichting;

 de antwoordakte na comparitie van 6 mei 2020 aan de zijde van [eiser] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis van 21 augustus 2019 is geoordeeld dat de zaak niet hoeft te worden verwezen naar de kantonrechter. Hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist wordt hier als overgenomen beschouwd.

2.2.

[eiser] en [gedaagde] zijn broer en zus. Hun moeder, mevrouw [naam moeder] (hierna: moeder), is op 26 juni 2014 overleden. [eiser] , [gedaagde] en hun vader, [naam vader] (hierna: vader), zijn de erfgenamen in de nalatenschap van moeder. De ouderlijke boedelverdeling was op de nalatenschap van moeder van toepassing. Vader is op 20 december 2015 overleden. Vader heeft [gedaagde] tot zijn enige erfgenaam benoemd en heeft de Stichting tot executeur benoemd. [eiser] heeft aanspraak gemaakt op zijn legitieme portie. Partijen zijn al jaren met elkaar in geschil over de afwikkeling van de nalatenschap van zowel moeder als vader.

2.3.

In zijn dagvaarding heeft [eiser] gevorderd – verkort weergegeven – bij vonnis:

  1. te bepalen dat het tot de nalatenschap behorende onroerende goed aan de [adres] te Zwijndrecht dient te worden getaxeerd door een door de rechtbank aan te stellen NVM makelaar, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  2. de Stichting in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van vader en [gedaagde] in haar hoedanigheid van erfgenaam in de nalatenschap van vader en moeder, te veroordelen om inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de tot de nalatenschap van vader en moeder behorende roerende zaken en al hetgeen, al dan niet middels schenking voorafgaand of rond het overlijden is verkregen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;

  3. het aan [eiser] toekomende vorderingsrecht op de nalatenschap van moeder en uit hoofde van zijn legitieme portie in de nalatenschap van vader vast te stellen op minimaal € 451.818,33, alsmede te bepalen dat de aanslag schenkbelasting ten laste dient te komen van de nalatenschap, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, vermeerderd met de wettelijke rente;

  4. [gedaagde] en de Stichting te veroordelen in de proceskosten.

2.4.

Tijdens de op 26 november 2019 gehouden zitting is de zaak met partijen besproken en heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld er samen uit te komen. De zaak is geschorst, zodat de Stichting bij Achmea Retail Bank (Centraal Beheer) kon informeren naar de ten naamstelling van de bankrekening bij Centraal Beheer en de geboortedatum van de rekeninghouders. Partijen hebben de rechtbank geïnformeerd dat zij er niet samen zijn uitgekomen, zodat de rechtbank de vorderingen van [eiser] moet beoordelen.

2.5.

In deze zaak staat de boedelbeschrijving centraal die door de Stichting en [gedaagde] is opgemaakt op 25 april 2019 (productie L bij de conclusie van antwoord). [eiser] is het op meerdere punten niet eens met deze boedelbeschrijving.

Taxatie woning

2.6.

Ten aanzien van het gevorderde onder I) wordt als volgt overwogen. [eiser] heeft onvoldoende onderbouwd wat zijn belang is bij het opnieuw laten taxeren van de woning. De woning is al twee keer getaxeerd door verschillende makelaars. Deze taxaties wijken niet af van de WOZ-waarden voor de jaren 2015 en 2016. [gedaagde] en de Stichting zijn in hun boedelbeschrijving uitgegaan van het gemiddelde van de taxaties en de WOZ-waarden. Het had op de weg van [eiser] gelegen om te onderbouwen waarom een nieuwe taxatie nodig is. Zijn enkele stelling dat de woning veel meer waard is (€ 550.000,-/€ 575.000,-), is daartoe onvoldoende. [eiser] heeft ook niet concreet onderbouwd waarom van de taxatierapporten niet uitgegaan kan worden, zodat niet valt in te zien dat een nieuwe taxatie noodzakelijk is. Opgemerkt wordt dat de woning inmiddels ingrijpend is verbouwd, zodat het ook nog maar de vraag is of een nieuwe taxatie mogelijk c.q. representatief zal zijn. Uitgegaan moet immers worden van de waarde op de datum van overlijden. Overigens gaat [eiser] in zijn voorlopige boedelbeschrijving (producties 15 bij dagvaarding) zelf ook uit van een waarde van € 403.000,-, zodat dit ook afbreuk doet aan zijn stelling dat de waarde van de woning hoger moet zijn. De vordering onder I) wordt gelet op het voorgaande afgewezen.

Inlichtingen

2.7.

Onder II) heeft [eiser] gevorderd om [gedaagde] en de Stichting te veroordelen om inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de roerende zaken die tot de nalatenschap van vader en moeder behoorden en inlichtingen te verstrekken over alles wat verkregen is al dan niet middels schenking voorafgaand of rondom het overlijden van de ouders. Volgens [eiser] hebben zijn ouders belegd in munten, sieraden en goud en zijn deze roerende zaken ten onrechte niet in de boedelbeschrijving opgenomen. Als het om schenkingen gaat, zoals [gedaagde] heeft gesteld, dan is [eiser] van mening dat deze schenkingen ingebracht moeten worden bij de verdeling van de nalatenschap van moeder. [eiser] is het niet eens met de waardering van de roerende zaken op € 1.719,-. Volgens [eiser] moet de waarde van de sieraden, het goud en de muntenverzameling op € 587.630,- worden vastgesteld.

2.8.

[gedaagde] en de Stichting hebben zich op het standpunt gesteld dat zij alle inlichtingen hebben verstrekt en dat zij geen roerende zaken hebben achtergehouden. Buiten de persoonlijke sieraden van moeder waren er geen noemenswaardige sieraden in de woning aanwezig. [gedaagde] en de Stichting betwisten dat er was belegd in goud, zilver en sieraden. Er zijn geen waardevolle zaken uit de woning weggehaald en als dat al anders zou zijn dan betreffen dit schenkingen. De muntenverzameling is door vader aan zijn kleinzoon [naam kleinzoon] geschonken en de lijfsieraden van moeder zijn door moeder aan [gedaagde] geschonken. Schenkingen hoeven op grond van het testament van moeder niet ingebracht te worden, tenzij bij schenking anders is bepaald. Dat is niet aan de orde, aldus [gedaagde] en de Stichting.

2.9.

Vaststaat dat [gedaagde] en de Stichting reeds inlichtingen verstrekt hebben aan [eiser] . De rechtbank is van oordeel dat er aanwijzingen moeten zijn dat [gedaagde] en de Stichting dingen achterhouden, voordat geoordeeld kan worden dat zij meer inlichtingen moeten verstrekken. Die aanwijzingen zijn er echter niet. Volgens [eiser] bezaten zijn ouders veel meer roerende zaken, zoals sieraden en munten, dan in de boedelomschrijving zijn opgenomen. [gedaagde] en de Stichting hebben dit echter ontkend. Zij hebben wat betreft de muntenverzameling aangevoerd dat deze is geschonken aan kleinzoon [naam kleinzoon] . Dit is door [eiser] niet, althans niet gemotiveerd betwist. Ook hebben [gedaagde] en de Stichting naar voren gebracht dat er niet meer sieraden aanwezig waren in de woning dan de lijfsieraden van moeder die aan [gedaagde] zijn geschonken. [eiser] heeft ter zitting hierover niet meer duidelijkheid verschaft. Hij heeft gewezen op de brief van zijn advocaat van 11 november 2014 waarin [eiser] heeft omschreven welke goederen in de woning aanwezig hadden moeten zijn. Dit is echter onvoldoende bewijs van zijn stelling, omdat deze brief enkel gebaseerd is op de verklaring van [eiser] zelf. [eiser] heeft daarnaast tijdens de zitting gesteld dat hij foto’s heeft gedeponeerd bij een notaris die bewijzen dat de in de boedelomschrijving opgenomen inboedel niet klopt. Dit is echter ook onvoldoende aanwijzing dat [gedaagde] en de Stichting dingen hebben achtergehouden, omdat [gedaagde] heeft toegegeven dat bepaalde roerende zaken zich wel in de woning bevonden, maar dat deze zijn geschonken. Vader heeft bij de politie ook verklaard dat deze roerende zaken geschonken zijn aan [gedaagde] en [naam kleinzoon] (zie het proces-verbaal aangifte 11 december 2014), zodat hier vanuit wordt gegaan. Gelet op het testament van moeder hoeven schenkingen niet worden ingebracht, tenzij dit bij de schenking anders is bepaald. [eiser] heeft niet gesteld dat sprake is geweest van schenkingen waarvan is bepaald dat deze ingebracht moeten worden. De conclusie is dat er geen grond is om de vordering onder II) toe te wijzen, zodat deze wordt afgewezen.

Vorderingsrecht en legitieme portie

2.10.

[eiser] heeft onder III) gevorderd om zijn toekomende vorderingsrecht op de nalatenschap van moeder en uit hoofde van zijn legitieme portie in de nalatenschap van vader vast te stellen op minimaal € 451.818,33, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag. Daarnaast heeft [eiser] gevorderd om de bepalen dat de aanslag schenkbelasting ten laste dient te komen van de nalatenschap.

2.11.

De rechtbank is van oordeel dat er geen grond is om [eiser] ’ toekomende vorderingsrecht op de nalatenschap van moeder en uit hoofde van zijn legitieme portie in de nalatenschap van vader vast te stellen op minimaal € 451.818,33. Deze vordering is namelijk gebaseerd op hogere waardes van de woning en roerende zaken. De vorderingen die daarop betrekking hebben zijn echter hiervoor afgewezen, zodat de rechtbank hetgeen [eiser] toekomt uit de nalatenschap van moeder en de legitieme portie van vader niet kan vaststellen op het minimale bedrag van € 451.818,33. Omdat [eiser] een minimaal bedrag van € 415.818,33 heeft gevorderd, kan de rechtbank ook niet in goede justitie een ander bedrag vaststellen. Dit betekent dat het eerste deel van de vordering onder III) wordt afgewezen.

2.12.

Het tweede deel van de vordering onder III) ziet op het bepalen dat de aanslag schenkbelasting ten laste dient te komen van de nalatenschap. Ook deze vordering wordt afgewezen. [eiser] heeft de aanslag schenkbelasting niet overgelegd, terwijl door [gedaagde] en de Stichting is betwist dat deze bestaat. Het is daarom onduidelijk welke aanslag [eiser] bedoelt en of deze daadwerkelijk in de nalatenschap van vader of moeder valt.

2.13.

De conclusie is dat alle vorderingen van [eiser] worden afgewezen. De rechtbank realiseert zich dat het geschil tussen partijen hiermee nog niet is beëindigd, omdat partijen het op diverse punten nog niet met elkaar eens zijn. De rechtbank kan echter niet buiten het geschil treden en [gedaagde] en de Stichting hebben geen reconventionele vordering ingediend. Ten overvloede en mogelijk ter bevordering van de beëindiging van het geschil tussen partijen merkt de rechtbank wel het volgende op.

Ten overvloede – saldo rekening Centraal Beheer

2.14.

Partijen verschillen van mening over de vraag of het saldo op de bankrekening van Centraal Beheer voor 4/9 deel aan [eiser] toekomt. Partijen zijn het er over eens dat de rekening bij Centraal Beheer op naam stond van moeder en [eiser] , maar dat de tenaamstelling niets zegt over de rechtsverhouding tussen de rekeninghouders. Beoordeeld moet daarom worden wat de herkomst is van het bedrag van in oorsprong € 90.000,-. [gedaagde] en de Stichting hebben met de door hen bij akte overgelegde bankafschriften en aangiftes inkomstenbelasting voldoende de herkomst van het bedrag onderbouwd, namelijk dat dit afkomstig is van moeder en vader. [eiser] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat € 40.000,- van dit bedrag van hem is. Nergens blijkt uit dat dit bedrag een schenking is van zijn ouders en dat dit bedrag samen met € 50.000,- van zijn ouders op de rekening bij Centraal Beheer is gezet. [eiser] heeft de aangiftes inkomstenbelasting die door [gedaagde] en de Stichting zijn overgelegd betwist, want hij heeft verklaard destijds zelf de aangiftes te hebben verzorgd vanuit zijn belastingadvieskantoor. Als dit het geval is, dan had het op de weg van [eiser] gelegen om zijn betwisting te onderbouwen met de volgens hem ‘echte’ aangiftes. Dit heeft [eiser] echter niet gedaan, zodat van de aangiftes die door [gedaagde] en de Stichting zijn overgelegd wordt uitgegaan. Hierdoor is de rechtbank ten overvloede van oordeel dat [gedaagde] en de Stichting terecht het gehele saldo op de rekening bij Centraal Beheer hebben opgenomen in de boedelbeschrijving. De door [eiser] bij de notaris afgelegde verklaring over de rekening bij Centraal Beheer doet aan het voorgaande niet af, omdat dit enkel een verklaring van [eiser] is, die met onvoldoende verifieerbare stukken is onderbouwd terwijl [gedaagde] en de Stichting wel verifieerbare stukken hebben overgelegd.

Ten overvloede: bedragen uitgekeerd aan [eiser]

2.15.

Partijen verschillen ook van mening over de vraag of [eiser] op 22 september 2014 € 96.634,90 aan hemzelf heeft uitgekeerd en op 27 november 2014 twee bedragen van € 10.000,- en € 5.000,- aan hemzelf heeft uitgekeerd. De rechtbank merkt hierover ten overvloede op dat het gelet op de door [gedaagde] en de Stichting gegeven toelichting het ervoor moet worden gehouden dat [eiser] deze bedragen aan zichzelf heeft uitgekeerd.

[gedaagde] en de Stichting hebben ter onderbouwing hiervan bankafschriften overgelegd waaruit volgt dat op 27 november 2014 twee bedragen zijn overgemaakt naar de rekening van [eiser] . Daarnaast hebben zij een bankafschrift overgelegd van de overschrijving van € 96.634,90 naar een rekening waarover [eiser] het beheer had. Verder heeft [eiser] erkend dat hij het bedrag van € 96.634,90 van de rekening van Centraal Beheer heeft gehaald, zie daarvoor bijvoorbeeld het proces-verbaal van de politie van 22 september 2015 en ook het proces-verbaal van bevindingen van de politie van 11 september 2015. Het had vervolgens op de weg van [eiser] gelegen om te deugdelijk te onderbouwen dat deze bedragen niet hem ten goede zijn gekomen, maar aan de (nalatenschap) van zijn moeder en/of vader. De enkele betwisting zonder onderbouwing is daartoe onvoldoende. Op dit moment is de rechtbank daarom, ten overvloede oordelend, van oordeel dat de hierboven genoemde bedragen door [gedaagde] en de Stichting terecht in de boedelbeschrijving zijn opgenomen.

Ten overvloede: advocaatkosten en kosten van de Stichting

2.16.

[eiser] heeft ook de in de boedelomschrijving opgenomen advocaatkosten voor het hoger beroep en de kosten van de Stichting betwist. Het komt de rechtbank voor dat dit schulden zijn van de nalatenschap van vader. De Stichting is immers als executeur in de nalatenschap van vader en als vertegenwoordiger van [gedaagde] in rechte betrokken geweest bij de hoger beroepsprocedure over het executeurschap van [eiser] . Het waren derhalve noodzakelijke kosten voor juridische bijstand. Daarnaast is in het testament van vader opgenomen dat de kosten voor de executeur voor de erfgenamen komen, zodat de Stichting ook terecht haar kosten in de boedelbeschrijving heeft opgenomen. De hoogte van deze kosten staat nu niet ter discussie.

2.17.

Tenslotte heeft [eiser] in zijn laatste akte aangegeven dat er voor hem aanleiding bestaat om het testament van vader nietig te laten verklaren. [eiser] heeft zijn eis echter niet gewijzigd, zodat de rechtbank over de nietigheid van het testament niet kan beslissen.

2.18.

Wat resteert, is de vraag wie de proceskosten moet betalen. Gelet op de aard van deze procedure worden de proceskosten tussen partijen gecompenseerd in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af;

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedereen zijn eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2020.

3120