Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5594

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
8167041
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

rechtsgeldige cessie, BIK afgewezen: ontvangst veertiendagenbrief staat niet vast, geen misbruik van procesrecht, hogere kostenveroordeling door wijze procederen eiseres

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8167041 \ CV EXPL 19-49543

uitspraak: 26 juni 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Famed B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

eiseres,

gemachtigde: Bosveld Incasso en gerechtsdeurwaarders te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. N. Nentjes te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als Famed en [gedaagde] .

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding met producties van 28 oktober 2019;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de conclusie van repliek met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek met producties.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[gedaagde] heeft op 3 januari 2019 een medische behandeling ondergaan bij de tandartspraktijk [naam tandartspraktijk] . De kosten van deze behandeling bedroegen € 47,48.

2.2.

De zorgverzekeraar van [gedaagde] heeft een bedrag van € 41,06 vergoed. Famed heeft [gedaagde] een nota gestuurd voor het resterende bedrag van € 6,42.

2.3.

Op 21 maart 2019 heeft [gedaagde] een bedrag van € 6,42 overgeschreven naar de bankrekening van Famed.

3. Het geschil

3.1.

Famed heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen om aan Famed te betalen een bedrag van € 40,-, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 6,42 vanaf 15 oktober 2019 tot de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2.

Aan haar vordering heeft Famed ten grondslag gelegd dat [gedaagde] een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten ter hoogte van een bedrag van € 40,- verschuldigd is geworden. De betaling van [gedaagde] is in mindering gebracht op de buitengerechtelijke kosten. Famed maakt daarom aanspraak op de hoofdsom van € 6,42 en € 33,58 aan (resterende) buitengerechtelijke incassokosten.

3.3.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe (zakelijk weergegeven en voor zover van belang) het volgende aangevoerd. [gedaagde] voert aan dat Famed in strijd met de substantiëringsplicht ten onrechte in de dagvaarding heeft gemeld dat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd, waarom Famed niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Voorts betwist [gedaagde] dat sprake is van rechtsgeldige cessie. Daarnaast voert zij aan dat de brieven van Famed zijn bezorgd op huisnummer 43b in plaats van nummer 43, waardoor zij de aanmaning pas op 21 maart 2019 van haar buren heeft ontvangen. Zij heeft daarop direct betaald, zodat zij geen buitengerechtelijke kosten verschuldigd is geworden. [gedaagde] verzoekt de kantonrechter om Famed te veroordelen in de daadwerkelijke kosten van de procedure, begroot op € 1.317,69.

3.4.

Op hetgeen partijen verder hebben aangevoerd zal de kantonrechter, voor zover van belang, hierna ingaan.

4. De beoordeling

niet-ontvankelijkheid

4.1.

Uit de conclusie van antwoord, die in zoverre niet door Famed is weersproken, blijkt dat [gedaagde] , anders dan Famed bij dagvaarding (in strijd met de in artikel 21 Rv neergelegde waarheidsplicht) heeft gesteld, voorafgaand aan de procedure wel degelijk verweer heeft gevoerd tegen de vordering.

4.2.

Op grond van artikel 111 lid 3 Rv had Famed dit verweer in de dagvaarding moeten vermelden, hetgeen zij heeft verzuimd. De kantonrechter oordeelt echter dat dit niet leidt tot niet-ontvankelijkheid van Famed, zoals aangevoerd door [gedaagde] , aangezien Famed haar stellingen dienaangaande inmiddels heeft aangevuld. Met deze omstandigheid zal echter wel rekening worden gehouden bij de vaststelling van de hoogte van de door Famed te vergoeden proceskosten.

Vorderingsrecht

4.3.

Voorts ligt de vraag voor of Famed een vorderingsrecht heeft op [gedaagde] , nu [gedaagde] stelt dat geen sprake is van een rechtsgeldige cessie.

4.4.

De kantonrechter stelt voorop dat voor de levering van een vordering op naam (zoals hier) op grond van artikel 3:94 BW zijn vereist (1) een daartoe bestemde akte en (2) mededeling daarvan door de vervreemder dan wel de verkrijger aan de schuldenaar.

4.5.

Overwogen wordt dat aan de tweede eis in ieder geval is voldaan doordat Famed in de dagvaarding heeft vermeld dat de vordering van de tandarts aan haar werd overgedragen.

4.6.

Ten aanzien van het eerste vereiste, de akte van cessie, wordt overwogen dat Famed bij haar conclusie van repliek een tussen haar en de tandarts gesloten ‘factoringovereenkomst’ ingaande op 1 februari 2017 en 1 februari 2018 heeft overgelegd en een tussen die partijen per diezelfde data opgemaakte ‘akte van cessie en retrocessie’ en schermafdrukken uit het ‘Defacto Famed Factoring System’ met betrekking tot de onderhavige facturen. Hoewel de (gestelde) vordering van de tandarts pas geruime tijd na het opmaken van de akte van cessie is ontstaan (namelijk in 2019), staat dit enkele gegeven niet aan een rechtsgeldige cessie in de weg. Immers, op grond van artikel 3:97 BW kunnen ook toekomstige goederen, waaronder vorderingen op naam, in beginsel bij voorbaat worden geleverd.

4.7.

Ten aanzien van de inhoud van de akte van cessie geldt naar bestendige jurisprudentie dat niet vereist is dat de vordering in de akte zelf moet zijn geïndividualiseerd maar dat voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat, bijvoorbeeld aan de hand van cessielijsten, al dan niet geïnterpreteerd in het licht van objectieve administratieve gegevens, waarbij de vraag hoe specifiek die gegevens dienen te zijn, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval.

4.8.

In dit geval is in voornoemde factoringovereenkomst (onder punt 1) opgenomen dat de tandarts met ingang van de daarin genoemde datum al haar vorderingen op debiteuren aan Famed zal verkopen en overdragen, waarbij is bepaald dat die vorderingen blijken uit ‘Mijn Famed’ en het ‘Verwerkingsverslag’. In genoemde akte van cessie en retrocessie is, ook onder punt 1, neergelegd dat tussen Famed en de tandarts is overeengekomen dat de laatste ‘alle (toekomstige) vorderingen zoals gedefinieerd in de Factoringsovereenkomst zoals deze onder andere blijken uit de relevante verwerkingsverslagen, betalingsspecificaties en periodieke meldingen’, aan Famed cedeert. Het voorgaande, in combinatie bezien met de hiervoor al genoemde schermafdrukken uit het ‘Defacto Famed Factoring System’, die zien op de onderhavige vordering, leidt de kantonrechter tot het oordeel dat sprake is van een rechtsgeldige cessie. Het verweer van [gedaagde] hieromtrent wordt dan ook verworpen.

verschuldigdheid buitengerechtelijke kosten

4.9.

De kantonrechter komt daarom nu toe aan een inhoudelijke behandeling van de vordering van Famed. Vast staat dat de kosten van de tandartsbehandeling van [gedaagde]

€ 6,42 bedroegen en dat zij inmiddels € 6,42 heeft betaald. Feitelijk komt de beoordeling van de vordering daarom neer op de vraag of [gedaagde] de buitengerechtelijke kosten verschuldigd is geworden.

4.10.

Famed heeft daartoe gesteld dat zij een zogenoemde veertiendagenbrief heeft verzonden aan [gedaagde] en dat deze door haar is ontvangen op 1 maart 2020. [gedaagde] betwist niet dat deze brief is verzonden, maar voert aan dat zij deze pas op 21 maart 2019 heeft ontvangen. [gedaagde] heeft haar verweer onderbouwd door te wijzen op het feit dat haar post regelmatig wordt bezorgd op huisnummer 43b in plaats van huisnummer 43, hetgeen bij de post van Famed ook het geval was.

4.11.

Uit vaste rechtspraak volgt dat indien de schuldenaar de door de schuldeiser gestelde datum van ontvangst van de veertiendagenbrief betwist, de schuldenaar in beginsel feiten en omstandigheden dient te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit volgt op welke dag de schuldenaar de veertiendagenbrief heeft ontvangen (ECLI:NL:HR:2016:2704, r.o. 3.5.2). Famed heeft slechts in het algemeen aangevoerd dat 99,8% van de post op het juiste adres wordt bezorgd en dat het daarom onaannemelijk is dat [gedaagde] haar post laat heeft ontvangen. Famed heeft daartoe ook opname van Google Streetview in het geding gebracht en gesteld dat dat huisnummer 43 betreft. Famed heeft zich daarbij echter ook zelf vergist in het huisnummer, nu de Streetviewafbeelding evenmin het huis van [gedaagde] betreft, maar huisnummer 43a. Het is de kantonrechter op grond van het voorgaande gebleken dat de huisnummers van de woning van [gedaagde] en de daaromheenliggende woningen op zijn minst verwarrend zijn. Bovendien heeft [gedaagde] zich van meet af aan op het standpunt gesteld dat de brieven van Famed bij haar buren waren bezorgd. Tegen deze achtergrond had Famed nadere feiten en omstandigheden dienen te stellen waaruit volgt dat de veertiendagenbrief eerder door [gedaagde] (op het juiste adres) is ontvangen. De kantonrechter oordeelt daarom dat niet is komen vast te staan dat de veertiendagenbrief op 1 maart 2019 door [gedaagde] is ontvangen. Daarom komt ook niet vast te staan dat [gedaagde] niet binnen de termijn van 14 dagen heeft betaald en komt als onvoldoende onderbouwd evast te staan dat [gedaagde] de buitengerechtelijke kosten verschuldigd is geworden.

4.12.

Het voorgaande betekent dat [gedaagde] door haar betaling van € 6,42 de hoofdsom reeds voldaan heeft. De vordering van Famed zal dan ook worden afgewezen.

proceskosten

4.13.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt Famed veroordeeld in de kosten van deze procedure. [gedaagde] heeft verzocht Famed te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten omdat zij misbruik heeft gemaakt van het procesrecht. Zij heeft daartoe de volgende omstandigheden aangevoerd:

  • -

    de geringe hoofdsom, die reeds voldaan is;

  • -

    het handelen in strijd met de waarheids- en de substantiëringsplicht;

  • -

    het verstrekken van onjuiste informatie aan de behandelaar van [gedaagde] ;

  • -

    het inschakelen van verschillende incassogemachtigden.

4.14.

Van misbruik van procesrecht is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (ECLI:NL:HR:2012:BV7828, r.o. 5.1.).

4.15.

De geringe hoofdsom op zichzelf leidt niet tot misbruik van procesrecht. Temeer omdat [gedaagde] haar verweer dat zij de veertiendagenbrief later heeft ontvangen pas in deze procedure deugdelijk heeft onderbouwd. Aan de derde en vierde omstandigheid gaat de kantonrechter voorbij, nu deze niet vast staan en niet direct verband houden met de onderhavige vordering. Daarom resteert de omstandigheid dat Famed heeft gehandeld in strijd met de waarheids- en substantiëringsplicht. Deze omstandigheid is echter onvoldoende om te kunnen spreken van misbruik van procesrecht, aangezien niet kan worden gezegd dat Famed had moeten begrijpen dat haar vordering op grond van dit handelen geen kans van slagen had. Het verzoek tot reële proceskostenveroordeling zal dan ook worden afgeweken.

4.16.

Wel is de kantonrechter het met [gedaagde] eens dat de wijze waarop Famed heeft geprocedeerd heeft geleid tot onnodige kosten aan de zijde van [gedaagde] . Doordat Famed haar vordering(srecht) zeer summier heeft onderbouwd en heeft nagelaten het verweer van [gedaagde] te verwoorden, heeft zij [gedaagde] gedwongen om ten aanzien van deze punten uitgebreid verweer te voeren. In die omstandigheid ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten vast te stellen op € 600,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten à € 300,-).

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering van Famed af;

veroordeelt Famed in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 600,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

33394