Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5589

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
8367822 VV EXPL 20-91
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, huur bedrijfsruimte, huurachterstand, coronacrisis, eerdere betalingsproblemen, ontruiming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8367822 VV EXPL 20-91

uitspraak: 18 juni 2020

vonnis in kort geding van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsadres eiseres] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. Th.C. Visser,

tegen

[gedaagde] ,

t.h.o.d.n. [handelsnaam 1] / [handelsnaam 2] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

vertegenwoordigd door [naam persoon] .

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 27 mei 2020, met producties;

  2. de pleitnota van de gemachtigde van [eiseres] .

De mondeling behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020, overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid via een beeld- en geluidverbinding met het programma Skype voor bedrijven. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter zitting naar voren hebben gebracht.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.1

[gedaagde] heeft met de rechtsvoorganger van [eiseres] twee huurovereenkomsten gesloten ten behoeve van de bedrijfsruimten aan de [adres 1] en [adres 2] Rotterdam. [eiseres] heeft de bedrijfsruimten per 1 april 2019 overgenomen.

2.2

Op grond van de tussen partijen bestaande huurovereenkomsten is [gedaagde] maandelijks bij vooruitbetaling een bedrag van € 2.871,90 en van € 2.923,53 aan huur verschuldigd.

2.3

In de op de huurovereenkomsten van toepassing zijnde Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte (hierna: Algemene Bepalingen) staat de volgende bepaling:

“14.2 Telkens indien een uit hoofde van de huurovereenkomst door huurder verschuldigd bedrag niet prompt op de vervaldag is voldaan, verbeurt huurder aan verhuurder van rechtswege vanaf de vervaldag een direct opeisbare boete van 2% per maand van het verschuldigde met een minimum van f 250,-- per kalendermaand, waarbij elke ingetreden maand als een volle maand geldt.”

2.4

[eiseres] heeft op 24 april 2020 en 6 mei 2020 conservatoir beslag gelegd op de woning van [gedaagde] .

3. De vordering

3.1

[eiseres] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening, [gedaagde] wordt veroordeeld:

  1. om binnen vijf dagen na het vonnis het gehuurde te doen ontruimen en leeg en ontruimd aan [eiseres] op te leveren door afgifte van de sleutels, op verbeurte van een dwangsom van € 200,- per dag dat [gedaagde] daar niet aan voldoet;

  2. om binnen vijf dagen na het vonnis aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 11.590,86 aan huur over april en mei 2020, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding;

  3. om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.795,43 per maand, zijnde de maandelijks door [gedaagde] aan [eiseres] verschuldigde huurverplichting c.q. gebruiksvergoeding vanaf 1 juni 2020, tot aan het tijdstip waarop het gehuurde door [gedaagde] is ontruimd;

  4. om binnen vijf dagen na het vonnis aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.000,- aan contractuele boete;

  5. om binnen vijf dagen na het vonnis aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 890,91 aan vergoeding voor de gemaakte incassokosten;

  6. in de kosten van deze procedure, waaronder de kosten voor het leggen van conservatoir beslag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het vonnis, alsmede de nakosten.

3.2

[eiseres] legt de betalingsverplichtingen uit de tussen partijen gesloten overeenkomsten aan haar vordering tot betaling ten grondslag. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichtingen en exploitatieverplichting. Daarnaast heeft [gedaagde] zich niet als goed huurder gedragen door het (structureel) niet voldoen van de huur en in dat verband (in rechte) onwaarheden verkondigen over een gemaakte betaalafspraak. Deze tekortkomingen rechtvaardigen ontbinding van de huurovereenkomsten en ontruiming van het gehuurde. [eiseres] lijdt door de tekortkomingen schade, waardoor zij een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft.

4. Het verweer

[gedaagde] voert verweer. Daarop zal hierna – voor zover van belang – worden ingegaan.

5. De beoordeling

5.1

Bij een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening als de onderhavige dient te worden beoordeeld of [eiseres] een zodanig spoedeisend belang heeft dat van haar niet mag worden verwacht dat zij de uitkomst een bodemprocedure afwacht. Bij die beoordeling dienen in ieder geval te worden betrokken hoe aannemelijk het is dat de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure toegewezen zal worden, het belang van [eiseres] bij het treffen van de voorziening en de gevolgen voor [gedaagde] bij het ten onrechte treffen van een voorziening. In dit vonnis geeft de rechter een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. Wanneer partijen een bodemprocedure starten dan is de rechter in die procedure niet aan dit oordeel gebonden.

5.2

Niet in geschil is dat [gedaagde] op grond van de huurovereenkomsten maandelijks huur verschuldigd is en dat in de betaling daarvan een achterstand van thans € 17.386,29 is ontstaan. De achterstand is berekend tot en met juni 2020.

5.3

Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt dat een tekortkoming van een partij aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gelet op alle omstandigheden van het geval, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (zie HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810).

5.4

[gedaagde] heeft voor beide bedrijfsruimten een huurachterstand van drie maanden laten ontstaan. De gemachtigde van [gedaagde] heeft aangevoerd dat de achterstand verband houdt met de coronacrisis en de recente hartaanval van [gedaagde] . [gedaagde] ligt nog in een ziekenhuis in India en zal niet in staat zijn om binnenkort weer de bedrijfsvoering op zich te nemen. Zijn gezin wil proberen de bedrijfsvoering in één van de panden binnenkort weer op te starten. Zij willen de huurovereenkomst van het andere pand ontbinden.

5.5

De voorzieningenrechter constateert dat [gedaagde] niet betwist dat hij in februari 2020 en maart 2020 ook niet in de staat was de huur tijdig te betalen en dat er ook eind 2018 / begin 2019 sprake was van een forse huurachterstand. Gelet op deze eerdere betalingsproblemen kan niet gezegd worden dat de achterstand een incident betreft als gevolg van de huidige situatie. De gemachtigde heeft verder ter zitting namens [gedaagde] aangegeven dat het voor hem lastig was steeds de huur voor beide bedrijfspanden te voldoen. Het feit dat de bedrijfsvoering als gevolg van de gezondheidstoestand van [gedaagde] niet op korte termijn op de zelfde wijze als voorheen voortgezet kan worden, maakt het zeer aannemelijk dat [gedaagde] de huur in de komende maanden niet zal kunnen voldoen en ook niet in staat zal zijn de achterstand in te lopen. Het is daarom aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is. Gelet op de voortdurende betalingsproblemen kan niet van [eiseres] worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De ontruiming van de bedrijfsruimten zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn op veertien dagen wordt gesteld. De daarmee samenhangende huurachterstand van € 17.386,29 en de nog te vervallen huurtermijnen tot aan de dag van ontruiming zullen eveneens worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen tot een maximum van € 3.000,-.

5.6

De gevorderde rente zal worden toegewezen, omdat daartegen geen verweer is gevoerd.

5.7

[eiseres] stelt voorts dat zij op grond van artikel 14.2 van de Algemene Bepalingen aanspraak maakt op een contractuele boete van € 1.000,-. [eiseres] heeft niet inzichtelijk gemaakt over welke maanden en op welke manier zij de boete heeft berekend. Het is dan ook niet aannemelijk dat de bodemrechter dit bedrag zal toewijzen. De boete zal alleen worden toegewezen over de in deze procedure gevorderde maandtermijnen van april 2020 en mei 2020. De maand juni 2020 was op het moment van dagvaarding nog niet vervallen, zodat deze maand niet in de gevorderde boete kan zijn opgenomen. Dat betekent dat een bedrag van € 500,- aan boete zal worden toegewezen.

5.8

[eiseres] maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten. Voldoende gebleken is dat voldaan is aan de daarvoor gestelde vereisten, zodat het gevorderde bedrag van € 890,91 zal worden toegewezen.

5.9

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De gevorderde beslagkosten zullen op grond van artikel 706 Rv worden toegewezen. Op basis van de overgelegde stukken worden de kosten begroot op € 1.312,- aan griffierecht, € 87,99 aan dagvaardingskosten, € 535,52 aan explootkosten en € 1.296,- aan salaris voor de gemachtigde. Aangezien voor de beslagzaken al griffierecht in rekening is gebracht, is voor dit kort geding geen griffierecht meer verschuldigd. Bij de proceskostenveroordeling zal [gedaagde] dus niet worden veroordeeld in het griffierecht in kort geding.

6. De beslissing

De kantonrechter:

treft de volgende voorlopige voorzieningen:

veroordeelt [gedaagde] om het gehuurde binnen veertien dagen na heden te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege hem daar bevinden, onder overgave van sleutels, ter beschikking van [eiseres] te stellen, op straffe van een dwangsom van € 200,- per dag indien [gedaagde] daar niet aan voldoet, met een maximum van € 3.000,-;

veroordeelt [gedaagde] aan [eiseres] te betalen € 5.795,43 per maand, met ingang van de maand juli 2020 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt;

veroordeelt [gedaagde] binnen vijf dagen na heden aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 18.777,20, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 11.590,86 vanaf 27 mei 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die van het beslag daaronder begrepen, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 1.312,- aan griffierecht, € 87,99 aan dagvaardingskosten, € 535,52 aan explootkosten en € 1.296,- aan salaris voor de gemachtigde, voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

en indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 120,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

33945