Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5587

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
10/996624-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

wettig en overtuigend bewijs dat het aangetroffen contante geld- bijna 600.000 euro- afkomstig is van een misdrijf gelet op de verklaring van de vriendin van verdachte dat het ging om ‘ vuil’ geld en ontbreken deugdelijke verklaring van verdachte zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/996624-15

Datum uitspraak: 25 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadslieden mr. A.A. Dooijeweerd en mr. M.P.T. Peters, advocaten te Zutphen.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 9 en 11 juni 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. N. Klip heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Aan de verdachte is – kort samengevat – onder 1 primair ten laste gelegd het samen met [naam medeverdachte] (hierna: [naam medeverdachte] ), die werkte als douanier bij de Douane te Rotterdam, medeplegen van passieve ambtelijke corruptie door een bedrag van € 670.000 aan te nemen, terwijl verdachte wist dat dit geld bedoeld was om [naam medeverdachte] in zijn werk iets te laten doen of na te laten. Subsidiair is de medeplichtigheid aan passieve ambtelijke omkoping ten laste gelegd. Onder 2 van de tenlastelegging wordt de verdachte verweten het samen met anderen bij gewoonte witwassen van het bedrag € 670.000,-.

4.2.

Vrijspraak feit 1 (medeplegen passieve ambtelijke omkoping)

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat [naam medeverdachte] veroordeeld is voor corruptie als douaneambtenaar op de afdeling pre-arrival en dat hij daarbij geld heeft aangenomen om smokkelwaar door te laten. Bij de doorzoeking op 14 oktober 2015 in de woning van de verdachte is een geldbedrag van € 595.860,- aangetroffen. Uit de OVC-gesprekken en telefoontaps in het dossier blijkt volgens de officier van justitie dat dit bedrag het restant is van een bedrag van € 670.000,- dat voor [naam medeverdachte] bestemd was. Zo wordt in een OVC-gesprek tussen de verdachte en [naam medeverdachte] op 4 juli 2015 gesproken over het ophalen van € 670.000,-. Verder wordt in tapgesprekken tussen de verdachte en zijn toenmalige vriendin [naam getuige 4] (hierna: [naam getuige 4] ) gesproken over ‘andere centjes’ en ‘hij is die jongen natuurlijk dat wij het zo makkelijk hebben’. Volgens de officier van justitie gaat het daarbij over [naam medeverdachte] . Door het bedrag van € 670.000,- van criminelen aan te nemen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan passieve corruptie tezamen en in vereniging gepleegd met [naam medeverdachte] , aldus de officier van justitie.

4.2.2.

Beoordeling

Vast staat dat in de (voormalige) woning van de verdachte aan de [adres] , op 14 oktober 2015, achter een schot op zolder, twee boodschappentassen zijn aangetroffen met daarin een bedrag van € 595.860 aan contant geld. Op basis van het dossier kan evenwel niet worden vastgesteld dat dit geld afkomstig is uit, dan wel anderszins verband houdt met, de omkoping van [naam medeverdachte] als douanier. Anders dan de officier heeft betoogd, kan dat verband niet worden afgeleid uit het OVC-gesprek van 4 juli 2015 tussen [naam medeverdachte] en de verdachte. In dat gesprek vraagt de verdachte weliswaar (onder meer) aan [naam medeverdachte] of hij hem al had verteld dat hij een aantal weken daarvoor € 670.000,- had opgehaald (waarop [naam medeverdachte] reageert met: “Nee, maar dat … hij had doorgegeven dat ie dat …”), maar daaruit volgt niet zonder meer dat het gaat over hetzelfde geld dat, ruim drie maanden later, in de woning van de verdachte is aangetroffen, noch dat dat geld bestemd was voor [naam medeverdachte] . Ook uit de tapgesprekken tussen de verdachte en [naam getuige 4] , al dan niet in onderlinge samenhang bezien met het OVC-gesprek van 4 juli 2015 en de verklaringen van getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] , kan die conclusie niet volgen.

Dat de verdachte enige rol heeft gehad (als medepleger dan wel medeplichtige) bij de door [naam medeverdachte] gepleegde ambtelijke corruptie en dat die rol zou hebben bestaan uit het bewaren (voor [naam medeverdachte] ) van de opbrengsten, is dus niet gebleken.

De rechtbank komt tot de conclusie dat op basis van de bewijsmiddelen in het dossier, in onderling verband en samenhang bezien, niet is komen vast te staan dat het bij de verdachte aangetroffen geld op enige wijze verband houdt met omkoping van [naam medeverdachte] als douanier. Evenmin is gebleken dat de verdachte op andere wijze bij omkoping van [naam medeverdachte] betrokken is geweest.

4.2.3

Conclusie

Het onder 1 primair en subsidiar ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.3.

Bewijswaardering feit 2 (witwassen € 670.000,-)

4.3.1

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het tenlastegelegde (gewoonte)witwassen. Volgens de raadsman heeft de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onaannemelijke verklaring gegeven over de herkomst van het in zijn woning aangetroffen geld. De verdachte heeft verklaard dat hij het geld in bewaring heeft genomen van een onbekend gebleven man, die hij heeft ontmoet op een parkeerterrein op een bloemenveiling. De verklaring van de verdachte vindt steun in de verklaringen van de getuigen [naam getuige 1] , [naam getuige 4] en [naam getuige 3] . Er blijkt niet van (betrokkenheid bij) een concreet misdrijf of dat de verdachte wist dat het geld dat hij bewaarde van misdrijf afkomstig was. De verdediging heeft voorts betoogd dat het bewijs ontbreekt voor het tenlastegelegde bedrag van € 670.000,- nu enige relatie tussen het OVC-gesprek van 4 juli 2015 en het in de woning van de verdachte aangetroffen bedrag ontbreekt.

4.3.2

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis, eerste lid, onder a Sr opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf", niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf", kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

De rechtbank leidt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden af.

Op 14 oktober 2015 is in de woning van verdachte een groot geldbedrag aangetroffen achter een schot op de zolderverdieping. Het geld was verdeeld over twee ‘big shoppers’ van COOP en Primera. Het betrof een bedrag van € 595.860,- euro.

De verdachte heeft verklaard dat hij de tassen met geld in januari of februari 2015 heeft gekregen van een voor hem onbekende man op de parkeerplaats van de bloemenveiling en dat deze man hem gevraagd had om de beide tassen voor hem te bewaren. De verdachte wist dat er een aanzienlijk geldbedrag in de tassen zat. Hij heeft beide tassen meegenomen en verstopt in zijn woning aan de [adres] .

Bij de politieverhoren en ter terechtziting heeft de verdachte ervoor gekozen om geen verdere vragen over de herkomst van het geld te beantwoorden. Ter zitting heeft hij uitsluitend nog toegevoegd ‘zijn verantwoordelijkheid te zullen nemen’.

De getuige [naam getuige 4] – met wie de verdachte in 2015 een korte relatie had – heeft verklaard dat de verdachte grote sommen geld in bewaring had voor iemand en dat het om ‘vuil geld’ zou gaan.

De rechtbank is van oordeel dat de omvang van het aangetroffen contante geldbedrag en het feit dat het geld zich achter een schot op de zolder bevond zonder meer het vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het geld door misdaad is verkregen en dat de verdachte dat ook wist. Een en ander vindt steun in de verklaring van de getuige [naam getuige 4] . In die situatie mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onaannemelijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld.

De verdachte heeft niet verklaard wie de man was van wie hij het geld op de parkeerplaats bij de bloemenveiling zou hebben gekregen. Evenmin heeft hij verklaard waarom hij dit geld in bewaring heeft gekregen. Op verdere vragen hierover van de rechtbank heeft de verdachte geen openheid van zaken gegeven maar heeft hij zich op zijn zwijgrecht beroepen. Anders dan de raadsman heeft betoogd, geeft de verdachte hiermee dus geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onaannemelijke verklaring over de herkomst van het in zijn woning aangetroffen geld.

Het aldus door de verdachte geboden tegenwicht tegen de verdenking van witwassen geeft onvoldoende aanknopingspunten tot een nader onderzoek door het openbaar ministerie. Er is daarom geen andere conclusie mogelijk dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

4.3.3

Conclusie

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode een bedrag van € 595.860,- voorhanden heeft gehad en daarvan de werkelijke aard en/of herkomst heeft verborgen terwijl hij wist dat dit bedrag afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank ziet in het dossier geen ondersteuning voor het verwijt dat hij daarvan een gewoonte zou hebben gemaakt, zodat de rechtbank de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging partieel zal vrijspreken. Ook is niet gebleken dat de verdachte het geld samen met een of meer anderen heeft witgewassen, zodat hij ook van het medeplegen zal worden vrijgesproken.

4.4

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

2. primair

hij in of omstreeks de periode 1 januari 2015 tot

en met 14 oktober 2015 te Dieren,

van voorwerpen, te weten een contant

geldbedrag tot een totaal van 595.860 euro,

(a.)de werkelijke aard en/of de herkomst heeft verborgen

en/of heeft verhuld, dan wel verborgen heeft gehouden en/of heeft verhuld wie

de rechthebbende op dit geldbedrag is en/of dit

geldbedrag voorhanden heeft gehad en

(b.)dit geldbedrag

voorhanden heeft gehad ,

terwijl hij wist dat dit geldbedrag geheel en/of gedeeltelijk - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

2. primair

witwassen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen door het verhullen en het verborgen houden van de herkomst van een groot geldbedrag (€ 595.860,-), waarvan hij wist dat het afkomstig was uit een misdrijf. De verdachte heeft met het witwassen een inbreuk gemaakt op de integriteit van het financiële en economische verkeer. Het witwassen van crimineel geld faciliteert de onderliggende criminaliteit en levert een aantasting op van de legale economie. Op deze manier worden ook inkomsten en vermogen onttrokken aan het zicht van de Belastingdienst.

7.3

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 mei 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank in beginsel acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf achterwege te laten. De verdediging heeft hierbij onder meer gewezen op de door verdachte inmiddels opgebouwde eigen bloemenzaak alsmede op de band tussen verdachte en zijn kinderen, die door een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in gevaar zouden komen. De rechtbank ziet hiervoor gelet op de ernst van het feit, alsmede gelet op de proceshouding van de verdachte geen aanleiding.

De verdediging heeft overeenkomstig de overgelegde pleitnotities betoogd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.

Bij de berechting van een zaak, waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat een verdachte in redelijkheid de verwachting kan hebben dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van een verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. De verdachte is in de onderhavige zaak op 14 oktober 2015 in verzekering gesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden.

De rechtbank overweegt in dat licht ambtshalve (op grond van de gevoerde correspondentie in het dossier) dat de onderhavige zaak oorspronkelijk in februari 2019 inhoudelijk behandeld zou worden, maar dat dit door miscommunicatie aan de zijde van het openbaar ministerie geen doorgang heeft kunnen vinden.

Tussen 14 oktober 2015 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van ruim vier jaar en acht maanden. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar, is er in de onderhavige zaak sprake van een ernstige overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, te weten een overschrijding van twee jaren en acht maanden. Deze overschrijding is niet toe te rekenen aan de verdachte, zodat dit gecompenseerd dient te worden door vermindering van de op te leggen straf.

In het geval de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank een gevangenisstraf hebben opgelegd voor de duur van 18 maanden. Gelet echter op het voorgaande zal de rechtbank de verdachte een gevangenisstraf opleggen van 8 maanden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 (primair en subsidiair) ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. V.M. de Winkel, voorzitter,

mr. M. Smit en mr. W.M. Stolk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.Y. de Lange, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1. primair

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 januari 2015 tot en met 14 oktober 2015 te Rotterdam en/of Dieren en/of

(elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), waaronder [naam medeverdachte] in zijn

hoedanigheid als ambtenaar, te weten in de functie van selecteur op de

afdeling Pre-Arrival van de Douane Rotterdam, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) (om) (een) gift(en) of belofte(n) dan wel (een) dienst(en),

te weten

-(een gift van) circa EUR 670.000,-, althans enig(e) geldbedrag(en),

heeft aangenomen terwijl hij, verdachte, (telkens) wist of redelijkerwijs

vermoedde dat deze/die gift(en) aan die ambtenaar werd(en) gedaan teneinde hem

te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te laten (sub 1) en/of

(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) aan die

ambtenaar werd(en) gedaan tengevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem

in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan of nagelaten (sub 2)

art 363 lid 1 ahf/sub 1º Wetboek van Strafrecht

subsidiair

[naam medeverdachte] op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 januari 2015 tot en met 14 oktober 2015 te Rotterdam en/of Dieren en/of

(elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans

alleen, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) als ambtenaar te weten in de functie van selecteur op de afdeling

Pre-Arrival van de Douane Rotterdam,

(telkens) (om) (een) gift(en) of belofte(n) dan wel (een) dienst(en),

te weten

-(een gift van) circa EUR 670.000,-, althans enig(e) geldbedrag(en), en/of

-(de belofte van) betaling(en) van (een) (gro(o)t(e)) geldbedrag(en), althans

één of meer geldbedrag(en),

althans enige gift en/of dienst en/of belofte, verleend en/of aangeboden en/of

gedaan door één of meer onbekend gebleven perso(o)n(en)

I.heeft aangenomen terwijl die [naam medeverdachte] en/of zijn mededader(s),

(telkens) wist(en) of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of

belofte(n) en/of dienst(en) hem werd(en) gedaan teneinde hem te bewegen om in

zijn bediening iets te doen of na te laten (sub 1) en/of

(telkens) wist of redelijkerwijs vermoedde dat deze/die gift(en) en/of

belofte(n) en/of dienst(en) hem werd(en) gedaan ten gevolge of naar aanleiding

van hetgeen door hem in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan of

nagelaten (sub 2)

en/of

II. heeft gevraagd

(telkens) teneinde hem, te bewegen om in zijn bediening iets te doen of na te

laten (sub 3) en/of (telkens) ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door

hem, verdachte, in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan of

nagelaten (sub 4)

te weten het (telkens)

-inloggen in de douanesystemen, waaronder Prisma (DPM) en/of Douane Manifest

(DMF) en/of Plato om te bekijken wanneer de selectieopdracht voor een

container(s) met daarin cocaïne, hennep, MDMA, XTC-pillen en/of , verdovende

middelen en/of andere contrabande, zichtbaar werd(en) en/of als selecteur in

behandeling nemen van deze selectieopdracht(en), en/of

-opzoeken van informatie met betrekking tot (de controle en/of de markering

van) (een) container(s) met daarin cocaïne, hennep, MDMA, XTC-pillen,

verdovende middelen en/of andere contrabande, en/of

-het "screenen" van de verzendende en ontvangende bedrijven op het

binnenbrengen van branchevreemde goederen, dan wel of deze bedrijven voldoen

aan een risicoprofiel ("gevlagd") of anderszins bekend zijn in de

douanesystemen, en/of

-zodanig markeren van een container(s) met daarin cocaïne, hennep, MDMA,

verdovende middelen en/of andere contrabande, dat deze container(s) zonder

controle doorgezet wordt/worden ("wegklikken") (met daarbij ten onrechte de opmerking dat deze container(s) niet via track & trace van de rederij te vinden

is/zijn), en/of

-buiten de controle houden van (een) binnenkomende container (s) met daarin

cocaïne, hennep, MDMA, XTC-pillen, verdovende middelen en/of andere

contrabande, en/of

-de systemen van de Douane Rotterdam raadplegen met een ander doel dan

waarvoor deze bestemd zijn en/of (vervolgens) aan derde(n) inzicht geven in en

informatie verstrekken over de werkwijze van de Douane Rotterdam met

betrekking tot de controle van (een) container(s) terwijl dat inzicht en die

informatie daarvoor niet zijn bedoeld, te weten

-het versturen van een lading met twee containers waarbij de container die

cocaïne, hennep, MDMA, XTC-pillen, verdovende middelen en/of andere

contrabande bevat wordt "weggeklikt" uit de douanesystemen, en/of

-het "screenen" van de verzendende en ontvangende bedrijven op het

binnenbrengen van branchevreemde goederen, dan wel of deze bedrijven voldoen

aan een risicoprofiel ("gevlagd") in het onderdeel Profielopdracht

organisaties (POA) van het computersysteem Risico Data Base (RDB) of

anderszins bekend zijn in de douanesystemen, en/of

-het prijsgeven van controle strategieën en/of andere vertrouwelijke

informatie van de douane;

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op een of meerdere

tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 14

oktober 2015 te Dieren, gemeente Rhenen en/of (elders) in Nederland, meermalen, althans eenmaal,

(telkens) opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft

verschaft, en/of

(telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest door meermalen, althans eenmaal

contante geldbedragen tot een totaal van (circa) 670.000,- euro en/of

595.860,- euro,

althans enig(e) geldbedrag(en) op te halen en/of in zijn, verdachtes, woning

te bewaren en/of verbergen ten behoeve van die [naam medeverdachte] en/of diens

mededader(s);

art 363 lid 1 ahf/sub 2º Wetboek van Strafrecht

2. primair

hij (telkens) (op tijdstippen) in of omstreeks de periode 1 januari 2015 tot

en met 14 oktober 2015

te Dieren, gemeente Rheden, en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

van een of meerdere voorwerpen, te weten een of meerdere (contante)

geldbedragen tot een totaal van 670.000 euro,

althans (telkens) van een of meerdere geldbedrag(en),

(a.)de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen

en/of heeft verhuld, dan wel verborgen heeft gehouden en/of heeft verhuld wie

de rechthebbende op dit/deze geldbedrag(en) en/of voorwerp(en) is en/of dit/deze

geldbedrag(en) en/of voorwerp (en) voorhanden heeft gehad en/of

(b.)dit/deze voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) heeft verworven en/of

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of

gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist/en dat dit/ deze voorwerp(en) en/of

geldbedrag(en) geheel

en/of gedeeltelijk - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig was/waren uit

enig misdrijf

en/of zulks terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) van het plegen van

dit/die misdrijf/misdrijven een gewoonte heeft/hebben gemaakt

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

subsidiair

hij (op tijdstippen) in of omstreeks de periode 1 juni 2015 tot en met

14 oktober 2015 te Dieren, gemeente Rheden, en/of elders in Nederland

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

van een of meerdere (contante) geldbedrag(en) tot een totaal van 670.000 euro,

althans (telkens) van een of meerdere geldbedrag(en)

(a.) de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats heeft verborgen

en/of heeft verhuld, dan wel verborgen heeft gehouden en/of verhuld wie de

rechthebbende op dit/deze voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) is en/of dit/deze

voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) voorhanden heeft gehad en/of

(b.) dit/deze voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) heeft verworven en/of

voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of

gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) redelijkerwijs had/hadden moeten

vermoeden dat dit/ deze voorwerp(en) en/of geldbedrag(en) geheel en/of

gedeeltelijk - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig was/waren uit enig

misdrijf

art 420 quatr lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht