Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5585

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
26-06-2020
Zaaknummer
8545814 VV EXPL 20-211
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, huur bedrijfsruimte, coronacrisis, gebrek in de zin van artikel 7:204 BW, huurprijsvermindering uitgesloten, beroep op onvoorziene omstandigheden, huurprijsvermindering niet in kort geding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8545814 VV EXPL 20-211

uitspraak: 18 juni 2020

vonnis in kort geding van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. Th.C. Visser,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. F.Y. Yuen.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres 1] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 27 mei 2020, met producties;

  2. de conclusie van eis in reconventie, met producties;

  3. akte vermeerdering van eis in conventie, met producties;

  4. de nadere producties van [gedaagde] ;

  5. de pleitnota van de gemachtigde van [eiseres 1] ;

  6. de pleitnota van de gemachtigde van [gedaagde] .

De mondeling behandeling heeft plaatsgevonden op 4 juni 2020, overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid via een beeld- en geluidverbinding met het programma Skype voor bedrijven. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter zitting naar voren hebben gebracht.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.1

[gedaagde] huurt van [eiseres 1] de bedrijfsruimte aan de [adres] in Rotterdam. Op grond van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst dient [gedaagde] maandelijks bij vooruitbetaling huur te betalen.

2.2

Artikel 11.3 van de op de huurovereenkomst van toepassing zijnde Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte (hierna: Algemene Bepalingen) luidt als volgt:

“Verhuurder is niet aansprakelijk voor schade tengevolge van een gebrek en huurder kan in geval van een gebrek geen aanspraak maken op huurprijsvermindering en verrekening, behoudens de bevoegdheid tot verrekening als bedoeld in artikel 7:206 lid 3 Burgerlijk Wetboek.”

2.3

[gedaagde] exploiteert in het gehuurde een restaurant voor Chinese fondue en een Japanse noodlebar / noodleshop.

3. Het geschil in conventie

3.1

[eiseres 1] vordert in conventie, na vermeerdering van eis, dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening, [gedaagde] wordt veroordeeld:

  1. om binnen vijf dagen na het vonnis aan [eiseres 1] te betalen een bedrag van € 14.691,07 aan huur voor de maanden april en mei 2020, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding;

  2. om binnen vijf dagen na het vonnis aan [eiseres 1] te betalen de (volledige) huur over juni 2020, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding;

  3. om binnen vijf dagen na het vonnis aan [eiseres 1] te betalen een bedrag van € 900,- aan contractuele boete, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de dag van dagvaarding;

  4. in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na het vonnis, alsmede de nakosten.

3.2

[eiseres 1] legt de betalingsverplichtingen uit de tussen partijen gesloten huurovereenkomst aan haar vordering ten grondslag. Het uitblijven van betaling brengt [eiseres 1] in de financiële problemen. Zij heeft dus een spoedeisend belang bij haar vordering.

3.3

[gedaagde] voert verweer. Daarop zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1

[eiseres 2] vordert in reconventie om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening, de huurprijs tijdelijk, voor de tijd van de Corona maatregel, te verlagen met 80 procent per maand, met veroordeling van [verweerster] in de proceskosten.

4.2

[eiseres 2] legt aan haar vordering ten grondslag dat sprake is van een gebrek, waardoor zij aanspraak maakt op huurprijsvermindering. De uitsluiting van het recht op huurprijsvermindering dient op grond van onvoorziene omstandigheden buiten toepassing te worden gelaten. Ongewijzigde instandhouding van de huurovereenkomst kan onder de huidige omstandigheden niet worden verlangd. De verlaging van de huur is voor [eiseres 2] noodzakelijk om het hoofd boven water te houden. Zij heeft daarom een spoedeisend belang bij haar vordering

4.3

[verweerster] voert verweer. Daarop zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

5. De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1

Bij een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening als de onderhavige dient te worden beoordeeld of partijen een zodanig spoedeisend belang hebben dat van hen niet mag worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten. Bij die beoordeling dienen in ieder geval te worden betrokken hoe aannemelijk het is dat de vordering in een bodemprocedure toegewezen zal worden, het belang bij het treffen van de voorziening en de gevolgen bij het ten onrechte treffen van een voorziening. In dit vonnis geeft de kantonrechter een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. Wanneer partijen een bodemprocedure starten dan is de rechter in die procedure niet aan dit oordeel gebonden.

5.2

Niet in geschil is dat [gedaagde] op grond van de huurovereenkomst maandelijks huur verschuldigd is en dat zij vanaf de maand april 2020 de huur niet volledig heeft voldaan. [gedaagde] voert als verweer dat zij het gehuurde als gevolg van de coronacrisis maar zeer beperkt heeft kunnen gebruiken, waardoor haar omzet fors is gedaald.

5.3

De kantonrechter merkt het niet kunnen gebruiken van het gehuurde aan als een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW. Een gebrek kan immers iedere omstandigheid zijn die het huurgenot dat [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten beperkt. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat onvoorziene overheidsmaatregelen die het gebruik van het gehuurde verminderen een gebrek vormen. Een gebrek geeft in beginsel recht op een daaraan evenredige huurprijsvermindering (artikel 7:207 BW). Het recht op huurprijsvermindering is echter in artikel 11.3 van de Algemene Bepalingen uitgesloten. [gedaagde] voert in dat kader aan dat sprake is van onvoorziene omstandigheden.

5.4

Voor een geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW moet sprake zijn van omstandigheden die ten tijde van het aangaan van de overeenkomst in de toekomst liggen en die niet (stilzwijgend) in de overeenkomst zijn verdisconteerd. De onvoorziene omstandigheden moeten van dien aard zijn dat [eiseres 1] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Daarnaast moeten de omstandigheden naar de aard van de overeenkomst of de verkeersopvatting niet voor rekening van [gedaagde] komen.

5.5

Het is aannemelijk dat de bodemrechter de coronacrisis als onvoorziene omstandigheid zal aanmerken. Het is immers moeilijk voorstelbaar dat partijen een dergelijke crisis bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen hebben gehad. Het is niet eerder voorgekomen dat overheidsmaatregelen op nationaal en internationaal niveau het gebruik van vrijwel alle middenstandbedrijfsruimte voor een langere periode juridisch of feitelijk onmogelijk maken, dan wel ernstig belemmeren. In zoverre verschilt de coronacrisis ook van bijvoorbeeld de economische crisis uit 2008, waarnaar [eiseres 1] verwijst.

5.6

Voorts is niet uitgesloten dat de bodemrechter zal oordelen dat ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De coronacrisis heeft grote gevolgen voor [gedaagde] . Zij is door de maatregelen gedwongen haar deuren als restaurant tijdelijk te sluiten. Daardoor is de omzet drastisch gedaald. Daarnaast is sprake van een gebrek, waardoor het risico op grond van de wet voor rekening van [eiseres 1] als verhuurder komt. Partijen zullen zich bij het aangaan van de huurovereenkomst niet bewust zijn geweest van de impact van de uitsluiting van huurprijsvermindering onder de huidige omstandigheden. De economische problemen door een wereldwijde pandemie zijn – anders dan bij een economische crisis – niet inherent aan schommelingen in de markt waarin partijen zich begeven. Deze schommelingen vallen niet binnen het normale ondernemersrisico van [gedaagde] , zodat de gevolgen van de coronacrisis niet (uitsluitend) voor haar rekening behoren te komen.

5.7

Uit het bovenstaande volgt dat de uitkomst van de bodemprocedure onzeker is. Het is niet uitgesloten dat de bodemrechter een beroep op onvoorziene omstandigheden zal honoreren en de overeenkomst zal wijzigen waardoor [gedaagde] een geslaagd beroep op huurprijsvermindering kan doen. Toewijzing van de vordering in kort geding kan grote gevolgen voor [gedaagde] hebben. [eiseres 1] kan dan immers huurtermijnen incasseren die [gedaagde] op dit moment niet kan missen. [eiseres 1] heeft daartegenover onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij een zodanig spoedeisend belang bij toewijzing van haar vordering heeft dat van haar niet kan worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat [eiseres 1] in de financiële problemen dreigt te raken. [eiseres 1] heeft ter zitting zelf aangevoerd dat de helft van haar huurders de huur de afgelopen maanden heeft doorbetaald en dat met de andere helft een regeling is getroffen. Ook [gedaagde] heeft een deel van de huur over de maanden april en mei 2020 betaald. Het is dus niet zo dat de inkomstenstroom van [eiseres 1] volledig is opgedroogd. De vordering in conventie zal dan ook worden afgewezen.

5.8

De vordering in reconventie zal eveneens worden afgewezen. In kort geding kan slechts een ordemaatregel getroffen worden. [eiseres 2] vordert huurprijsvermindering. Bij toewijzing van deze vordering, zou de rechtstoestand tussen partijen gewijzigd worden. Dit is in kort geding niet mogelijk, ook niet voor een tijdelijke periode.

5.9

Omdat partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

wijst de vordering af;

in reconventie

wijst de vordering af;

in conventie en in reconventie

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

33945