Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5576

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-06-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
AWB-20_2702 en AWB-20_2849
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De omstandigheid dat verzoeker het besluit op een tijdig ingediend bezwaar in Nederland mag afwachten betekent niet dat hij daarmee rechtmatig verblijf heeft in de door hem bedoelde zin.

Betrokkene komt uit een veilig land en heeft tot op heden geen bereidheid getoond om actief en resultaatgericht mee te werken aan vrijwillige terugkeer naar zijn land van herkomst. Dit betekent dat hij geen recht heeft om toegelaten te worden tot de beoogde opvang en dat verweerder de opvang en dagelijkse geldelijke tegemoetkoming dus op goede grond heeft beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 20/2702 en ROT 20/2849

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[naam verzoeker] , te [woonplaats verzoeker] , verzoeker,

gemachtigde: mr. S. Karkache,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigden: mr. J.M. Tang en S. Duinhouwer.

Procesverloop

ROT 20/2702

Bij besluit van 4 mei 2020 (bestreden besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker, van 17 januari 2020, om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.

ROT 20/2849

Bij besluit van 29 mei 2020 (bestreden besluit 2) heeft verweerder verzoekers opvang en dagelijkse geldelijke tegemoetkoming bij de Pauluskerk per 5 juni 2020 beëindigd.

Tegen deze besluiten heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter in beide zaken verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Vanwege de omstandigheden rond het coronavirus is er geen fysieke zitting gehouden bij de rechtbank. Op 11 juni 2020 heeft een telefonische zitting plaatsgevonden, waarbij de zaken gelijktijdig zijn behandeld. Gehoord zijn verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van verweerder. Het verhoor heeft plaatsgevonden met bijstand van een tolk, de heer [naam tolk] .

Overwegingen

1. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.

ROT 20/2702

2. Verzoeker heeft de Marokkaanse nationaliteit. Bij besluit van 6 november 2019 heeft de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verzoekers verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (verblijf bij partner) met terugwerkende kracht vanaf 14 oktober 2019 ingetrokken. Het hiertegen door verzoeker gemaakte bezwaar is door de IND bij besluit van 21 januari 2020 ongegrond verklaard. Verzoeker is daarbij te kennen gegeven dat hij Nederland en de Europese Unie (EU) binnen vier weken moet verlaten. Tegen dit besluit (Terugkeerbesluit) zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Bij een tweede besluit van 21 januari 2020 heeft de IND verzoekers aanvraag van 14 november 2019 voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het doel ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’ (wijzigingsaanvraag) afgewezen. De IND heeft daarbij te kennen gegeven dat het Terugkeerbesluit nog steeds geldt en dat verzoeker het besluit op een tijdig ingediend bewaar in Nederland mag afwachten. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Aan bestreden besluit 1 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoeker met ingang van 21 januari 2020 geen verblijfstitel meer heeft die recht geeft op bijstand. Over de periode 17 januari 2020 tot en met 20 januari 2020 heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij in bijstandbehoeftige omstandigheden verkeert.

3. Verzoeker heeft als grond voor zijn verzoek aangevoerd dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Hij heeft eerder rechtmatig verblijf gehouden in Nederland en mag de beslissing op het bezwaar tegen de afwijzing van de wijzigingsaanvraag in Nederland afwachten. Hij beroept zich daartoe op artikel 8 onder f van de Vreemdelingenwet 2000. Naar de mening van verzoeker heeft hij op grond van artikel 11, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in samenhang met artikel 1 van het Besluit Gelijkstelling aanspraak op een bijstandsuitkering. Deze grond faalt.

3.1.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Pw heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande woonachtige vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), met uitzondering van de gevallen, bedoeld in artikel 24, tweede lid, van Richtlijn 2004/38/EG.

Op grond van het derde lid, aanhef en onder b, van dit artikel kunnen bij algemene maatregel van bestuur andere hier te lande woonachtige vreemdelingen dan de in het tweede lid bedoelde voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld indien zij, na rechtmatig verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw, rechtmatig in Nederland verblijf hebben als bedoeld in artikel 8, onderdeel g of h, van de Vw en zij aan de in die algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden voldoen.

Artikel 1, eerste lid en onder a, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Participatiewet, IOAW en IOAZ (het Besluit) bepaalt dat voor de toepassing van de Participatiewet, met een Nederlander gelijkgesteld wordt de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 8, onder a tot en met e, of l, van de Vw voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating.

Het tweede lid, onder a en onder b, bepaalt dat de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist, of de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

Gelet op vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), onder meer de uitspraak van 17 december 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:4212), mag verweerder uitgaan van de juistheid van de verblijfsrechtelijke informatie, zoals deze wordt verstrekt door de IND.

3.2.

Vast staat dat verzoeker niet langer rechtmatig verblijf heeft op een van de gronden genoemd in artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vw. Verzoeker kan dan ook niet op grond van artikel 11, tweede lid, van de Pw gelijkgesteld worden aan een Nederlander. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verzoeker rechtmatig verblijf heeft in Nederland op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw. Op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 en 28, terwijl bij of krachtens deze wet dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist. Er is echter geen wetsbepaling op grond waarvan uitzetting van verzoeker in afwachting van het bezwaar inzake de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning achterwege dient te blijven. Overwogen wordt dat op grond van artikel 73, eerste lid van de Vw de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning slechts wordt opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt, totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist. Het beroep bij de rechtbank wordt hierin niet vermeld. Opgemerkt wordt dat het Terugkeerbesluit in rechte vaststaat.

3.3.

Nu er geen rechterlijke beslissing is op grond waarvan uitzetting van verzoeker achterwege dient te blijven, biedt artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw geen basis voor gelijkstelling van verzoeker aan een Nederlander als bedoeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Pw en artikel 1 van het Besluit. Voorgaande is in lijn met de uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 mei 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:4052. De door verzoeker ter zitting aan deze uitspraak gegeven uitleg, kan daarom niet worden gevolgd. De omstandigheid dat verzoeker het besluit op een tijdig ingediend bezwaar in Nederland mag afwachten betekent niet dat hij daarmee rechtmatig verblijf heeft in de door hem bedoelde zin. Daarvoor is immers een hiertoe strekkende uitspraak van de (voorzieningen)rechter vereist.

4. Het voorgaande leidt ertoe dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen op de grond dat verzoeker met ingang van 21 januari 2020 geen verblijfstitel meer heeft die recht geeft op bijstand. De afwijzing van bijstand van 17 januari 2020 tot en met 20 januari 2020 ziet op afgesloten periode in het verleden. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding daarover in deze procedure een oordeel te geven.

ROT 20/2849

5. Bij besluit van 29 mei 2020 (bestreden besluit 2) heeft verweerder de hulpverlening aan verzoeker beëindigd, omdat hij niet aan de voorwaarden om toegelaten te worden tot de opvang, zoals neergelegd in de landelijke vreemdelingenvoorziening (LVV-opvang), voorheen BBB-opvang, voldoet.

6. Verzoeker heeft als grond voor zijn verzoek aangevoerd dat hij niet zelfredzaam is en dat hij in afwachting van de beslissing op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning rechtmatig verblijf houdt in Nederland en dus recht heeft op maatschappelijke opvang en bijstand. Deze grond faalt.

6.1.

Gelet op wat is geoordeeld in zaaknummer ROT 20/2702 heeft verzoeker geen recht op een bijstandsuitkering op grond van de Pw. Aan de zogeheten Convenant Pilot-LVV in gemeente Rotterdam ontleent de voorzieningenrechter verder het volgende.

‘(3.1) Alle vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang, die beschikken over een vreemdelingennummer, en die zich bij lokale organisaties of overheden melden komen in aanmerking voor de voorzieningen in de pilot-LVV (…)

(3.4) De vreemdeling wordt enkel toegelaten tot de pilot LW als hij verklaart actief mee te werken aan zijn begeleidingsscenario gericht op het bereiken van een bestendige oplossing of wel duurzaam perspectief (…)

(6.1) Naast het onderschrijven van de landelijke doelstelling en uitgangspunten, wordt in deze pilot­ LVV in de gemeente Rotterdam gewerkt aan de volgende subdoelstellingen:

1) De doelgroep onrechtmatig verblijvende vreemdelingen afkomstig uit een veilig land kan in Rotterdam maximaal 3 maanden toegang krijgen tot de pilot-LW, mits verwezen door een samenwerkende terugkeerorganisatie en mits er bereidheid is actief en resultaatgericht mee te werken aan vrijwillige terugkeer.

6.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker uit een veilig land komt en dat hij, naar verweerder onweersproken heeft gesteld, tot op heden geen bereidheid heeft getoond om actief en resultaatgericht mee te werken aan vrijwillige terugkeer naar zijn land van herkomst. Dit betekent dat verzoeker geen recht heeft om toegelaten te worden tot de beoogde opvang en dat verweerder de opvang en dagelijkse geldelijke tegemoetkoming bij de Pauluskerk dus op goede grond heeft beëindigd.

7. De slotsom is dat in bezwaar de bestreden besluiten naar verwachting in stand kunnen blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is op 25 juni 2020 gedaan door mr. A.P. Hameete, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. van den Berg, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is buiten staat De voorzieningenrechter is verhinderd
te tekenen

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.