Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5573

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
C/10/572109 / HA ZA 19-353
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot afgifte bescheiden ex art. 843a Rv i.v.m. te berekenen aanspraak vergoeding voor gebruik uitvinding o.g.v. overeenkomst subsidiair art. 12 lid 6 ROW toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/572109 / HA ZA 19-353

Vonnis van 17 juni 2020

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. P.J.M. Boomaars te Breda,

tegen

1. [naam gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam gedaagde 2] ,

gevestigd te Maasland, gemeente Midden-Delfland,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam gedaagde 3] ,

gevestigd te Maasland, gemeente Midden-Delfland,

gedaagden,

advocaat mr. M. Buitelaar te Naaldwijk, gemeente Westland.

Partijen zullen hierna [naam eiser] en [gedaagden] genoemd worden. Afzonderlijk zullen gedaagden [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 maart 2019 met producties 1 t/m 19;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 10;

  • -

    de brief van deze rechtbank van 23 juli 2019 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de bij B8 formulier van 18 november 2019 zijdens [naam eiser] overgelegde producties 20 en 21;

  • -

    de bij brief van 20 november zijdens [gedaagden] overgelegde producties 11 en 12;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 5 december 2019, met daaraan gehecht de door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen;

  • -

    het schriftelijke commentaar van [gedaagden] op het (buiten hun aanwezigheid opgemaakte) proces-verbaal, bij brief van 19 december 2019.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[naam eiser] is in april 2004 als werknemer in dienst getreden bij [naam bedrijf 1] Dit bedrijf is in 2007 gefuseerd met Meeuwisse Potgrond B.V. waaruit het bedrijf [naam gedaagde 2] is ontstaan. Volgens zijn loonstrook heeft [naam eiser] als functie vertegenwoordiger. Per 1 januari 2018 is [naam eiser] in dienst bij Meega Substrates New B.V.

2.2.

[naam gedaagde 2] houdt zich onder meer bezig met de productie van, en groothandel in kokosproducten voor de tuinbouw. Het gaat daarbij om de verwerking van de schil van de kokosnoot. Per 1 januari 2018 is de onderneming voortgezet door Meega Substrates New B.V. [naam gedaagde 2] is blijven bestaan.

2.3.

[naam gedaagde 3] is een handelsmaatschappij. Sinds de oprichting van [naam gedaagde 2] wordt [naam gedaagde 3] ingezet tussen de leveringen van kokossubstraat uit India en Sri Lanka aan [naam gedaagde 2] .

2.4.

[naam gedaagde 1] is directeur en mede- aandeelhouder van [naam gedaagde 2] en daarnaast directeur en indirect enig aandeelhouder van [naam gedaagde 3] .

2.5.

[naam eiser] heeft in 2010 een nieuwe productie- en bewerkingsmethode uitgevonden voor een substraat op basis van kokosnoten. Het desbetreffende kokosproduct wordt Shakti Amla genoemd. [naam gedaagde 3] heeft op 5 oktober 2010 een Europese octrooiaanvraag ingediend voor de uitvinding van [naam eiser] . Het octrooi is verleend op enig moment in 2018. Het Europees Octrooibureau heeft [naam eiser] geregistreerd als de uitvinder.

2.6. (

Ondernemingen van) [gedaagden] zijn in 2011 begonnen met het produceren en verkopen van het product Shakti Amla.

2.7.

[naam gedaagde 2] heeft in de jaren 2012 en 2013 een drietal bedragen uitbetaald aan [naam eiser] in verband met de door hem in 2010 gedane uitvinding.

2.8.

In januari 2014 wisselen [naam eiser] en [naam gedaagde 1] ( [naam gedaagde 2] ) een aantal e-mails waaraan het navolgende is ontleend.

16 januari 2014 18:39 van [naam gedaagde 1] aan [naam eiser] :

“(…) Ik heb je email ontvangen over de Amla Cocos.

Volgens mij loop je een beetje op de zaken vooruit. Blijkbaar neem je nu automatisch aan dat Meegaa een euro per geleverd m3 aan jou zal betalen.

Je hebt in 2012 en 2013 een riante bonus gekregen voor een product waarvan jij beweerde dat we “zo” een octrooi op konden krijgen.

Tot op heden hebben we dat echter niet en de vraag is of het ooit komt. (…)

Door de huidige economische situatie bij de kwekers hebben we al moeite genoeg om een goede prijs te bedingen voor onze producten (…)

Vorenstaande in ogenschouw genomen denk ik zelf dat een bedrag zo rond € 25.000,00 bruto over 2013 een zeer royaal aanbod is, hierop is al een voorschot aan je betaald.

Ik stel voor om in het vervolg aan het eind van ieder jaar met elkaar te overleggen wat een reële vergoeding is en afspraken daarover schriftelijk vast te (laten) leggen, zodat er geen misverstanden meer kunnen ontstaan (…)”

17 januari 2014 00:11 van [naam eiser] aan [naam gedaagde 1] :

“(…) Met verbazing heb ik jouw (?) mail gelezen.

Ik ken je als ‘een man een man, een woord een woord”.

Het kan niet zijn dat ik me daar zo in vergis.

We hebben een heldere mondelinge afspraak/toezegging van € 1,00 per M3 zonder tijdslimiet en/of voorwaarden, ik hou je daar ook aan. (…)”

17 januari 2014 11:57 van [naam gedaagde 1] aan [naam eiser] :

“(…) Ik heb geen zin om hier via de mail verder over te communiceren.

Ik ben een maandag over een week weer op de zaak dan gaan we direct na de vergadering

Even met elkaar zitten. (…)”

17 januari 2014 00:11 van [naam eiser] aan [naam gedaagde 1] :

“(…) Lijkt mij een prima plan. (…)”

2.9.

In de periode 2014 – 2017 volgen nog een zevental betalingen door [naam gedaagde 2] aan [naam eiser] . In totaal komen deze betalingen tezamen met die gedaan in 2012 en 2013 uit op een bruto bedrag van € 163.173,34 (netto € 76.703,21).

2.10.

In een gespreksverslag van 26 april 2017 - waar [naam gedaagde 1] niet bij aanwezig was - staat, voor zover van belang, het navolgende vermeld:

“(…)

Onderwerp: Bespreking [naam eiser]

(…) Afspraak destijds met [naam gedaagde 1] gemaakt maar niet schriftelijk vastgelegd. ‘ [naam gedaagde 1] ooit gezegd € 1 m3’. [naam eiser] dacht dat het toen over Shakti moest lopen. Geen einddatum…. [naam 1] niet eens met vast vergoeding en dit jaar moeilijk en niet van plan iets uit te keren. Bij voorkeur ook geen bonusvergoeding meer op deze manier. Vaste maandsalaris al fors. Vanuit tijd andere functie. Op moment op papier vertegenwoordiger. (…)

  • -

    15k bruto is echt max en al meer dan gedachte voor aanvang gesprek’

  • -

    Ok… hand gegeven en hard door nu.

Niet nog een keer en voorlopig niets vast. Volgend jaar opnieuw bespreken en wellicht alles anders.

(…)”

2.11.

[naam eiser] heeft bij deurwaardersexploot van 21 september 2018, gericht aan [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] , MeeGaa Substrates New BV en [naam gedaagde 3] , gesommeerd, samengevat:

- hem schriftelijk te bevestigen dat voldaan zal worden aan de overeengekomen verplichting om hem € 1,-- per m3 verkochte Shakti Amla te blijven vergoeden zolang de exploitatie voortduurt,

- hem een bedrag van € 318.111,54 te betalen omdat er in de periode van 2011 tot en met 2017 minimaal 476.284,88 m3 Shakti Amla is geproduceerd en verkocht, er maar een vergoeding van € 158.173,34 is betaald aan [naam eiser] , terwijl overeengekomen was dat [naam eiser] € 1,-- per m3 zou krijgen,

- een opgave te verstrekken van de volledige verkoop van Amla door de productiebedrijven in India en Sri Lanka, onderbouwd met bewijsstukken.

2.12.

[gedaagden] hebben niet voldaan aan deze sommatie.

3. Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagden] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan hem te verstrekken:

- een schriftelijke opgave van de geproduceerde en verkochte kubieke meters Shakti Amla in Nederland over de jaren 2017 en 2018,

- een schriftelijke opgave van de geproduceerde en verkochte kubieke meters Shakti Amla van de drie fabrieken in India en de fabriek in Sri Lanka vanaf 2011 tot en met 2018,

beide voorzien van deugdelijk bewijs ter onderbouwing van de juistheid van de te verstrekken opgave,

zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 (zegge vijfduizend euro) voor elke dag of gedeelte daarvan, dat [gedaagden] weigerachtig blijven uitvoering te geven aan de veroordeling;

alsook [gedaagden] te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure.

3.2.

[naam eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij de opgevraagde bescheiden nodig heeft ter berekening van zijn vordering op [gedaagden] uit hoofde van de in 2010 met [naam gedaagde 1] , destijds ‘zijn’ directeur bij [naam gedaagde 2] , gemaakte afspraak met betrekking tot de door [naam eiser] , buiten de werkingssfeer van zijn arbeidsovereenkomst, uitgevonden productie- en werkmethode voor een nieuw substraat op basis van kokosnoten genaamd Shakti Amla. Afgesproken is toen dat [naam gedaagde 1] deze uitvinding exclusief zou mogen toepassen voor al zijn ondernemingen, als tegenprestatie waarvoor [naam eiser] een vergoeding van € 1,-- per verkochte kubieke meter Shakti Amla zou ontvangen. [naam gedaagde 2] heeft over de eerste jaren wel een vergoeding betaald, maar daarna niet meer volledig. Subsidiair stelt [naam eiser] dat zijn vordering tot betaling van een vergoeding is gegrond op artikel 12 lid 6 Rijksoctrooiwet (hierna: ROW).

3.3.

[gedaagden] hebben de vordering betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [naam eiser] in de kosten van de procedure en de nakosten.

3.4.

De stellingen en weren zullen, waar nodig, in de beoordeling worden betrokken.

4. De beoordeling

4.1.

[naam eiser] vordert ex artikel 843 Rv. afgifte van bescheiden, dit teneinde de hoogte van zijn gestelde geldvordering te kunnen onderbouwen (welke geldvordering niet in de onderhavige procedure wordt ingesteld). [naam eiser] stelt zich primair op het standpunt dat hij zijn uitvinding heeft gedaan buiten de grenzen van zijn taak als werknemer.

4.2.

[gedaagden] betwist de gestelde afspraak en de pretense aanspraak op een vergoeding. [gedaagden] voeren daartoe – kort samengevat – aan dat [naam eiser] de uitvinding heeft gedaan binnen de grenzen van zijn taak als werknemer. [naam eiser] kan geen aanspraak meer maken op een vergoeding bovenop de substantiële beloning die hij reeds heeft ontvangen in het kader van de arbeidsovereenkomst. [naam eiser] heeft dan ook geen enkel belang bij de ingestelde vordering, aldus [gedaagden]

Bevoegdheid

4.3.

Het debat tussen partijen doet allereerst de vraag rijzen of sprake is van een geschil betreffende een arbeidsovereenkomst (art. 93 sub c Rv.), althans in het geschil tussen [naam eiser] en [naam gedaagde 2] . Zo ja, dan dient de rechtbank deze zaak, zo nodig ambtshalve, te verwijzen naar de kantonrechter (art. 71 lid 2 Rv.). Het betreft dus een kwestie van sectorcompetentie.

4.4.

Als het gaat om beoordeling van de sectorcompetentie, is het aan de rechter om de rechtsvordering en eventueel de overeenkomst waarop die is gegrond voorlopig te kwalificeren (art. 71 lid 3 Rv). De grondslag van de eis in de dagvaarding is daarvoor veelal richtinggevend, maar niet de enige maatstaf. Ook het standpunt van de wederpartij kan bij die voorlopige beoordeling van het onderwerp van het geschil een rol spelen.

4.5.

Bij het oordeel over de sectorcompetentie speelt in dit geval, gelet op het debat tussen partijen, ook artikel 12 juncto artikel 83 ROW een rol.

4.5.1.

Ingevolge het eerste lid van artikel 12 ROW geldt als hoofdregel voor een situatie als deze, waarin een werknemer tijdens zijn dienstbetrekking een uitvinding heeft gedaan waarvoor octrooi wordt aangevraagd, dat dit octrooi toekomt aan de werknemer zelf. Dit is slechts anders indien moet worden aangenomen dat de aard van de dienstbetrekking meebrengt dat de werknemer zijn bijzondere kennis aanwendt voor het doen van uitvindingen van dezelfde soort als waarop het octrooi betrekking heeft. In dat geval komt het octrooi toe aan de werkgever en zal mogen worden aangenomen dat in het loon van de werknemer in beginsel een vergoeding voor het gemis aan octrooi is verdisconteerd, tenzij het octrooi een bovenmatig voordeel voor de werkgever meebrengt.

Op die laatste situatie ziet het zesde lid van artikel 12, waarin is bepaald dat als een vergoeding voor het gemis aan octrooi niet in het loon kan worden geacht te zijn begrepen, de werknemer recht heeft op een aanvullende vergoeding jegens degene die krachtens het eerste lid het octrooi toekomt, zijnde de werkgever. Krachtens lid 5 respectievelijk lid 7 kan bij overeenkomst van het eerste lid worden afgeweken, van het zesde lid kan niet worden afgeweken.

4.5.2.

Op grond van artikel 83, tweede lid, ROW worden rechtsvorderingen, die gegrond zijn op artikel 12, zesde lid, ROW aangemerkt als rechtsvorderingen met betrekking tot een arbeidsovereenkomst, tenzij de rechtsbetrekking tussen de bij het geschil betrokkenen niet wordt bepaald door een arbeidsovereenkomst.

4.6.

Een en ander maakt dat wanneer de aanspraak op vergoeding van [naam eiser] (die er in ieder geval in het verleden was, zoveel staat vast) niet kan worden gegrond op de primair door hem gestelde afspraak, ambtshalve dient te worden verwezen naar de kantonrechter. Alsdan dient de vergoeding die [naam eiser] eerder ontving, geacht te zijn betaald op grond van artikel 12 lid 6 ROW in het kader van de arbeidsovereenkomst tussen [naam eiser] en [naam gedaagde 2] .

4.7.

Naar het oordeel van de (handelskamer van de) rechtbank is geen sprake van zaak betreffende een arbeidsovereenkomst. Verwijzing naar de kantonrechter zal dus achterwege blijven. Daartoe wordt overwogen als volgt.

4.7.1.

Vast staat dat [naam eiser] in 2010 een uitvinding heeft gedaan. Voorts staat vast dat [naam gedaagde 2] , die hem de aanvullende vergoedingen heeft betaald, destijds zijn werkgever was. Dat het tot de taakstelling van [naam eiser] behoorde en/of in de aard van de werkzaamheden besloten lag uitvindingen als de onderhavige te doen - zoals [gedaagden] aanvoeren - blijkt niet uit de in het geding gebrachte stukken, integendeel. Gesteld noch gebleken is dat dit destijds bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst schriftelijk zou zijn overeengekomen, terwijl op de door [naam eiser] in het geding gebrachte salarisstroken uit de periode 2011-2013 staat vermeld dat hij de functie van vertegenwoordiger heeft. Ook de voorliggende feiten en omstandigheden rechtvaardigen die conclusie niet. [gedaagden] voeren dit verweer wel, maar onderbouwen dit niet, of althans onvoldoende. Zo voeren [gedaagden] in dit verband aan dat [naam eiser] zich bezighield met tal van werkzaamheden waaronder het beoordelen van personeel en werkzaamheden op het gebied van productontwikkeling hetgeen past bij zijn achtergrond als chemicus, ter onderbouwing waarvan zij verwijzen naar e-mail correspondentie uit 2014, waarin [naam eiser] bij ondertekening vermeldt ‘General Manager’ te zijn. De rechtbank volgt [gedaagden] hierin niet. Uit het enkele feit dat [naam eiser] kennelijk in 2014 was opgeklommen tot manager kan geen aanwijzing worden gevonden dat de aard van zijn in 2010 verrichte werkzaamheden meebrachten dat hij ook uitvindingen als de litigieuze zou doen. [naam eiser] heeft dit ook ten stelligste weersproken en er op gewezen dat hij geen chemicus is en dat [gedaagden] dit ‘gelegenheidsargument’ voor het eerst in deze procedure aanvoeren. De rechtbank stelt verder vast dat voor het thans door [gedaagden] ingenomen standpunt ook geen aanknopingspunt is te vinden in het overgelegde e-mail verkeer.

4.7.2.

Daarbij komt dat - naar [naam eiser] nog heeft gesteld - onderdeel van de afspraak die hij met [naam gedaagde 1] heeft gemaakt is dat de uitvinding exclusief zou mogen worden gebruikt door alle ondernemingen van [naam gedaagde 1] , waaronder niet alleen destijds [naam gedaagde 2] maar ook [naam gedaagde 3] , waarvan [naam gedaagde 1] eveneens directeur /(indirect) enig aandeelhouder was (en nog steeds is). Daarmee strookt het feit dat het octrooi is aangevraagd door [naam gedaagde 3] , door [gedaagden] geduid als ‘de verbindende partij tussen de fabrieken in India en [naam gedaagde 2] ’.

4.7.3.

Het voorgaande biedt naar het (voorlopig) oordeel van de rechtbank relevante steun aan de stelling van [naam eiser] dat [naam gedaagde 1] , met hem een overeenkomst is aangegaan met als strekking dat aan [naam eiser] een vergoeding toekwam per m3 Shakti Amla als verkocht door één van de ondernemingen van [naam gedaagde 1] , buiten het kader van zijn met [naam gedaagde 2] gesloten arbeidsovereenkomst. Dat er hieromtrent niets op papier is gezet, maakt het oordeel niet anders.

Het verstrekken van informatie

Vordering jegens [naam gedaagde 1] en Shakti Kokos

4.8.

[gedaagden] voeren aan dat de vordering jegens de andere twee gedaagden, [naam gedaagde 1] en Shakti Kokos moet worden afgewezen reeds omdat deze gedaagden in ieder geval geen partij zijn bij de gestelde overeenkomst. Nu het in dit geding niet gaat om de vraag op wie de vermeende betalingsverplichting rust, maar uitsluitend de vordering ex artikel 843a Rv voorligt, komt dit verweer hierna bij de inhoudelijke beoordeling aan de orde.

Rechtsverwerking

4.9.

[gedaagden] stellen zich op het standpunt dat sprake is van rechtsverwerking omdat [naam eiser] stelt dat reeds vanaf 2014 de afspraken niet correct zijn nagekomen, maar hij de zaak vervolgens tot september 2018 heeft laten rusten, zodat [gedaagden] er geen rekening meer mee behoefden te houden dat [naam eiser] nog aanspraak zou maken op enige vergoeding.

4.10.

Dit betoog faalt. Om rechtsverwerking te kunnen aannemen is nodig dat de rechthebbende zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad is enkel tijdsverloop daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden indien het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt.

Dat in dit geval sprake zou zijn van onredelijke benadeling is niet gesteld, terwijl het door [gedaagden] gestelde tijdsverloop onvoldoende is om de conclusie te rechtvaardigen dat [gedaagden] er gerechtvaardigd op zouden mogen vertrouwen dat [naam eiser] af zou zien van zijn aanspraken. De in het geding gebrachte e-mails en gespreksverslagen wijzen daar geenszins op. Andere concrete feiten of omstandigheden, die indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken.

Artikel 843a Rv

4.11.

Dan wordt thans toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van het gevorderde. Het gaat hier om een vordering tot afgifte van bescheiden op grond van artikel 843a Rv.

4.12.

Artikel 843a lid 1 Rv. verbindt aan de toewijsbaarheid van de daar bedoelde vordering drie cumulatieve voorwaarden:

(i) degene die de vordering doet, dient een rechtmatig belang te hebben en

(ii) het moet gaan om bepaalde bescheiden

(iii) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.

Het vierde lid bepaalt dat degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan deze vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

Naast de hiervoor genoemde drie cumulatieve voorwaarden voor toewijzing van de vordering, geldt dat de vordering afgewezen zou kunnen worden indien sprake is van misbruik van bevoegdheid, strijd met de goede procesorde of wegens gebrek aan belang.

4.13.

[gedaagden] hebben betoogd dat de opstelling van [naam eiser] in strijd is met de goede procesorde, althans sprake is van gebrek aan belang, omdat de kern van het geschil tussen partijen wordt gevormd door de vraag of [naam eiser] nog aanspraak kan maken op een aanvullende vergoeding, of daartoe al dan niet een afspraak bestaat dan wel grond kan worden gevonden in artikel 12 lid 6 ROW. Dat geschil moet eerst worden beslecht in een bodemprocedure en daarvoor is de gevraagde informatie niet nodig, aldus [gedaagden] , zodat de productie van de gevraagde bescheiden uit oogpunt van een behoorlijke rechtsbedeling kan worden gemist en de vordering moet worden afgewezen.

4.14.

Dit verweer wordt verworpen. [gedaagden] kan worden nagegeven dat de afgifte van bescheiden ook gecombineerd had kunnen worden met de vordering tot betaling van een geldbedrag en alsdan een extra procedure ter vaststelling daarvan niet nodig was geweest. Voor toepassing van de exhibitieplicht is echter niet vereist dat zij geschiedt in een lopende procedure. De vordering ter zake kan ook worden ingesteld in een afzonderlijke procedure zoals thans voor ligt. Bovendien kan het (rechtmatig) belang bij een vordering tot exhibitie juist zijn gelegen in de omstandigheid dat de bescheiden of de daaraan ontleende informatie kan worden gebruikt in een aanhangig te maken procedure. Zo ook in dit geval: het gestelde belang van [naam eiser] is immers daarin gelegen dat hij op basis van de verkoopcijfers (de omvang van) zijn vermeende aanspraak op een achterstallige vergoeding [naam gedaagde 2] kan bepalen. Anders dan [gedaagden] menen, is daartoe niet noodzakelijk dat de inhoud van de afspraak reeds nu vaststaat. Voldoende aannemelijk is dat sprake is van een rechtsbetrekking. Daarbij komt dat indien de gestelde afspraak niet kan worden bewezen, de opgevraagde gegevens nog steeds relevant zijn ter beantwoording van de vraag of reeds aan de verplichting in artikel 12 lid 6 ROW (de subsidiaire grondslag) is voldaan, aangezien alsdan van belang is welk voordeel is behaald met de uitvinding. Aan [naam eiser] is de keuze om de gewenste bescheiden thans in een afzonderlijke procedure dan wel (al dan niet bij wege van incident) in een bodemprocedure te vorderen. Een verplichting tot het daadwerkelijk instellen van zo’n procedure is er overigens niet (HR 8 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8510).

4.15.

Vervolgens ligt voor de vraag of in dit geval voldaan is aan het vereiste dat de gevraagde bescheiden betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarin [naam eiser] partij is. [gedaagden] menen van niet omdat – indien al sprake is van een vergoedingsaanspraak – volgens hen uitsluitend [naam gedaagde 2] als partij van [naam eiser] is te beschouwen.

De vermeende afspraken zijn in ieder geval niet gemaakt met [naam gedaagde 1] , omdat deze met [naam eiser] altijd in hoedanigheid als bestuurder van [naam gedaagde 2] heeft gehandeld en in beperkte mate in de hoedanigheid als bestuurder van [naam gedaagde 3] . Daarnaast hebben [gedaagden] aangevoerd dat steeds met [naam gedaagde 1] via zijn e-mail adres bij [naam gedaagde 2] is gecommuniceerd, het overleg ook daar heeft plaats gevonden, dat alleen [naam gedaagde 2] is overgegaan tot bewerking en verkoop van Shakti Amla en het ook alleen [naam gedaagde 2] is geweest die betalingen in het verleden heeft gedaan, welke betalingen uitsluitend zijn gedaan over geproduceerde en verkochte kubieke meters Shakti Amla van [naam gedaagde 2] en niet over de geproduceerde en verkochte Shakti Amla in de fabrieken in India. Reeds hierop dient de vordering jegens [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 3] te stranden, aldus [gedaagden] .

4.16.

De rechtbank volgt [gedaagden] voor zover het gaat om [naam gedaagde 1] . [naam eiser] heeft niet weersproken dat deze heeft gehandeld in de hoedanigheid als bestuurder van [naam gedaagde 2] en/of in de hoedanigheid als bestuurder van Shakti Kokos. De gestelde afspraak had ook betrekking op het handelen van deze ondernemingen. Uitgangspunt in rechte is derhalve dat [naam gedaagde 1] in privé buiten de in het geding zijnde rechtsbetrekking staat, zodat de vordering jegens [naam gedaagde 1] dient te worden afgewezen.

4.17.

Ten aanzien van [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] is echter wel sprake van een rechtsbetrekking in voornoemde zin. Daartoe is het volgende redengevend.

4.17.1.

Voorop staat dat de eis van rechtsbetrekking waarop de over te leggen bescheiden betrekking moet hebben, ruim moet worden uitgelegd. Het volstaat dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een rechtsbetrekking. Voorts is van belang dat noch uit de tekst van art. 843a lid 1 Rv zoals deze luidt sinds 1 januari 2002, noch uit zijn totstandkomingsgeschiedenis voortvloeit dat artikel 843a lid 1 Rv tevens eist dat degene tegen wie de vordering is gericht, partij is bij de in deze bepaling bedoelde rechtsbetrekking (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1834).

4.17.2.

Vast staat dat [naam gedaagde 3] (blijkens de flyer van dit bedrijf tot 2018 onderdeel van [naam gedaagde 2] ) destijds bij de verhandeling van de Shakti Amla geproduceerd volgens de door [naam eiser] uitgevonden bewerkingsmethode is betrokken. [gedaagden] hebben dat met zoveel woorden erkend. Het is ook [naam gedaagde 3] geweest die octrooi heeft aangevraagd en verkregen. Voorts staat als niet betwist vast dat de productie en verhandeling, althans deels, heeft plaatsgehad via de drie fabrieken in India (Eco coir, Jasmin coir en MJ coir) en de fabriek in Sri Lanka (MD coir). Dat deze fabrieken behoren tot de onderneming van [naam gedaagde 3] , zoals uit de flyer van [naam gedaagde 3] lijkt te kunnen worden opgemaakt, nu deze aldaar zijn aangeduid als “eigen fabrieken”, is door [gedaagden] betwist. Naar zij stellen, is de formulering gekozen uit commerciële overwegingen, maar bestaat de band uit niet meer dan een nauwe samenwerking. Wat daar van zij, nu niet is betwist dat de productie en verhandeling althans deels via deze fabrieken is verlopen (op de mate waarin wordt hierna nog teruggekomen) zal er minst genomen sprake zijn geweest van licentieverlening door [naam gedaagde 3] . Dit laatste blijkt ook wel uit de door [naam eiser] nog in het geding gebrachte productie 20 en de naar aanleiding daarvan door [gedaagden] ter zitting gegeven uitleg over de rol van [naam gedaagde 3] . Mede gelet op hetgeen hiervoor onder 4.14. is overwogen, doet aan de hier omschreven betrokkenheid van [naam gedaagde 3] en de aan haar gelieerde ondernemingen – anders dan [gedaagden] menen – niet af dat de beloning aan [naam eiser] uitsluitend is verlopen via [naam gedaagde 2] en die betalingen tot op heden uitsluitend zagen op de verkoop in Nederland.

4.18.

[gedaagden] hebben voorts – samengevat – nog aangevoerd dat de opgevraagde bescheiden niet zien op de rechtsbetrekking als aan de orde althans onvoldoende zijn bepaald omdat deze niet bestaan, althans [gedaagden] niet over alle bescheiden kunnen beschikken.

4.19.

De rechtbank overweegt daaromtrent als volgt.

4.19.1.

In dit verband is allereerst relevant de stelling van [gedaagden] dat de door [naam eiser] uitgevonden bewerkingsmethode nog wel enige tijd is toegepast, maar inmiddels al jarenlang niet meer. De thans nog steeds onder de (merk)naam Shakti Amla verkochte producten worden vervaardigd volgens een andere behandeling met zuren dan die waar de uitvinding van [naam eiser] opziet. De octrooiaanvraag is wel doorgezet, maar dat is uitsluitend gebeurd om de concurrentie op achterstand te zetten, aldus [gedaagden] Ter zitting heeft [naam gedaagde 1] toegelicht dat het resultaat wel hetzelfde is, maar de bewerkingsmethode niet. Volgens [naam gedaagde 1] kun je dat aan het spul zelf echter niet zien en ook een analyse kan geen helderheid verschaffen. Voor de huidige ‘nieuwe’ methode is geen octrooi aangevraagd. [naam eiser] heeft ten stelligste weersproken dat eenzelfde resultaat kan worden verkregen met een andere methode. Dat de gevraagde bescheiden in ieder geval deels betrekking hebben op de verkoop van Shakti Amla geproduceerd volgens bewerkingsmethode van [naam eiser] , staat gelet op het voorgaande als onbetwist vast. Indien juist is de stelling van [gedaagden] dat het deels gaat om een andere methode, had het op de weg van [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] gelegen dit apart te registreren. Dat is kennelijk niet gebeurd. Voor zover dit betekent dat inderdaad op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt kan worden dat op enig moment voor een andere bewerkingsmethode is gekozen - dan de naam van het product en het verleende octrooi doet vermoeden - dient dat voor rekening en risico van [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] te blijven. Gelet op de omstandigheden waaronder de uitvinding is gedaan en de rechtsbetrekking tussen partijen, mocht van hen worden verwacht van een en ander administratie bij te houden en kunnen zij het ontbreken daarvan niet aan [naam eiser] tegenwerpen. Het verweer op dit punt wordt dan ook verworpen.

4.19.2.

Hetzelfde lot treft het verweer van [gedaagden] dat de bescheiden onvoldoende zijn bepaald althans zij daar de beschikking niet over hebben en zij geen kennis en inzage hebben in de hoeveelheid Shakti Amla geproduceerd en verkocht door de fabrieken in India en Sri Lanka. [gedaagden] hebben ook in dit verband een beroep gedaan op de omstandigheid dat de aldaar geproduceerde Shakti Amla slechts kort (in de fabriek MJ coir, Nadu, India) dan wel helemaal niet (in de fabriek MD coir, Sri Lanka) volgens de door [naam eiser] bedachte bewerkingsmethode is geproduceerd. Om de hiervoor genoemde redenen gaat de rechtbank daaraan voorbij. Ten aanzien van de andere twee fabrieken (Eco coir en Jasmin coir in India) hebben zij gesteld geen enkele zeggenschap te kunnen doen gelden in de fabrieken en ter zake een accountantsverklaring in het geding gebracht waaruit blijkt dat de aandelen voor 70% in handen zijn van [naam 2] en voor 30% in handen van [naam 3] . Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat [naam gedaagde 2] en/of [naam gedaagde 3] niet over de gevraagde bescheiden (kunnen) beschikken. Immers, zoals hiervoor onder 4.17.2. reeds is overwogen, en door [naam eiser] ter zitting nog is benadrukt, zal in ieder geval sprake zijn geweest van licentieverlening door [naam gedaagde 3] , zodat zij ook aan het verzoek zouden kunnen voldoen door opgave van de op basis van de door [naam gedaagde 3] aan deze fabrieken verleende licentie toegestane aantal m3 te produceren / te verhandelen Shakti Amla. Dat ook in deze fabrieken Shakti Amla is geproduceerd, zoals door [naam eiser] is gesteld onder overlegging van e-mail verkeer en een lijst van containerverschepingen, hebben [gedaagden] bovendien onvoldoende gemotiveerd betwist.

4.19.3.

Met betrekking tot de van [naam gedaagde 2] gevraagde informatie over 2017 en 2018 hebben [gedaagden] betoogd dat [naam eiser] hier zelf reeds over beschikt c.q. kan beschikken via zijn nieuwe werkgever Meega Substrates New B.V. Deze laatste onderneming, thans werkgever van [naam eiser] , houdt volgens hen ook na de overname vanaf 1 januari 2018 zowel de verkoop- en productiecijfers van [naam gedaagde 2] als Meega Substrates New B.V. bij in KRIS. Anders dan [gedaagden] echter stellen, blijkt dit niet reeds uit de dagvaarding, terwijl [naam eiser] ter zitting heeft weersproken reeds over de gevraagde informatie te beschikken. Nu bovendien - naar [naam gedaagde 1] ter zitting heeft toegelicht - de oude onderneming nog steeds bestaat en kennelijk nog steeds zaken doet, faalt ook dit betoog.

4.20.

Het voorafgaande leidt er toe dat de vordering tot opgave van bescheiden jegens [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] in beginsel voor toewijzing gereed ligt.

De rechtbank merkt daarbij op, onder referte naar hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.19.2., dat voor zover het betreft de opgave van bescheiden aangaande de ondernemingen in India en Sri Lanka in plaats van opgave van cijfers van deze ondernemingen zelf betreft de verkoop van door hen geproduceerde Shakti Amla volstaat dat opgave wordt verstrekt van de op basis van de door [naam gedaagde 3] aan deze fabrieken verleende licentie toegestane aantal m3 te produceren / te verhandelen Shakti Amla.

4.21.

Voorts dient daarbij nog acht te worden geslagen op het verweer van [gedaagden] dat sprake is van concurrentiegevoelige informatie. Daarbij wijzen zij er op dat de echtgenote van [naam eiser] , die zich als zaakwaarnemer van [naam eiser] heeft gepresenteerd, 20 jaar heeft gewerkt bij de grootste concurrent van de werkgever van [naam eiser] . [gedaagden] verzoeken daarom, met een beroep op het tweede lid van artikel 843a Rv., een geheimhoudingsverplichting op te leggen aan [naam eiser] . De rechtbank honoreert dit verweer in zoverre dat zal worden bepaald dat [naam eiser] de informatie uit de bescheiden niet mag delen met anderen dan zijn advocaat en een eventuele door hem in te schakelen financiële deskundige, zoals een accountant.

4.22.

De termijn waarbinnen aan de opgave moet zijn voldaan, zal de rechtbank wat ruimer stellen dan gevorderd in verband met eventuele beperkingen als gevolg van de nog steeds heersende Coronacrisis. Voorts zal de gevorderde dwangsom worden beperkt en gemaximeerd op na te melden wijze.

Uitvoerbaar bij voorraad verklaring

4.23.

[naam eiser] vordert uitvoerbaarverklaring bij voorraad van het vonnis. [gedaagden] verzetten zich daar tegen. [gedaagden] voeren aan dat de afgifte van bescheiden niet meer terug gedraaid kan worden en dat dan een rechtsmiddel voor hen geen zin meer heeft.

4.23.1.

De rechter kan desgevorderd beslissen om een vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Maatstaf is, nu verweer is gevoerd op dit onderdeel, de afweging van belangen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, of het belang van degene die de veroordeling verkrijgt zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient daarbij in de regel buiten beschouwing te blijven. Mogelijke ingrijpende gevolgen van toewijzing van de vordering tot uitvoerbaar bij voorraad verklaring, die later moeilijk ongedaan kunnen worden gemaakt, staan op zich zelf niet in de weg aan toewijzing, maar moeten wel worden meegewogen.

4.23.2.

Het vonnis zal, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De rechtbank acht het belang van [naam eiser] dat daarmee is gediend wezenlijk zwaarder wegen dan het tegenovergestelde belang van [gedaagden] De enkele stelling dat hoger beroep geen zin meer heeft is niet voldoende voor een ander oordeel.

De rechtbank tekent daarbij ambtshalve nog aan - het desbetreffende verweer is niet gevoerd in het kader van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad - dat er weinig concrete aanwijzingen bestaan dat schending van concurrentiegevoelige informatie door [naam eiser] dreigt. Daarmee is bovendien reeds rekening gehouden (zie hiervoor onder 4.21.)

Proceskosten

4.24.

[naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [naam eiser] . Deze kosten worden begroot op € 1.383,--. Dit bedrag bestaat uit € 297,-- aan griffierecht en € 1.086,-- aan salaris advocaat (conform de Liquidatietarieven, twee punten, tarief II ad € 543,-- per punt voor een vordering van onbepaalde waarde).

De (extra) proceskosten van [naam gedaagde 1] (in privé) worden begroot op nihil, zodat in de verhouding tot [naam eiser] een proceskostenveroordeling te dier zake achterwege kan blijven.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis aan [naam eiser] te verstrekken:

- een schriftelijke opgave van de geproduceerde en verkochte kubieke meters Shakti Amla in Nederland over de jaren 2017 en 2018 en

- een schriftelijke opgave van geproduceerde/te produceren en verkochte/te verhandelen kubieke meters Shakti Amla van/door de drie fabrieken in India en de fabriek in Sri Lanka vanaf 2011 tot en met 2018 (als nader omschreven onder 4.20),

beide voorzien van deugdelijk bewijs ter onderbouwing van de juistheid van de te verstrekken opgave,

zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- (zegge duizend euro) voor elke dag dat zij weigerachtig blijft uitvoering te geven aan de veroordeling, met een maximum van € 100.000,--;

5.2.

bepaalt dat [naam eiser] de door hem uit hoofde van onderhavig vonnis te verkrijgen informatie met geen ander mag delen dan met zijn advocaat en met een eventueel door hem aangezochte financieel deskundige;

5.3.

veroordeelt [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] in de proceskosten van [naam eiser] , tot op heden begroot op € 1.383,--;

5.4.

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijs het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. C. Bouwman, rolrechter, op 17 juni 2020.

[2517/1515]