Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5570

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
18.1035 ea
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling toegewezen. Schuldenares heeft niet voldaan aan haar informatieverplichting en sollicitatieverplichting. Daarnaast heeft schuldenares een boedelachterstand laten ontstaan. Tevens is schuldenares een eigen onderneming als zzp'er gestart zonder toestemming van de bewindvoerder en rechter-commissaris. Tot slot heeft schuldenares aangegeven dat zij uit de regeling wilt en gebruik maakt van de spijtoptand regeling.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

tussentijdse beëindiging

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 18 juni 2020

Bij vonnis van deze rechtbank van 23 augustus 2018 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[naam] ,

[adres]

[woonplaats]

schuldenares,

bewindvoerder: mr. D. le Pair.

1 De procedure

De bewindvoerder heeft de rechter-commissaris verzocht de schuldsaneringsregeling voor tussentijdse beëindiging voor te dragen. De rechter-commissaris heeft op 10 maart 2020 met dit verzoek ingestemd.

De bewindvoerder heeft op 25 mei 2020 aan de rechtbank de laatste stand van zaken verzonden.

Ter terechtzitting van 4 juni 2020 zijn schuldenares en, namens de bewindvoerder, de heer T.P.F. Eisses gehoord.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Als grond voor de voordacht tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling is aangevoerd dat schuldenares haar (aanvullende) sollicitatieverplichting niet naar behoren nakomt. Tot oktober 2019 werd geen arbeid door schuldenares verricht. Over de periode 17 maart 2019 tot 7 juli 2019 gold de sollicitatieverplichting niet in verband met zwangerschapsverlof. Over de periode 19 augustus 2019 tot 19 augustus 2021 is schuldenares ontheven van de sollicitatieplicht voor 16 uur per week. Schuldenares diende vanaf aanvang van de regeling tot 17 maart 2019 en vanaf 7 juli 2019 tot 19 augustus 2019 te solliciteren naar een fulltime dienstverband. Vanaf 19 augustus 2019 dient schuldenares minimaal 20 uur per week arbeid te verrichten of anders aanvullend te solliciteren. Over oktober 2019 tot en met januari 2020 werd 10-15 uur per week arbeid verricht. De beschermingsbewindvoerder heeft de bewindvoerder op 2 februari 2020 geïnformeerd dat er geen salaris meer wordt verkregen. Het is onduidelijk wat hiervan de reden is. Voorts heeft de bewindvoerder in zijn voordracht tot tussentijdse beëindiging gesteld dat schuldenares gedurende de regeling stroperig sollicitatiebewijzen verstrekt. De eerste sollicitatiebewijzen werden (pas) ontvangen in april 2019, juli 2019 en augustus 2019. Dit betroffen voornamelijk bevestigingen/vacatures. Vervolgens werd op 31 oktober 2019 een (circa 80 pagina’s tellend) pakket met sollicitatieactiviteiten verstrekt. In een groot aantal gevallen ontbreekt een datum waardoor de sollicitatie, veelal een bevestiging van een verrichte sollicitatie, niet aan een maand toegerekend kan worden. De bewindvoerder heeft in de maand de navolgende sollicitatiebewijzen wel kunnen plaatsen:

- Juni 2018: twee gemotiveerde sollicitaties;

- Juli 2018: één gemotiveerde sollicitatie, twee bevestigingen;

- Oktober 2018: twee gemotiveerde sollicitatiebrieven;

- Maart 2019: één gemotiveerde sollicitatie;

- Oktober 2019: één gemotiveerde sollicitatie, vijftien bevestigingen;

- Januari 2020: twee bevestigingen;

- Februari 2020 één gemotiveerde sollicitatie, zonder bijbehorende vacature.

Schuldenares heeft vanaf aanvang van de schuldsaneringsregeling gedurende de maanden dat de sollicitatieverplichting van toepassing was, geen enkele maand voldaan aan de sollicitatieplicht. Het gebrek in de sollicitatieverplichting bedraagt ruim veertien maanden.

Verder is gebleken dat schuldenares zich per 17 februari 2020 als zelfstandige ondernemer heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Schuldenares heeft de bewindvoerder hierover niet uit eigen beweging geïnformeerd. De bewindvoerder heeft dit moeten vernemen van de beschermingsbewindvoerder. De bewindvoerder heeft aan schuldenares om opheldering verzocht en zij heeft bevestigd als zelfstandige verzorgende te willen starten. Buiten een eigen verklaring van schuldenares, werd geen onderbouwd plan verstrekt aan de bewindvoerder.

Daarnaast is in de voordracht tot tussentijdse beëindiging door de bewindvoerder aangevoerd dat schuldenares haar informatieverplichting niet voldoende naar behoren is nagekomen. De bewindvoerder heeft diverse specificaties van schuldenares niet ontvangen.

Verder heeft de bewindvoerder gemeld dat schuldenares een geschatte boedelachterstand heeft van € 1.001,37. De achterstand is voornamelijk gelegen in het feit dat naast het inkomen uit arbeid nog een volledige Participatiewet-uitkering is ontvangen door schuldenares.

Tot slot heeft de bewindvoerder in haar voordacht tot tussentijdse beëindiging gemeld dat er mogelijk een terugvordering volgt inzake de (volledige) ontvangen Participatiewet-uitkering gedurende de periode dat inkomen uit arbeid werd ontvangen.

De bewindvoerder heeft op 25 mei 2020 de laatste stand van zaken uitgebracht waarin zij aangeeft dat er in de informatieverplichting en sollicitatieverplichting geen wijzigingen zijn ten opzichte van de voordracht tot tussentijdse beëindiging. Schuldenares heeft een aantal specificaties overgelegd aan de bewindvoerder, echter ontbreken ook nog een aantal specificaties in het dossier van de bewindvoerder. Na herberekening van het vrij te laten bedrag bedraagt de boedelachterstand € 95,21. De achterstand is ontstaan doordat in de maand maart 2020 naast het inkomen uit arbeid nog een volledige Participatiewet-uitkering is ontvangen.

Ter terechtzitting heeft de (waarnemend) bewindvoerder verklaard dat verzoekster tot twee keer toe is opgeroepen voor een verhoor bij de rechter-commissaris. Schuldenares is niet verschenen bij het verhoor, dan wel was schuldenares te laat waardoor zij niet kon deelnemen aan het gesprek. Na de geplande verhoren zijn er met schuldenares en haar beschermingsbewindvoerder aparte afspraken gemaakt. Er is besproken dat schuldenares de verplichtingen weer dient op te pakken en te kijken naar de kansen. Schuldenares heeft deze kans niet aangegrepen. De sollicitatieverplichting is wederom niet goed opgepakt. Tevens is schuldenares, zonder toestemming van de bewindvoerder en rechter-commissaris, een eigen onderneming gestart. De (waarnemend) bewindvoerder heeft om diverse informatie verzocht, onder andere, een ondernemingsplan, gegevens boekhouder en verzekeringsspecificaties. Schuldenares heeft geen nadere informatie aan de bewindvoerder verstrekt. Tot slot heeft de (waarnemend) bewindvoerder ter terechtzitting gemeld dat, in verband met de opgestarte onderneming van schuldenares, het beschermingsbewind per 1 juni 2020 is opgeheven. Schuldenares heeft geen wending ten goede laten zien, aldus de (waarnemend) bewindvoerder.

Ter terechtzitting heeft schuldenares verklaard dat zij per 1 juni 2020 met haar diensten als eigen ondernemer in de zorg is gestart. Schuldenares heeft verklaard dat zij hierdoor geen gedoe heeft met een baas en dat de kinderopvang beter geregeld is voor haar twee kinderen. Zij kan hierdoor zelf haar diensten bepalen. Daarnaast lukte het haar niet om een fulltime baan te vinden. Op dit moment ervaart schuldenares nog problemen met de kinderopvang waardoor zij nog geen opdrachten kan aannemen. Schuldenares heeft ter terechtzitting verklaard dat zij opdrachten zal krijgen via Zorgwerk en oude collega’s. Voorts heeft schuldenares ter terechtzitting gesteld dat zij altijd heeft gesolliciteerd en de bewijzen heeft opgestuurd naar de beschermingsbewindvoerder en de bewindvoerder.

Daarnaast heeft schuldenares ter terechtzitting verklaard dat zij te maken heeft gehad met twee bewindvoerders. Een beschermingsbewindvoerder en een bewindvoerder schuldsaneringsregeling. Schuldenares stelt dat zij niet tevreden is met de bewindvoerder schuldsaneringsregeling. De communicatie tussen de beschermingsbewindvoerder en bewindvoerder schuldsaneringsregeling verloopt niet naar tevredenheid van schuldenares. De twee bewindvoerders zouden niet met elkaar communiceren. Schuldenares heeft verklaard dat zij alle benodigde informatie heeft overgelegd aan de beschermingsbewindvoerder en de bewindvoerder schuldsaneringsregeling.

Verder heeft schuldenares ter terechtzitting verklaard dat het beschermingsbewind is opgeheven, omdat schuldenares zelf haar verplichtingen kan nakomen.

Tot slot heeft schuldenares ter terechtzitting gesteld, en desgevraagd uitdrukkelijk herhaald, dat zij zelf ook uit de schuldsaneringsregeling wil. Zij stelt zelf haar financiële verplichtingen met haar schuldeisers weer aan te kunnen door maandelijks te gaan aflossen op haar schulden.

3 De beoordeling

De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om na drie jaar een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van € 54.067,91 niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen bovenmatige nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen.

De rechtbank oordeelt dat schuldenares toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen, nu zij haar informatie- en (aanvullende) sollicitatieverplichting niet naar behoren is nagekomen. Schuldenares heeft de bewindvoerder niet (tijdig) en volledig geïnformeerd. Daarnaast is schuldenares ruim veertien maanden tekortgeschoten in de nakoming van de sollicitatieverplichting. Voorts is schuldenares zonder toestemming van de bewindvoerder en de rechter-commissaris een onderneming gestart. Voorts acht de rechtbank het aannemelijk dat de beschermingsbewindvoerder het beschermingsbewind heeft beëindigd, omdat schuldenares een eigen onderneming is gestart. Een onderneming zonder een boekhouder, zonder verzekeringen en zonder ondernemingsplan is een bron van nieuwe schulden wat tevens de schuldsaneringsregeling in gevaar brengt.

Tevens heeft schuldenares een boedelachterstand van € 95,21 laten ontstaan. Schuldenares heeft deels een inkomen uit arbeid als inkomen vanuit een uitkering ontvangen waardoor zij aan de boedel dient af te dragen. Tevens is het aannemelijk dat schuldenares een nieuwe schuld heeft laten ontstaan nu de inkomsten, die schuldenares uit dienstbetrekking heeft, (nog) niet in mindering zijn gebracht op de Participatiewet-uitkering. Zodra dit wel gebeurt, zal dit tot een terugvordering van de teveel ontvangen uitkering leiden. Schuldenares heeft geen voorstel aangedragen om de boedelachterstand in te lopen. Het is niet gebleken dat schuldenares een reservering heeft gemaakt voor de verwachte terugvordering.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat schuldenares de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet langer wenselijk acht en derhalve een beroep doet op de zogenoemde spijtoptantenregeling.

Dat bovengenoemde tekortkomingen schuldenares niet te verwijten zijn, is onvoldoende aannemelijk geworden. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat schuldenares, in elk geval na de waarschuwingsbrief van de rechter-commissaris, van de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling goed op de hoogte moet zijn geweest.

De toepassing van de schuldsaneringsregeling zal daarom worden beëindigd op grond van artikel 350, derde lid, onder c, e en g, van de Faillissementswet.

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

De rechtbank stelt vast dat er geen baten beschikbaar zijn om daaruit vorderingen geheel of gedeeltelijk te voldoen. Er is daarom geen sprake van een faillissement van rechtswege zodra deze uitspraak in kracht van gewijsde gaat.

4 De beslissing

De rechtbank:

- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling;

- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 2.570,89.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.A. Cnossen, rechter, en in aanwezigheid van J. Hillen-Huizer, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2020.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.