Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5556

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-06-2020
Datum publicatie
25-06-2020
Zaaknummer
8344868 \ VV EXPL 20-76
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Huurachterstand. Ontruiming bedrijfsruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8344868 \ VV EXPL 20-76

uitspraak: 22 juni 2020

vonnis in kort geding van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

1. [eiser 1] ,

2. [eiser 2],

beiden wonende te [woonplaats eisers] ,

eisers,

gemachtigde: Rijnland Gerechtsdeurwaarders & Incasso te Spijkenisse,

tegen

[gedaagde]

,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 1] ,

gedaagde 1,

in het geding verschenen bij: de heer [gedaagde 2] ,

[gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagde 2,

procederend in persoon.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 6 maart 2020, met producties;

  • -

    het exploot van dagvaarding van 29 mei 2020, met producties.

1.2.

De mondelinge behandeling in deze zaak was aanvankelijk bepaald op 17 maart 2020. In verband met de coronacrisis heeft die zitting geen doorgang kunnen vinden. Om de mondelinge behandeling op 8 juni 2020 te laten plaatsvinden via Skype for business, hebben eisers gedaagden bij exploot van 29 mei 2020 opnieuw gedagvaard overeenkomstig de door de rechtbank aangeleverde tekst voor de oproeping voor een zitting via Skype voor business. De mondelinge behandeling heeft vervolgens alsnog fysiek plaatsgevonden op 8 juni 2020.

1.3.

Bij de mondelinge behandeling is eiser 1 in persoon verschenen, bijgestaan door de heer B.J. Oosterman (Rijnland Gerechtsdeurwaarders & Incasso), gemachtigde, die mede namens eiser 2 is verschenen. Gedaagde 2 is in persoon en mede namens gedaagde 1 verschenen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om de respectieve standpunten toe te lichten. Van hetgeen ter zitting is besproken, heeft de griffier aantekening gehouden. Die aantekeningen maken onderdeel uit van het procesdossier.

1.4.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van het navolgende:

2.1.

Tussen eisers als verhuurder en gedaagden als huurder bestaat sinds 1 april 2019 een huurovereenkomst ter zake de bedrijfsruimte aan het adres [adres] te Spijkenisse.

2.2.

Op de huurovereenkomst zijn algemene bepalingen van toepassing.

2.3.

De bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs bedraagt € 9.300,- per maand.

2.4.

De bedrijfsruimte wordt door gedaagden (gedeeltelijk) onderverhuurd aan mevrouw [naam persoon 1] h.o.d.n. [handelsnaam 1] en de heer [naam persoon 2] h.o.d.n. [handelsnaam 2] .

2.5.

Eisers hebben bij beschikking van deze rechtbank op 13 februari 2020 verlof gekregen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag onder ING Bank N.V., mevrouw [naam persoon 1] h.o.d.n. [handelsnaam 1] en de heer [naam persoon 2] h.o.d.n. [handelsnaam 2] en voorts voor het leggen van conservatoir beslag op de roerende zaken die zich bevinden in de bedrijfsruimte.

3. Het geschil

3.1.

Eisers hebben bij dagvaarding gevorderd bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden te veroordelen:

  • -

    om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte aan het [adres] te Spijkenisse met al het zijne/hare te ontruimen en te verlaten en door overgave van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van eisers te stellen;

  • -

    hoofdelijk, des dat de één betalend de ander voor dat deel zal zijn gekweten, om aan eisers tegen kwijting te betalen € 83.648,08;

  • -

    hoofdelijk, des dat de één betalend de ander voor dat deel zal zijn gekweten, om aan eisers tegen kwijting te betalen € 9.300,- voor iedere maand vanaf 1 juni 2020 zolang gedaagden in gebreke blijven met ontruiming van het gehuurde, een gedeelte van een maand te rekenen voor een hele, te vermeerderen met de contractuele boete van € 300,- per maand, voor iedere maand dat gedaagden de huur niet (tijdig) voldoen;

  • -

    in de proceskosten.

3.2.

Aan die vordering hebben eisers – naast voormelde vaststaande feiten, samengevat en voor zover relevant – het volgende ten grondslag gelegd:

3.2.1.

Gedaagden zijn in gebreke gebleven met (tijdige) betaling van de huurpenningen. Tot en met 31 mei 2020 bestaat een huurachterstand van € 60.700,-. Ondanks verzoeken tot betaling, is betaling uitgebleven. Eisers waren genoodzaakt om een incassogemachtigde in te schakelen. Omstreeks september 2019 hebben eisers verlof gekregen tot het leggen van diverse beslagen. Die beslagen zijn echter opgeheven, nadat partijen betalingsafspraken hebben gemaakt. Vervolgens zijn gedaagden die betalingsafspraken niet nagekomen. Eisers vorderen daarom € 4.594,21 aan kosten voor de voormalig incassogemachtigde, waaronder de kosten van de door deze gelegde beslagen, het griffierecht en de betekeningskosten. Op grond van artikel 28.1 van de algemene bepalingen maken eisers aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten van 15% van de hoofdsom, derhalve (€ 9.105,- exclusief btw) € 11.017,05 inclusief btw. Aangezien de huur niet (tijdig) is betaald, maken eisers op grond van artikel 23.2 van de algemene bepalingen aanspraak op de contractuele boete van € 300,- per maand, zijnde in totaal € 4.200,- berekend over een periode van veertien maanden tot de dag van de dagvaarding. Eisers hebben op 13 februari 2020 opnieuw verlof gekregen voor het leggen van diverse (derden)beslagen. Eisers vorderen de kosten ter verkrijging van het verlof en het leggen van de diverse (derden)beslagen ten bedrage van in totaal € 2.628,49.

3.2.2.

Eisers hebben spoedeisend belang bij hun vordering, omdat de huurachterstand niet is betwist, er geen restitutierisico is en de kosten aan de zijde van eisers doorlopen en de huurachterstand een aanzienlijk deel van het handelsvermogen van eisers raakt.

3.3.

Gedaagden hebben verweer gevoerd. Op dat verweer wordt – voor zover relevant – onder de beoordeling teruggekomen.

4. De beoordeling

4.1.

Voldoende is gebleken dat eisers een spoedeisend belang hebben bij de gevorderde voorziening, zodat eisers in zoverre ontvankelijk zijn in hun vordering.

4.2.

In dit kort geding dient, mede op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, te worden beoordeeld of de vordering van eisers in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Het navolgende behelst dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

Huur, contractuele boete en ontruiming bedrijfsruimte

4.3.

Gedaagden hebben de hoogte van de gestelde huurachterstand niet betwist. Het gevorderde bedrag ad € 60.700,- ligt dan ook voor toewijzing gereed.

4.4.

Het (tijdig) betalen van huur is een van de essentiële verplichtingen van de huurder die voortvloeit uit de huurovereenkomst. Vaststaat dat al geruime tijd vóór de coronacrisis een huurachterstand is ontstaan, die berekend tot 31 mei 2020 is opgelopen tot meer dan zes maanden achterstand. De ernst van die tekortkoming rechtvaardigt in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst. Vaststaat dat partijen al meerdere malen betalingsafspraken hebben gemaakt, die gedaagden telkens niet zijn nagekomen. Hoewel gedaagden ter zitting hebben aangevoerd dat er thans financiële ruimte is vrijgekomen om de lopende huur te betalen en de huurachterstand in termijnen af te lossen, hebben gedaagden die stelling op geen enkele wijze concreet onderbouwd, zodat die stelling gedaagden niet kan baten. Gedaagden hebben verder geen omstandigheden gesteld, op grond waarvan ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd zou zijn.

Het voorgaande in aanmerking nemende, acht de kantonrechter de kans aanzienlijk dat bij deze stand van zaken de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in een (eventuele) bodemprocedure zal worden toegewezen, zodat het gerechtvaardigd is daar thans op vooruit te lopen. De gevorderde ontruiming zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn wordt vastgesteld op zeven dagen.

4.5.

Eiser kunnen op grond van artikel 23.2 van de toepasselijke algemene bepalingen aanspraak maken op een contractuele boete van € 300,- per maand indien de huur niet of niet tijdig is betaald. Gedaagden hebben ter zitting niet betwist dat de huur over een periode van veertien maanden niet of niet tijdig is betaald. Gedaagden hebben echter niet gesteld, laat staan onderbouwd, hoe veel en welke huurtermijnen wel tijdig zijn betaald. Dat had wel op de weg van gedaagden gelegen. Nu gedaagden hun verweer niet hebben onderbouwd, wordt het verweer verworpen. Het gevorderde bedrag ad € 4.200,- wordt dan ook toegewezen.

4.6.

De vordering tot betaling van de huurtermijnen vanaf 1 juni 2020 tot de ontruiming van de bedrijfsruimte is als onbetwist toewijsbaar. De gevorderde contractuele boete over die termijnen komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, aangezien thans niet vaststaat dat gedaagden in verzuim zullen verkeren ter zake de betaling van die huurtermijnen.

Kosten voormalig incassogemachtigde

4.7.

Eisers hebben ter zitting toegelicht dat partijen omstreeks september 2019 mondeling hebben afgesproken dat gedaagden de huurschuld voor het einde van 2019 zouden vereffenen, dat eisers gelet daarop de beslagen hebben opgeheven met de afspraak dat gedaagden de kosten voor de voormalig incassogemachtigde (waaronder de beslagkosten) zouden betalen. Gedaagden hebben ter zitting bevestigd dat er mondelinge afspraken zijn gemaakt en gesteld dat het zou kunnen dat er afspraken zijn gemaakt over die deurwaarderskosten.

De kantonrechter stelt vast dat gedaagden de gestelde mondelinge afspraak ten aanzien van de deurwaarderskosten niet hebben betwist. Dat brengt mee dat in rechte vaststaat dat gedaagden hebben afgesproken dat zij die kosten zouden betalen aan eisers. Het gevorderde bedrag ad € 4.594,21 ligt dan ook voor toewijzing gereed.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.8.

Op grond van artikel 28.1 van de toepasselijke algemene bepalingen kunnen eisers aanspraak maken op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van 15% van de hoofdsom. In dit geval betreft het een bedrag ad € 11.017,05 inclusief btw. Gedaagden hebben geen verweer gevoerd. Het gevorderde bedrag is daarom toewijsbaar.

Toewijsbaar bedrag

4.9.

Gelet op het voorgaande zullen de volgende bedragen worden toegewezen: € 60.700,- aan achterstallige huur berekend tot en met 31 mei 2020, € 4.200,- aan contractuele boete, € 4.594,21 aan kosten voor de voormalig incassogemachtigde en € 11.017,05 aan buitengerechtelijke incassokosten. Het toe te wijzen bedrag bedraagt dus in totaal € 80.511,26.

Kosten conservatoir (derden)beslag februari 2020

4.10.

Ingevolge het bepaalde in artikel 706 Rv komen de beslagkosten als onbetwist voor toewijzing in aanmerking op de volgende wijze. Aan betekeningskosten zal een bedrag van in totaal € 1.360,81 worden toegewezen. Het toewijsbare griffierecht van het beslagrekest is vastgesteld op € 304,-. Hoewel eisers de volledige advocaatkosten hebben gevorderd, is overeenkomstig het geldende liquidatietarief slechts een bedrag van € 543,- (1 punt) aan salaris toewijsbaar. Dat bedrag zal worden toegewezen.

(Overige) proceskosten

4.11.

Gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de overige proceskosten. In de onderhavige procedure geldt voor eisers een griffierecht van € 499,-. Ingevolge artikel 11 Wgbz wordt op het griffierecht van de onderhavige procedure het griffierecht van het beslagrekest in mindering gebracht. Dat betekent dat het griffierecht, dat nu voor rekening van gedaagden komt, wordt begroot op € 195,-. De overige proceskosten worden begroot op € 212,94 aan explootkosten en € 721,- aan gemachtigdensalaris.

5. De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de één betaalt de ander voor dat deel zal zijn gekweten, aan eisers te betalen € 80.511,26;

veroordeelt gedaagden om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfsruimte aan het [adres] te Spijkenisse met al het zijne/hare te ontruimen en te verlaten en door overgave van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van eisers te stellen;

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de één betaalt de ander voor dat deel zal zijn gekweten, aan eisers te betalen € 9.300,- voor iedere maand, te rekenen vanaf 1 juni 2020 zolang gedaagden in gebreke blijven met ontruiming van de bedrijfsruimte, een gedeelte van een maand te rekenen voor een hele;

veroordeelt gedaagden in de proceskosten, die van het beslag daaronder begrepen, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eisers vastgesteld op € 2.207,81 aan beslagkosten, € 407,94 aan verschotten en € 721,- aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

34286