Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:554

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
08-01-2020
Datum publicatie
27-01-2020
Zaaknummer
C/10/569799 / FA RK 19-2169
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De stiefvader is onderhoudsplichtig jegens de tot zijn gezin behorende minderjarige stiefkinderen.

De behoefte van de minderjarigen moet daarom worden verdeeld over de man, de vrouw en de stiefvader.

Rekening wordt gehouden met de volledige onderhoudsverplichting van de stiefvader jegens zijn eigen kinderen en de volledige aflossing van een schuld aan Defam, omdat deze verplichtingen voor de stiefvader al bestonden voordat hij in het huwelijk trad met de vrouw.

Gelet op de recente huwelijksdatum en de omstandigheid dat de minderjarigen slechts de helft van de tijd bij het gezin van de stiefvader doorbrengen, wordt op beperkte wijze rekening gehouden met zijn draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0040
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/569799 / FA RK 19-2169

Beschikking van 8 januari 2020 betreffende de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage

in de zaak van:

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

advocaat mr. H. Durdu te Rotterdam,

t e g e n

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

advocaat mr. J. van Dijk te Oud-Beijerland.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 12 maart 2019;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met bijlagen, ingekomen op

8 mei 2019;

  • -

    het verweerschrift op het zelfstandig verzoek;

  • -

    de brieven met bijlagen van de zijde van de vrouw van 5 december 2019 en

6 december 2019;

- de brief met bijlagen van de zijde van de man van 6 december 2019.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 16 december 2019.

Bij die gelegenheid zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. Durdu;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. Van Dijk;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

2 De vaststaande feiten

2.1.

Het huwelijk van partijen is op 10 juni 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 28 april 2015 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:

[naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2008 te [geboorteplaats minnderjarige] ;

[naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2010 te [geboorteplaats minnderjarige] ;

[naam minderjarige 3] ; geboren op [geboortedatum minderjarige 3] 2013 te [geboorteplaats minnderjarige] .

2.3.

Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

2.4.

De minderjarigen staan ingeschreven op het adres van de vrouw.

2.5.

Partijen hebben op 19 februari 2015 een ouderschapsplan opgesteld.

2.6.

In het ouderschapsplan zijn partijen overeengekomen dat de man aan de vrouw een kinderbijdrage van in totaal € 200,- per maand betaalt. Daarnaast is afgesproken dat de man maandelijks € 150,- en de vrouw € 50,- stort op de gezamenlijke kindrekening. Deze afspraak is na de echtscheiding in samenspraak tussen partijen gewijzigd, in die zin dat de vrouw geen bijdrage op de kindrekening stort en de bijlage van de man is verlaagd tot € 100,- per maand.

2.7.

De man betaalt op dit moment een kinderbijdrage van € 209,- per maand aan de vrouw en stort € 104,- per maand op de kindrekening.

2.8.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3 De beoordeling

3.1.

Zorgregeling

3.1.1.

Partijen verzoeken over en weer de door ieder van hen voorgestelde regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vast te stellen.

3.1.2.

In het ouderschapsplan hebben partijen onder artikel 3. als uitgangspunt gelijkwaardig ouderschap opgenomen. In het ouderschapsplan is geen concrete zorgregeling vastgelegd.

3.1.3.

Het staat partijen in de gegeven omstandigheden vrij om de rechtbank te verzoeken de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling nader in te vullen. De rechtbank gaat over tot beoordeling van de verzoeken van partijen.

3.1.4.

De vrouw is het grotendeels eens met het verzoek van de man. In geschil is of [naam minderjarige 3] net als [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] de donderdag bij de man verblijft en of partijen met betrekking tot de verdeling van de zorg in de vakanties spreken over schooljaren of over even/oneven jaren.

3.1.5.

Met de raad is de rechtbank van oordeel dat [naam minderjarige 3] met [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] naast de maandag ook de donderdag bij de man moet verblijven. Hierdoor wordt recht gedaan aan het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap zoals partijen voorstaan en zoals opgenomen in het ouderschapsplan. Dat [naam minderjarige 3] moeite heeft om een aantal dagen haar moeder te missen, is begrijpelijk maar geen grond voor wijziging van de op dit punt al jaren uitgevoerde zorgregeling. Niet uitgesloten is dat [naam minderjarige 3] zich, gelet op haar leeftijd, in een loyaliteitsconflict bevindt. Zij geeft ook bij de man aan dat zij langer bij hem wil blijven op het moment dat zij weer terug naar de vrouw gaat. Het is belangrijk dat partijen aan [naam minderjarige 3] laten weten dat deze zorgregeling door haar ouders is afgesproken en ook op deze wijze wordt uitgevoerd. Daarbij komt dat het niet in het belang is van [naam minderjarige 3] haar, gelet op haar jonge leeftijd, de keuze te geven waar zij wil verblijven.

3.1.6.

Wat betreft de verdeling van de zorg in de vakanties en op feestdagen lijkt het geschil alleen te zien op de term “schooljaren” zoals de man hanteert en de term “even/oneven jaren” zoals de vrouw gebruikt. De man heeft zijn belang bij de term “schooljaren” nader onderbouwd. Zijn nieuwe partner heeft met haar ex-partner een gelijke regeling met betrekking tot hun kinderen afgesproken zodat het in het belang van de man is dat de regeling waarbij gesproken wordt van schooljaren gehandhaafd blijft. Dit belang van de man bij handhaving van deze term weegt naar het oordeel van de rechtbank zwaarder dan het belang van de vrouw dat daarin bestaat dat zij de vrije dagen op haar werk op de on- dan wel even jaren kan afstemmen.

Het voorstel van de vrouw ter zitting om, met uitzondering van de herfst- en voorjaarsvakantie, voor de overige vakanties op te nemen dat de minderjarigen het ene jaar alle eerste weken bij de ene ouder zijn en de laatste weken bij de andere ouder en het andere jaar andersom, wordt ook verzocht door de man. Over dat punt bestaat geen discussie.

Hieruit volgt dat de door de man verzochte zorgregeling wordt toegewezen, met dien verstande dat de regeling ten aanzien van de Kerstdagen worden aangevuld zoals voorgesteld door de vrouw, te weten dat een overnachting bij de betreffende ouder plaatsvindt en dat het wisselmoment op de tweede Kerstdag 12:00 uur zal zijn. Dit acht de rechtbank in belang van de minderjarigen en van een gemotiveerd verweer van de man tegen deze precieze invulling is niet gebleken.

Tot slot zal de rechtbank bepalen dat de minderjarigen Moederdag bij de vrouw en Vaderdag bij de man doorbrengen. De man heeft hiermee ter zitting ingestemd.

3.2.

Onderhoudsbijdrage

3.2.1.

De man verzoekt de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 7 januari 2019 op nihil te stellen. De rechtbank begrijpt het verzoek van de man zo, dat hij wijziging vraagt van voormelde beschikking van

28 april 2015 en voormeld echtscheidingsconvenant/ouderschapsplan van 19 februari 2015

in die zin, dat de in dat echtscheidingsconvenant/ouderschapsplan overeengekomen

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen en de daarna in samenspraak gewijzigde bijdrage met ingang van 7 januari 2019 wordt bepaald op nihil.

3.2.2.

De vrouw voert gemotiveerd verweer.

3.2.3.

Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

Op grond van lid 5 kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

3.2.4.

Uit de stellingen van de man volgt voor de rechtbank niet, ook niet als de rechtbank de rechtsgronden ambtshalve aanvult, dat hij zich beroept op artikel 1:401 lid 5 BW. In zijn uitspraak van 23 december 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BU1709) oordeelt de Hoge Raad dat op grond van lid 1 een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud reeds kan worden gewijzigd, wanneer zij nadien door een wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Daartoe is - anders dan in het geval waarop de mogelijkheid tot wijziging of intrekking van de overeenkomst van lid 5 het oog heeft, te weten dat zich sinds het aangaan van de overeenkomst geen wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan - niet vereist dat de overeenkomst betreffende levensonderhoud is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

De rechtbank beoordeelt het verzoek daarom op grond van lid 1.

3.2.5.

Naar de rechtbank begrijpt stelt de vrouw (ook) voor lid 1 dat een hogere drempel geldt voor het wijzigen van de overeenkomst omdat partijen bij het aangaan van de overeenkomst bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven.

In navolging van het hof Den Haag (uitspraak van 28 maart 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:798) oordeelt de rechtbank dat het bij de uitleg van de tussen partijen aangegane alimentatieovereenkomst aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen in de overeenkomst mochten toekennen en op wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, en dat van een afwijking pas sprake kan zijn als partijen op de hoogte waren van de wettelijke maatstaven en daarvan bewust zijn afgeweken. Tot de wettelijke maatstaven behoren de kosten van de kinderen.

De vrouw stelt ter zitting dat de kinderbijdrage is vastgesteld zonder behoefteberekening. De rechtbank volgt de vrouw daarom niet in haar standpunt dat partijen op de hoogte waren van tot welke bedragen de wettelijke maatstaven in hun geval leidden en dat zij daarvan bewust zijn afgeweken.

3.2.6.

Met inachtneming van het voorgaande beoordeelt de rechtbank of lid 1 reden geeft tot het wijzigen van de overeenkomst. Daarbij betrekt de rechtbank dat niet elke wijziging van omstandigheden voldoende is voor wijziging. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant.

3.2.7.

De omstandigheden zijn gewijzigd in rechtens relevant opzicht. De situatie die partijen voor ogen hadden bij het overeenkomen van de kinderbijdrage van in totaal € 350,- per maand (en later € 313,- per maand) is gewijzigd. Vaststaat dat de vrouw op

7 januari 2019 is gehuwd met haar nieuwe partner. Hij is als stiefvader met de vrouw en de man onderhoudsplichtig voor de minderjarigen. Daarnaast is het inkomen van de vrouw flink toegenomen. Deze rechtens relevante wijzigingen van omstandigheden maken dat een volledige herbeoordeling van de kinderbijdrage (waaronder de behoefte en draagkracht van alle onderhoudsplichtigen) dient plaats te vinden aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden.

3.2.8.

Anders dan de vrouw, is de rechtbank van oordeel dat de draagkracht van de stiefvader in deze herbeoordeling moet worden meegenomen. De minderjarigen zijn ingeschreven op het adres van de vrouw en de stiefvader. De omstandigheid dat partijen een co-ouderschapsregeling hebben afgesproken maakt dat de minderjarigen tot twee gezinnen behoren, dus ook tot het gezin van de stiefvader. Dit maakt hem op grond van artikel 1:392 lid 1 c en 1:395 BW onderhoudsplichtig jegens de minderjarigen. In beginsel zijn de onderhoudsverplichtingen van gelijke rang.

Op grond van artikel 1:397 lid 2 BW geldt dat de omvang van ieders onderhoudsverplichting dan afhangt van de omstandigheden van het geval, waarbij als belangrijke factoren in het bijzonder gelden het gegeven dat tussen de ouder en het kind een nauwere verwantschap bestaat dan tussen de stiefouder en het stiefkind, wat de draagkracht is van de ouder en van de stiefouder, en de feitelijke verhouding van het kind tot ieder van de onderhoudsplichtigen ( HR 13 juli 2012, NJ 2012, 498).

Gelet op de recente datum van het huwelijk en de omstandigheid dat de minderjarigen maar de helft van de tijd bij de stiefvader doorbrengen, zal de rechtbank op beperkte wijze rekening houden met de draagkracht van de stiefvader zoals hierna onder 3.2.23 vermeld.

3.2.9.

De rechtbank houdt geen rekening met de draagkracht van de nieuwe partner van de man, omdat zij geen stiefouder is in de zin van de wet.

De behoefte

3.2.10.

Tussen partijen is niet in geschil dat in 2019 de behoefte van de minderjarigen

€ 846,- per maand, zijnde € 282,- per kind per maand bedraagt.

3.2.11.

Gelet op de verzochte, onweersproken, ingangsdatum van 7 januari 2019, ziet de rechtbank geen aanleiding voornoemd bedrag te indexeren.

Draagkracht van de onderhoudsplichtigen

3.2.12.

Beoordeeld moet worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de verschillende onderhoudsplichtigen (de man, de vrouw en de stiefvader) moet worden verdeeld. Dit gebeurt naar rato van ieders draagkracht.

3.2.13.

Hiertoe moet eerst het huidige netto besteedbaar inkomen (NBI) van de verschillende onderhoudsplichtigen vastgesteld worden. De man heeft in zijn berekeningen, ondanks de (onweersproken) verzochte ingangsdatum van 7 januari 2019, de tarieven van 2019-2 toegepast. Hiertegen is door de vrouw geen verweer gevoerd. De rechtbank zal ook rekenen met de tarieven van 2019-2. Hierbij is in aanmerking genomen dat partijen het op een aantal onderdelen (zoals de behoefte van de minderjarigen in 2019 en het NBI van de vrouw in 2019) eens zijn en hierbij ook uitgegaan is van 2019-2.

Draagkracht van de man

3.2.14.

De rechtbank bepaalt (onder verwijzing naar de aan deze beschikking gehechte berekening) het NBI van de man over het jaar 2019 aan de hand van een winst van

€ 37.161,- op € 2.871,- per maand. De rechtbank is hiervoor uitgegaan van het netto bedrijfsresultaat zoals blijkt uit de jaarrekening 2018. Hierbij is in aanmerking genomen dat volgens de man zijn prognose over 2019 nagenoeg gelijk is aan het resultaat van 2018 en hij als fysiotherapeut maar een maximaal aantal klanten per dag kan behandelen. Dat deze winst € 36.205,- moet zijn zoals de man stelt, is door hem niet althans onvoldoende gemotiveerd.

3.2.15.

De volgende ondernemersaftrek is in aanmerking genomen:

- zelfstandigenaftrek van € 7.280,-.

3.2.16.

Anders dan de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de man geen aanspraak meer kan maken op een startersaftrek. Uit het meerjarenoverzicht in de jaarrekening van 2018 blijkt dat de man in ieder geval al vanaf 2015 een eigen onderneming heeft. De startersaftrek is van toepassing indien men in één of meer van de vijf voorafgaande kalenderjaren geen ondernemer was en men in die periode niet meer dan twee keer zelfstandigenaftrek toepaste.

Gesteld noch gebleken is dat hiervan in de onderhavige situatie sprake is.

3.2.17.

De MKB-winstvrijstelling bedraagt € 4.183,-.

3.2.18.

Geen rekening is gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigen woningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente etc.).

De volgende heffingskortingen zijn in aanmerking genomen:

- de algemene heffingskorting

- de arbeidskorting

- de inkomensafhankelijke combinatiekorting

Net als de vrouw houdt de rechtbank aan de zijde van de man rekening met de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Gelet op de leeftijd van de kinderen onder de twaalf jaar en de tussen partijen afgesproken co-ouderschapsregeling waarbij partijen de zorg over de minderjarigen zoveel mogelijk gelijkelijk delen, wordt de man geacht in aanmerking te komen voor genoemde combinatiekorting. Het gaat er hierbij om dat hij de minst verdiende partner is en niet of hij alleenstaande ouder is.

Tenslotte is rekening gehouden met de door de man op aanslag verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet van € 1.465,-.

3.2.19.

De vrouw voert aan dat aan de zijde van de man sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Het NBI van de man ten tijde van het uiteengaan van partijen in 2014 berekent de vrouw op € 2.690,- en is dus lager dan zijn huidige NBI van € 2.871,-. Van verwijtbaar inkomensverlies omdat hij voor zichzelf is gaan werken is daarom geen sprake.

3.2.20.

De draagkracht van de man wordt, omdat het NBI hoger is dan € 1.625,- vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 950)] en bedraagt € 741,- per maand.

Draagkracht van de vrouw

3.2.21.

Partijen zijn het erover eens dat het NBI van de vrouw € 2.262,- per maand bedraagt.

3.2.22.

Haar draagkracht wordt, omdat het NBI hoger is dan € 1.625,- vastgesteld aan de hand van de volgende formule: 70% x [NBI – (0,3xNBI + 950)] en bedraagt € 443,- per maand.

Draagkracht van de stiefvader

3.2.23.

De man stelt het NBI van de stiefvader aan de hand van de overlegde jaaropgave 2018 op € 4.311,- per maand. De vrouw heeft dit NBI niet weersproken, zodat de rechtbank hiervan zal uitgaan.

3.2.24.

Onweersproken is dat de stiefvader een kinderbijdrage van € 323,- per maand betaalt voor zijn oudste kind en € 161,50 per maand voor zijn jongste kind. Omdat dit jongste kind twee dagen per week en om het weekend in het gezin van de vrouw en de stiefvader verblijft, dient ook rekening te worden gehouden met de voor dit kind te betalen verblijfskosten. Deze worden vastgesteld op € 161,50 per maand. Ook voor het jongste kind heeft de stiefvader kosten van € 323,- per maand. De totale door de stiefvader voor zijn kinderen te betalen kosten bedragen daardoor € 646,- (2 x € 323,- ) per maand. Daarnaast betaalt de stiefvader € 144,53 per maand (afgerond € 144,-) af aan een persoonlijke lening van Defam, die blijkens de jaaropgave 2018 in ieder geval bestond op 31 december 2018. De rechtbank ziet aanleiding om een correctie op het in voormelde formule opgenomen draagkrachtloos inkomen toe te passen van € 790,- per maand, nu de verplichtingen tot betaling van genoemde bedragen reeds zijn ontstaan voordat de stiefvader door zijn huwelijk met de vrouw onderhoudsplichtig werd voor de minderjarigen.

De rechtbank zal de draagkracht van de stiefvader daarom baseren op de formule

70% x [NBI – (0,3xNBI + 950 + 323 + 323 + 144)] en bedraagt € 894,- per maand.

Zoals onder 3.2.8 is overwogen ziet de rechtbank in de gegeven omstandigheden aanleiding om op beperkte wijze rekening te houden met de draagkracht van de stiefvader.

De rechtbank acht het redelijk dat van de berekende draagkracht van de stiefvader een kwart, te weten € 224,- beschikbaar wordt voor de minderjarigen. Dit bedrag wordt meegenomen in de draagkrachtvergelijking tussen de onderhoudsplichtigen.

Draagkrachtvergelijking

3.2.25.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van alle onderhoudsplichtigen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen moet de behoefte over de onderhoudsplichten worden verdeeld. Ieders aandeel wordt berekend volgens de formule:

ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het deel van de man bedraagt: € 741,- / € 1.408,- x € 846,- = € 445,-

het deel van de vrouw bedraagt: € 443,- / € 1.408,- x € 846,- = € 266,-

het deel van de stiefvader bedraagt: € 224,-/ € 1.408,- x € 846,- = € 135,- +

samen € 846,-

Van de totale behoefte van de minderjarigen komt dus een gedeelte van € 445,- per maand ofwel € 148,- per maand per kind voor rekening van de man, een gedeelte van € 266,- per maand ofwel € 89,- per maand per kind voor rekening van de vrouw en een gedeelte van

€ 135,- per maand ofwel € 45,- per maand per kind voor rekening van de stiefvader.

Zorgkorting

3.2.26.

De man stelt aanspraak te kunnen maken op toepassing van een zorgkorting van 50%, gelet op de lopende co-ouderschapsregeling. De vrouw voert verweer.

3.2.27.

Bij de lopende en nu vast te stellen zorgregeling hoort een maximale zorgkorting van 35%, zodat de rechtbank dit percentage toepast.

3.2.28.

Omdat de behoefte van de minderjarigen € 846,- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 296,- per maand.

3.2.29.

Omdat de gezamenlijke draagkracht van de onderhoudsplichtigen hoger is dan de behoefte van de minderjarigen, wordt de eerder berekende bijdrage van de man verminderd met dit bedrag (€ 445,- min € 296,-), zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw moet betalen € 149,- per maand.

Conclusie

3.2.30.

Gezien het voorgaande is een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen van € 50,- per kind per maand (afgerond) in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De verblijfsoverstijgende kosten zijn voor rekening van de vrouw en van de kindrekening is geen sprake meer.

3.2.31.

Op deze alimentatie is van rechtswege de wettelijke indexering van toepassing.

3.2.32.

De vrouw verweert zich niet tegen de verzochte ingangsdatum, zodat de kinderbijdrage met ingang van die datum, te weten 7 januari 2019, zal worden gewijzigd.

3.3.

Proceskosten

3.3.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2015 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 19 februari 2015 in die zin dat de tussen partijen overeengekomen regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken nader wordt ingevuld als volgt:

  • -

    de minderjarigen verblijven iedere maandag en donderdag, alsmede in de oneven weken van vrijdag uit school tot maandag bij de man en de overige dagen van de reguliere weken bij de vrouw;

  • -

    de minderjarigen verblijven iedere voorjaarsvakantie bij de man;

  • -

    de minderjarigen verblijven iedere herfstvakantie bij de vrouw;

  • -

    de minderjarigen verblijven de eerste helft van de overige schoolvakanties in 2019/2020 bij de vrouw;

  • -

    de minderjarigen verblijven de tweede helft van de overige schoolvakanties in 2019/2020 bij de man;

  • -

    de minderjarigen verblijven de eerste helft van de overige schoolvakanties in 2020/2021 bij de man;

  • -

    de minderjarigen verblijven de tweede helft van de overige schoolvakanties in 2020/2021 bij de vrouw; enzovoorts;

  • -

    de minderjarigen verblijven de tweede Kerstdag bij de ouder waarbij zij in die vakantieweek niet zijn, waarbij op de Kerstdagen een overnachting plaatsvindt en het wisselmoment op tweede Kerstdag rond 12:00 uur zal zijn;

  • -

    de minderjarigen verblijven op Vaderdag bij de man;

  • -

    de minderjarigen verblijven op Moederdag bij de vrouw;

4.2.

wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 april 2015 en het daarin opgenomen ouderschapsplan van 19 februari 2015 alsmede de nadien gemaakte afspraken in die zin dat de tussen partijen overeengekomen door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van 7 januari 2019 wordt bepaald op € 50,- per maand per kind;

4.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draag;

4.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E. van Alebeek-Baars op

8 januari 2020.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.