Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5514

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
83/187378-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schuldwitwassen, ts 100 uren.

De veroordeelde heeft zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen door de Wajonguitkering van haar zus – die van misdrijf afkomstig was – op haar rekening te ontvangen. In totaal werd € 32.638,38 aan uitkering ten onrechte uitbetaald. Zie ook ECLI:NL:RBROT:2020:5513

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 83/187378-19

Datum uitspraak: 16 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. A. Heida, advocaat te Dordrecht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 juni 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. T.M. Rethmeier heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder b ten laste gelegde schuldwitwassen;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde, omdat zij niet wist of moest vermoeden dat de op haar rekening ontvangen Wajonguitkering van haar zus van misdrijf afkomstig was. De verdachte heeft verklaard dat haar ouders uit voorzorg hebben besloten om het rekeningnummer – waar de Wajonguitkering op werd ontvangen – te wijzigen in het rekeningnummer van de verdachte, zodat de uitkering niet bij de schoonzus van haar zus terecht kon komen.

4.1.2.

Beoordeling

Zowel de officier van justitie als de raadsvrouw zijn van mening dat het onder a ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank volgt hen hierin en spreekt de verdachte vrij van het onder a ten laste gelegde.

Bij vonnis van 16 juni 2020 is de zus van verdachte veroordeeld voor het overtreden van artikel 227b van het wetboek van Strafrecht, omdat zij opzettelijk heeft nagelaten haar verhuizing naar Londen aan het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) door te geven, terwijl zij wist dat dit van belang was voor de vaststelling van haar recht op een Wajonguitkering. Hierdoor heeft de zus van de verdachte vanaf 1 januari 2009 een Wajonguitkering genoten, terwijl zij daar geen recht op had. Het UWV heeft een op 24 juli 2013 ondertekend wijzigingsformulier op naam van de zus van de verdachte ontvangen, waarin het rekeningnummer waarop de Wajonguitkering wordt uitgekeerd, werd gewijzigd in een rekeningnummer dat op naam staat van de verdachte. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat zij het wijzigingsformulier heeft ingevuld en dat zij wist dat haar zus was verhuisd naar Londen. Op het wijzigingsformulier wordt, direct boven de kolom waar het rekeningnummer van de verdachte is ingevuld, gevraagd of de uitkeringsgerechtigde is verhuisd naar het buitenland. Het kan niet anders dan dat de verdachte deze vraag heeft gezien. Zij had zich moeten realiseren dat een verhuizing van invloed kan zijn op het recht op uitkering. Gelet op deze omstandigheden heeft de verdachte minst genomen moeten vermoeden dat het geld van de uitkering – dat vanaf dat moment op de bankrekening van de verdachte werden gestort – van misdrijf afkomstig was.

Op deze wijze heeft de verdachte gedurende een langere periode geldbedragen die van misdrijf afkomstig waren verworven en voorhanden gehad. De verdachte heeft de geldbedragen daarnaast overgedragen door deze via de bank aan haar zus over te maken en door deze contant op te nemen en over te dragen aan haar zus als zij in Nederland was. Dat deze constructie - volgens de verdachte – op initiatief van haar ouders zou zijn opgezet, doet aan deze conclusie geenszins af.

Het verweer wordt verworpen voor zover het betrekking heeft op het onder b ten laste gelegde.

4.1.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het onder b ten laste gelegde heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder b ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op meer tijdstippen, in de periode van 24 juli 2013 tot en met 1 mei 2016 te Sliedrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

b) telkens voorwerp(en), te weten:

- geldbedragen van in totaal 32.638,38 euro, (Wajong-uitkering ten name van [naam zus verdachte] ), heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen ,

terwijl zij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van schuldwitwassen, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schuldwitwassen door de Wajonguitkering van haar zus – die van misdrijf afkomstig was - door het UWV op haar rekening te laten storten en in totaal een bedrag van € 32.638,38 daarvan af te halen. Door haar handelen heeft de verdachte het door haar zus gepleegde strafbare feit gefaciliteerd. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat zij zich onvoldoende kritisch heeft opgesteld en zonder nader onderzoek heeft gehandeld door haar bankrekening ter beschikking te stellen en bedragen daarvan af te halen. Daarmee heeft zij bevorderd dat gelden werden onttrokken aan het stelsel van sociale zekerheid, bedoeld voor diegenen in de samenleving die niet in staat zijn om op eigen kracht middelen van bestaan te verwerven.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 maart 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gelet op de ernst van het feit en de hoogte van het witgewassen geldbedrag kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een taakstraf. Bij de bepaling van de duur van de taakstraf heeft de rechtbank acht geslagen op de eis van de officier van justitie en de straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57 en 420quater van het Wetboek van Strafrecht.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,

en mrs. S.E.C. Debets en A. Bonder, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.D.B. Reuter, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juni 2020.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij, op één of meer(dere) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 24 juli 2013 tot en met 1 mei 2016 te Sliedrecht en/of Eindhoven, in elke geval in Nederland,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

a. a) (telkens) van één of meerdere voorwerp(en), te weten:
- een geldbedrag van 32.628,38 euro, in elk geval (een) (of meer) geldbedrag(en) (Wajong-uitkering ten name van [naam zus verdachte] ),
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding, de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op genoemde voorwerpen was/waren, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie genoemde voorwerpen heeft/hebben gehad,

terwijl zij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

en/of
b) (telkens) één of meerdere voorwerp(en), te weten:

- een geldbedrag van 32.628,38 euro, in elk geval (een) (of meer) geldbedrag(en) (Wajong-uitkering ten name van [naam zus verdachte] ), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, althans van één of meerdere voorwerp(en), te weten vorengenoemd(e) goed(eren) en/of gelbedrag(en) gebruik heeft gemaakt,

terwijl zij, verdachte, wist althans redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.