Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5511

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
10/996547-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

10 maanden gevangenisstraf, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft zich gedurende een periode van circa vijf jaar schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van aangiften inkomstenbelasting voor derden. Hij heeft in die aangiften telkens aftrekposten vermeld betreffende zorgkosten en/of giften, terwijl hij wist dat de belastingplichtigen deze kosten niet hadden gemaakt en de giften niet waren gedaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/996547-18

Datum uitspraak: 16 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte]

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. W.J. Vroegindeweij, advocaat te Den Haag.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 2 juni 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.C. Schaafsma heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

De verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, omdat de verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan het valselijk invullen van belastingaangiften. Voorts heeft de verdachte aangevoerd dat zijn onderbuurman [naam onderbuurman] – tevens zwager van de verdachte (hierna: onderbuurman) – gebruik maakt van zijn wifi-netwerk en dat hij gebruik maakt van een telefoonnummer [gsm-nummer] , dat op naam staat van de verdachte. Niet kan worden uitgesloten dat de onderbuurman de in de tenlastelegging genoemde belastingaangiften valselijk heeft ingevuld.

Beoordeling

Het door de verdachte voorgestelde alternatief scenario acht de rechtbank niet aannemelijk.

De getuigen [naam getuige 1] , [naam getuige 2] , [naam getuige 3] en [naam getuige 4] hebben de verdachte herkend op een van hem getoonde foto als zijnde [naam verdachte] die hun belastingaangiften verzorgde. Volgens de verdachte lijkt de onderbuurman niet op hem. Getuige [naam getuige 1] heeft daarnaast verklaard dat hij de verdachte ter bespreking van zijn belastingaangifte heeft ontmoet in een belhuis aan de [adres 1] te Rotterdam. Vaststaat dat vanuit dit belhuis veelvuldig op dezelfde wijze belastingaangiften zijn gedaan. Getuige [naam getuige 4] heeft verklaard dat hij in een belhuis aan de [adres 2] kwam om met de verdachte belastingaangifte te doen. Over het belhuis aan de [adres 2] heeft de verdachte verklaard dat hij daar regelmatig kwam.

Daarnaast hebben getuigen [naam getuige 5] , [naam getuige 4] en [naam getuige 2] verklaard dat zij het telefoonnummer [gsm-nummer] gebruikten om met [naam verdachte] in contact te komen. Dit telefoonnummer is op naam gesteld van de verdachte. Uit tapgesprekken blijkt bovendien dat de gebruiker van dit telefoonnummer [naam verdachte] wordt genoemd en niet [naam onderbuurman] zoals de onderbuurman heet.

Voorts heeft getuige [naam getuige 1] verklaard [naam verdachte] te kennen via stichting [naam stichting] , een stichting waarover de verdachte heeft verklaard dat hij daar regelmatig kwam om mensen te helpen met kwijtscheldingsformulieren. Dit terwijl zijn onderbuurman, voor zover de verdachte weet, niets met stichting [naam stichting] te maken heeft.

Het dossier bevat overigens geen enkel aanknopingspunt dat een ander dan de verdachte gebruikmakend van zijn telefoon, zijn IP-adres en IP-adressen van de genoemde belhuizen in de buurt van verdachtes woning, voor anderen valselijk belastingaangiften heeft gedaan. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan dit alternatief scenario.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 28 februari 2013 tot en met 6 maart 2018 in de gemeente Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen,

meermalen een digitale aangifte voor de Inkomstenbelasting, Premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, te weten:

-ten name van [naam slachtoffer 1] aangiften IB over de aangiftetijdvakken 2013 (DOC-036a) en 2014 (DOC-36b) en 2015 (DOC-036c) en 2016 (DOC-036g) en 2017 (DOC-036i) enf

-ten name van [naam slachtoffer 2] aangiften over de aangiftetijdvakken 2012 (DOC-017a) en 2013 (DOC-017d) en 2014 (DOC-017k) en 2015 (DOC-017l) en 2016 (DOC-017m), en

-ten name van [naam slachtoffer 3] aangiften IB over de aangiftetijdvakken 2014 (DOC-026a) en 2015 (DOC-026e) en 2016 (DOC-026i), en

-ten name van [naam slachtoffer 4] aangiften IB over de aangiftetijdvakken 2013 (DOC-35a) en 2014 (DOC-35e) en 2015 (DOC-35f) en 2016 (DOC-035i) en 2017 (DOC-035h), en

-ten name van [naam slachtoffer 5] aangiften IB over de aangiftetijdvakken 2013 (DOC-019a) en 2014 (DOC-019f), en 2015 (DOC-019i) en 2016 (DOC-019k),

zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte en/of zijn mededaders valselijk - in strijd met de waarheid - op die geschriften telkens te hoge en gefingeerde aftrekposten, te weten:

- te hoge aftrekposten voor specifieke zorgkosten en/of

- te hoge aftrekposten voor giften,

opgegeven en/of vermeld, zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Motivering straf

6.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

6.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich gedurende een periode van circa vijf jaar schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van aangiften inkomstenbelasting voor derden. Hij heeft in die aangiften telkens aftrekposten vermeld betreffende zorgkosten en/of giften, terwijl hij wist dat de belastingplichtigen deze kosten niet hadden gemaakt en de giften niet waren gedaan. Dit frauduleus handelen strekte tot persoonlijk financieel gewin van de verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij het financieel nadeel aan de Staat, en daarmee tevens aan de samenleving als geheel de verdachte onberoerd liet. De rechtbank rekent dit de verdachte zeer aan.

6.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

6.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met de omstandigheid dat de verdachte op stelselmatige wijze, gedurende een langere periode, fraude heeft gepleegd. Ook houdt de rechtbank tot op zekere hoogte rekening met het benadelingsbedrag dat is ontstaan door fraude met eenzelfde modus operandi. De omstandigheid dat de verdachte in veel mindere mate zelf financieel voordeel heeft genoten van zijn frauduleus handelen, weegt de rechtbank tot op zekere hoogte mee in het voordeel van de verdachte.

In de omvang en duur van het frauduleus handelen, ziet de rechtbank aanleiding om een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er voor te zorgen dat de verdachte zich niet nog een keer schuldig maakt aan strafbare feiten.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

7. In beslag genomen voorwerpen

De officier van justitie heeft gevorderd zowel het geldbedrag van € 900,- als het geldbedrag van 2110 Marokkaanse Dirham (waarde: € 171,68) terug te geven aan de verdachte.

De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat beide geldbedragen dienen te worden terug gegeven aan de verdachte.

De rechtbank zal bepalen dat ten aanzien van beide in beslag genomen geldbedragen een last zal worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- gelast de teruggave aan verdachte van:

1. een geldbedrag van € 900,-;

2. een geldbedrag van 2110 Marokkaanse Dirham (waarde: € 171,68).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D.C.J. Peeck, voorzitter,

en mrs. S.E.C. Debets en A. Bonder, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.D.B. Reuter, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 juni 2020.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 februari 2013 tot en met 6 maart 2018 in de gemeente Rotterdam en/of (elders) te Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

meermalen een (digitale) aangifte(n) voor de Inkomstenbelasting, Premie volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet, te weten:

-ten name van [naam slachtoffer 1] (een) aangifte(n) IB over het/de aangiftetijdvak(ken) 2013 (DOC-036a) en/of 2014 (DOC-36b) en/of 2015 (DOC-036c) en/of 2016 (DOC-036g) en/of 2017 (DOC-036i) en/of

-ten name van [naam slachtoffer 2] (een) aangifte(n) over het/de aangiftetijdvak(ken) 2012 (DOC-017a) en/of 2013 (DOC-017d) en/of 2014 (DOC-017k) en/of 2015 (DOC-017l) en/of 2016 (DOC-017m), en/of

-ten name van [naam slachtoffer 3] (een) aangifte(n) IB over het/de aangiftetijdvak(ken) 2014 (DOC-026a) en/of 2015 (DOC-026e) en/of 2016 (DOC-026i), en/of

-ten name van [naam slachtoffer 4] (een) aangifte(n) IB over het aangiftetijdvak 2013 (DOC-Doc-35a) en/of 2014 (DOC-Doc-35e) en/of 2015 (DOC-Doc-35f) en/of 2016 (DOC-035i) en/of 2017 (DOC-035h), en/of

-ten name van [naam slachtoffer 5] (een) aangifte(n) IB over het/de aangiftetijdvak(ken) 2013 (DOC-019a) en/of 2014 (DOC-019f), en/of 2015 (DOC-019j) en/of 2016 (DOC-019k),

(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

valselijk heeft opgemaakt of heeft vervalst, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk - in strijd met de waarheid - op/in dat/die geschrift(en) (telkens) te ho(o)g(e) en/of gefingeerde aftrekposten, te weten:

-(een) te hoge aftrekpost(en) voor specifieke zorgkosten en/of

-(een) te hoge aftrekpost(en) voor giften,

en/of (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan verzamelinkomen en/of (een) te la(a)g(e) bedrag(en) aan belastbaar inkomen en/of (een) te la(a)g(e) belastbaar bedrag(en), althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting, opgegeven en/of vermeld en/of opgeschreven,

zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door (een) ander(en) te doen gebruiken.