Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5508

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
8325130
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Overeenkomst rechtsgeldig, geen bedrog, niet opgezegd, vennoten VOF hoofdelijk verbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8325130 \ CV EXPL 20-5369

uitspraak: 19 juni 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DTG B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V. te Groningen,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,

gedaagde sub 1,

namens wie gedaagde sub 2 en 3 zijn verschenen,

2. [gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagde sub 2,

procederend in persoon,

3. [gedaagde 3] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in of buiten Nederland,

gedaagde sub 3,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘DTG’, ‘ [gedaagde 1] ’, ‘ [gedaagde 2] ’ en ‘ [gedaagde 3] ’. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden tezamen aangeduid als ‘gedaagden’.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding met producties van 27 januari 2020;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van gedaagden;

  • -

    de conclusie van repliek met producties;

  • -

    de schriftelijke reactie van gedaagden.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

DTG (voorheen De Telefoongids genaamd) helpt ondernemers online beter vindbaar te worden voor potentiele klanten, door het tegen betaling plaatsen van een bedrijfsprofiel van haar klanten op het netwerk van DTG.

2.2.

[gedaagde 1] is een onderneming die op locatie massages geeft. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn de enige vennoten van [gedaagde 1] .

2.3.

DTG heeft op 28 juni 2018 telefonisch contact opgenomen met [gedaagde 3] , met de vraag of [gedaagde 1] geïnteresseerd is in de dienstverlening van DTG.

3. De vordering

3.1.

DTG heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar voorraad, gedaagden hoofdelijk te veroordelen om aan DTG tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van € 729,04 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over een bedrag van € 595,44 vanaf 22 januari 2020 tot de dag van algehele voldoening, met veroordeling van gedaagden in de kosten van deze procedure.

3.2.

Aan haar vordering heeft DTG (zakelijk weergegeven en voor zover van belang) het volgende ten grondslag gelegd. DTG is op 28 juni 2018 telefonisch een overeenkomst aangegaan met [gedaagde 1] tot plaatsing van het bedrijfsprofiel van [gedaagde 1] op het netwerk van DTG, met directe ingang, eerst kosteloos voor de duur van twee maanden (bij wijze van proefperiode, waarin gratis kan worden opgezegd), daarna voor de duur van twaalf maanden tegen betaling van € 49,62 (inclusief btw) per maand. [gedaagde 1] heeft geen enkele factuur betaalt. Daarom vordert DTG betaling van de facturen over twaalf maanden, ter hoogte van in totaal € 595,44. DTG vordert over dit bedrag de wettelijke handelsrente, die berekend tot en met 22 januari 2020 € 44,28 bedraagt. Daarnaast maakt DTG aanspraak op € 89,32 aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.3.

Als vennoten van [gedaagde 1] zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk aansprakelijk voor de door [gedaagde 1] aangegane verbintenissen en derhalve voor betaling van de voornoemde bedragen.

4. Het verweer

Gedaagden hebben de vordering van DTG betwist en hebben daartoe (zakelijk weergegeven en voor zover van belang) het volgende aangevoerd. Gedaagden hebben alleen mondeling afspraken met DTG gemaakt. Gedaagden wilden de diensten van DTG proberen, maar hebben in de proefperiode laten weten dat zij hier niet langer gebruik van wilden maken.

5. De beoordeling

5.1.

De kantonrechter dient eerst vast te stellen wat partijen zijn overeengekomen. Als onweersproken staat daaromtrent vast dat partijen op 28 juni 2018 telefonisch contact met elkaar hebben gehad. DTG stelt dat zij in dit gesprek de bewuste overeenkomst met [gedaagde 1] is aangegaan. Zij heeft bij haar conclusie van repliek een opname van dat telefoongesprek in het geding gebracht. Deze opname ondersteunt de stelling van DTG. De vertegenwoordiger van DTG meldt in dat gesprek dat partijen een overeenkomst zijn aangegaan tot plaatsing van het bedrijfsprofiel op het netwerk van DTG, eerst kosteloos gedurende twee maanden en daarna tegen betaling van € 49,62 voor de duur van twaalf maanden, waarop [gedaagde 3] bevestigend reageert. [gedaagde 3] heeft in de conclusie van dupliek niet betwist dat hij de persoon is die te horen is op de betreffende gespreksopname. Daarom staat als onvoldoende weersproken vast dat partijen de door DTG gestelde overeenkomst zijn aangegaan.

5.2.

Voor zover gedaagden zich met hun verweer op het standpunt hebben willen stellen dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is, aangezien die mondeling is aangegaan, zal de kantonrechter aan dit verweer voorbijgaan. Het aangaan van overeenkomsten is immers in beginsel vormvrij, tenzij de wet anders bepaalt (zoals volgt uit artikel 3:37 jo 6:217 BW). Gesteld noch gebleken is dat in deze zaak sprake is van dergelijke afwijkende wettelijke bepalingen. De telefonische overeenkomst die partijen hebben gesloten is dan ook rechtsgeldig. Daarbij overweegt de kantonrechter dat het haar uit de conclusie van repliek is gebleken dat DTG heeft voldaan aan de wettelijke voorschriften die gelden bij het aangaan van een overeenkomst via de telefoon, zoals die volgen uit artikel 6:230m BW.

5.3.

In zijn schriftelijke reactie heeft [gedaagde 3] voorts aangevoerd dat hij tijdens het telefoongesprek is voorgelogen, omdat hij niet geïnteresseerd was in de dienst van DTG en dat hij slechts heeft nagesproken wat hem door de verkoper is voorgezegd. De kantonrechter overweegt daaromtrent als volgt. Uit artikel 3:44 lid 1 BW volgt dat een rechtshandeling vernietigbaar is wanneer zij door bedrog tot stand is gekomen. Lid 3 van dat artikel bepaalt dat van bedrog sprake is wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep. Gesteld noch gebleken is echter dat gedaagden de overeenkomst hebben vernietigd, op grond van bedrog of een andere omstandigheid, zodat de overeenkomst thans nog bestaat.

5.4.

Voor zover gedaagden met hun verweer hebben willen stellen dat zij in deze procedure de overeenkomst willen vernietigen overweegt de kantonrechter het volgende. [gedaagde 3] heeft zijn stelling, dat hij is voorgelogen, in de conclusie van dupliek niet onderbouwd en dit blijkt evenmin uit de opname van het telefoongesprek zoals door DTG verstrekt. Weliswaar spreken de heren afwisselend Engels en Nederlands met elkaar, maar uit niets blijkt dat [gedaagde 3] niet weet dat hij een overeenkomst aangaat. Daarnaast verhoudt dit verweer zich niet met het aanvankelijke verweer van gedaagden dat zij de diensten van DTG wilden proberen. Bovendien hebben gedaagden niet betwist dat DTG hen een orderbevestiging, facturen en aanmaningen heeft verzonden, waarin alle informatie met betrekking tot de gesloten overeenkomst is opgenomen. Gesteld noch gebleken is dat zij hiertegen hebben geprotesteerd, hetgeen veronderstelt dat gedaagden wisten wat zij waren overeengekomen. Daarom komt niet vast te staan dat de overeenkomst tot stand is gekomen door bedrog.

5.5.

Gedaagden hebben verder aangevoerd dat zij de overeenkomst binnen de proefperiode van dertig dagen telefonisch hebben opgezegd. Dit is door DTG in haar conclusie van repliek betwist. Zij heeft daarbij een opname van een telefoongesprek overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde 3] geprobeerd heeft de overeenkomst buiten de proefperiode op te zeggen. Wanneer de medewerker van DTG hem meldt dat dit niet mogelijk is antwoord [gedaagde 3] begrijpend en vraagt hij of een andere onderneming gebruik kan maken van het profiel. In reactie op deze gemotiveerde betwisting van DTG heeft [gedaagde 3] zijn verweer niet nader onderbouwd. Hij heeft echter in zijn schriftelijke reactie zijn verweer gewijzigd en gesteld dat hij na twee weken heeft geprobeerd de overeenkomst te beëindigen, maar dat het telefoonnummer niet werkte. Aangezien gedaagden tegenover de gemotiveerde betwisting van DTG wisselende standpunten hebben ingenomen en deze standpunten niet hebben onderbouwd heeft deze onvoldoende onderbouwing tot gevolg dat aan bewijslevering niet wordt toegekomen met als consequentie dat niet is komen vast te staan dat zij de overeenkomst binnen de proefperiode hebben opgezegd.

5.6.

Nu de door DTG gestelde overeenkomst is komen vast te staan en niet is komen vast te staan dat deze overeenkomst tijdens de proeftijd door [gedaagde 1] rechtsgeldig is beëindigd, is [gedaagde 1] de door DTG gevorderde hoofdsom van € 595,44 verschuldigd. Als onbetwist staat vast dat [gedaagde 1] in het geheel niets heeft betaald aan DTG. Daarom wordt de gevorderde hoofdsom toegewezen.

5.7.

De wettelijke handelsrente over deze hoofdsom, die berekend tot en met 22 januari 2020 € 44,28 bedraagt, en de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 89,32 worden als onweersproken en op de wet gegrond toegewezen.

5.8.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde 1] veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van DTG vastgesteld op € 586,99 aan verschotten (€ 499,- aan griffierecht en € 87,99 aan dagvaardingskosten) en € 240,- aan salaris voor de gemachtigde.

5.9.

Uit artikel 18 Wetboek van Koophandel volgt dat elk van de vennoten van een vennootschap onder firma hoofdelijk is verbonden aan de verbintenissen van de vennootschap. Daarom zullen de vorderingen ook ten opzichte van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden toegewezen, nu als onbetwist vast staat dat zij (de enige) vennoten van [gedaagde 1] zijn.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om aan DTG tegen kwijting te betalen € 729,04 aan hoofdsom, verschenen rente berekend tot
22 januari 2020 en buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over € 595,44 vanaf 22 januari 2020 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt gedaagden eveneens hoofdelijk in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van DTG vastgesteld op € 586,99 aan verschotten en € 240,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

33394