Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5502

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
ROT 19/3391
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Vereenvoudigde behandeling
Inhoudsindicatie

Geweigerd is om door middel van een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete handhavend op te treden tegen bedrijven gevestigd in zestien met name genoemde gemeenten die in het jaar 2018 tijgermuggen of gelekoortsmuggen hebben ingevoerd en/of verspreid. Anders dan de stichting meent is er geen aanleiding om de zaak terug te sturen naar de rechtbank Amsterdam nu de aanvraag niet alleen betrekking heeft op de toepassing van de Wet publieke gezondheid (Wpg), maar ook op warenwetgeving. De rechtbank oordeelt ambtshalve dat er pas sprake kan zijn van een overtreding op grond van de Wpg als er eerst preventieve maatregelen zijn opgelegd, waarvan geen sprake is. Het beroep is kennelijk ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 19/3391

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2020 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

Stichting Platform Stop Invasieve Exoten, te Amsterdam, eiseres,

gemachtigde: mr. W.F.E. Reinhold,

en

de Minister voor Medische Zorg, verweerder,

gemachtigde: mr. E.M. Scheffer.

Procesverloop

Bij brief van 7 maart 2019 heeft verweerder een verzoek van eiseres om door middel van een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete handhavend op te treden tegen bedrijven gevestigd in zestien met name genoemde gemeenten die in het jaar 2018 tijgermuggen of gelekoortsmuggen hebben ingevoerd en/of verspreid, afgewezen.

Bij besluit van 23 mei 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam.

De griffier van de rechtbank Amsterdam heeft het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorgestuurd naar deze rechtbank.

Eiseres en verweerder hebben bij brieven van respectievelijk 15 en 19 mei 2020 gereageerd op een door de rechtbank aan hen gestelde vraag.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Awb uitspraak zonder zitting.

2.1.

Eiseres heeft de rechtbank verzocht het beroepschrift terug te sturen naar de rechtbank Amsterdam omdat het beroep uitsluitend betrekking heeft op de toepassing van de Wet publieke gezondheid en niet op warenwetgeving.

2.2.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het beroepschrift terug te sturen naar de rechtbank Amsterdam. Daartoe overweegt zij het volgende. In de aanvraag van 21 december 2018 heeft eiseres aangegeven dat het handhavingsverzoek betrekking heeft op importeurs van en handelaren in gebruikte banden, Lucky bamboo, en mogelijk ook gebruikte vrachtwagens of andere goederen. Daarbij is vermeld dat bovengenoemde bedrijven de Warenwet, het Warenwetbesluit Lucky bamboo (het Warenwetbesluit) en de Wet publieke gezondheid (Wpg) overtreden. Verweerder heeft bij het primaire besluit het verzoek beoordeeld aan de hand van de Warenwet en het Warenwetbesluit. Bij het bestreden besluit heeft verweerder onderkend dat niet expliciet is ingegaan op de stelling van eiseres dat is verzocht te handhaven mede op basis van de Wpg. Bij het bestreden besluit is het primaire besluit herbeoordeeld op basis van de Warenwet, het Warenwetbesluit en de Wpg. Nu zowel de aanvraag als het bestreden besluit betrekking hebben op niet alleen de Wpg, maar ook warenwetgeving, ziet de rechtbank aanleiding om de zaak aan zich te houden nu artikel 7 van de bevoegdheidsregeling bestuursrecht de rechtbank Rotterdam in eerste aanleg bevoegd maakt voor wat betreft beroepen tegen besluiten die hun grondslag vinden in de Warenwet. Daarbij merkt de rechtbank op dat het uit een oogpunt van proceseconomie niet zinvol is om de zaak te splitsen of om het gehele beroep terug te sturen naar de rechtbank Amsterdam. Daar komt bij dat een van de beroepsgronden inhoudt dat niet verweerder, maar de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) op het bezwaar had moeten beslissen, terwijl de NVWA haar bevoegdheden ontleent aan en krachtens de Warenwet.

3.1.

Eiseres betoogt aan de hand diverse beroepsgronden dat verweerder niet bevoegd was te beslissen op het bezwaar. Dit betoog slaagt niet. Eiseres heeft met een aan verweerder gerichte brief van 21 december 2018 verzocht om handhavend op te treden op grond van warenwetgeving en de Wpg. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen en heeft nadat bezwaar is gemaakt (waarbij het anders dan eiseres veronderstelt niet uitmaakt of dit reeds met het emailbericht van 9 maart 2019 is gedaan of met het emailbericht van 13 april 2019) beslist op het bezwaar. Er lag met de brief van 21 december 2018 geen verzoek voor aan de NVWA en de NVWA heeft voorts niet enige beslissing daarop genomen en was daartoe ook niet gehouden.

3.2.

Anders dan eiseres meent was noch verweerder noch de NVWA gehouden om ambtshalve – dus los van het bezwaar – over te gaan tot intrekking van het primaire besluit omdat daarin was verzuimd expliciet in te gaan op het verzoek om te handhaven op grond van de Wpg. Het gaat hier om een volledige heroverweging van het primaire besluit, waarbij de feitelijke (en soms ook juridische) grondslag van de aanvraag de buitengrens vormt (vgl. ECLI:NL:RVS:2015:177 en ECLI:NL:CBB:2017:327). Nu verweerder was verzocht handhavend op te treden tegen de bedrijven die in 2018 tijgermuggen of gelekoortsmuggen hebben ingevoerd en/of verspreid, heeft verweerder terecht bij de heroverweging van het primaire besluit betrokken dat hij niet expliciet was ingegaan op de vraag of hij op basis van de Wpg bevoegd was tot handhaving over te gaan, en zo ja, of dit reden vormde om dit alsnog te doen.

4.1.

De rechtbank overweegt ambtshalve als volgt.

4.2.

In artikel 6 van de Wpg is bepaald dat het college van burgemeester en wethouders zorgdraagt voor de uitvoering van der algemene infectiebestrijding.

In artikel 6a, eerste lid, van de Wpg is bepaald dat verweerder in afwijking van artikel 6 zorgdraagt voor maatregelen ter preventie van vestiging van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vectoren, waaronder het nemen van bestrijdingsmaatregelen.

In artikel 47a, eerste lid, van de Wpg is bepaald dat verweerder ter uitvoering van artikel 6a bij uitsluiting van de burgemeester bevoegd is de volgende maatregelen te nemen:

a. het controleren van terreinen, gebouwen, vervoermiddelen of goederen op de aanwezigheid van een vector, zo nodig door het nemen van monsters, indien er een aannemelijk risico is op de aanwezigheid van een dergelijke vector,

b. het geven van voorschriften van technisch-hygiënische aard bij de aanwezigheid van een vector, of indien er een aannemelijk risico daarop is,

c. het vernietigen van vectoren op of in terreinen, gebouwen, vervoermiddelen of goederen.

In het tweede lid is bepaald dat verweerder een last onder bestuursdwang kan opleggen aan degene die geen medewerking verleent aan het uitvoeren van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b.

4.3.

De in artikel 47a, eerste lid, van de Wpg genoemde maatregelen zijn, gelet op artikel 6a, van de Wpg, preventieve maatregelen. Handhaving is, gelet op artikel 47a, tweede lid, van de Wpg, slechts aan de orde in het geval iemand geen medewerking verleent aan het uitvoeren van voorschriften van technisch-hygiënische aard die verweerder op grond van artikel 47a, eerste lid, onder b, van de Wpg kan opleggen. De enkele aanwezigheid van tijgermuggen of gelekoortsmuggen bij bedrijven schept daarom geen bevoegdheid voor verweerder om op grond van de Wpg handhavend op te treden. Nu eiseres aan haar verzoek om handhaving de enkele aanwezigheid van tijgermuggen of gelekoortsmuggen bij bedrijven ten grondslag heeft gelegd en daaraan niet ten grondslag heeft gelegd dat verweerder voorschriften heeft gegeven als bedoeld in artikel 47a, eerste lid, onder b, van de Wpg en dat bedrijven in de door eiseres genoemde gemeenten geen medewerking verlenen aan de uitvoering daaraan, was verweerder niet bevoegd om – zoals door eiseres is verzocht – een last onder dwangsom op te leggen. Voor het opleggen van een bestuurlijke boete biedt de Wpg geen grondslag. Verweerder heeft het verzoek reeds daarom terecht afgewezen.
Wat eiseres daar tegenin heeft gebracht kan niet slagen.

5. Het beroep is kennelijk ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 juni 2020.

De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.