Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5478

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
14-07-2020
Zaaknummer
C/10/591671 / HA ZA 20-187
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Rijnvaartzaak? Vordering van bemanningslid tot vergoeding van letselschade ondervonden aan boord van een Rijnvaartschip valt niet binnen de reikwijdte van de Akte van Mannheim / Herziene Rijnvaartakte. Onbevoegdverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0496
S&S 2020/86
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/591671 / HA ZA 20-187

Vonnis in incident van 24 juni 2020

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] , Servië,

eiser in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. T. Bezmalinovic te Rotterdam,

tegen

1. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

GCCL (MALTA) RMD FLEET MANAGEMENT LTD.,

gevestigd te Valletta, Malta,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

GRAND CIRCLE DUBROVNIK D.O.O.,

gevestigd te Dubrovnik, Kroatië,

3. de vennootschap naar het recht van de plaats van haar vestiging

ARIA SCHIFF GMBH,

gevestigd te Basel, Zwitserland,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. W.E. Boonk te Rotterdam.

Partijen zullen hierna ieder afzonderlijk [naam eiser] , GCCL Malta, GCCL Croatia en Aria Schiff genoemd worden. Eiseressen gezamenlijk zullen GCCL Malta c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen van 13 november 2019, met producties;

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord in het onbevoegdheidsincident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten waarvan in dit incident wordt uitgegaan

2.1.

Blijkens met GCCL Croatia gevoerde correspondentie heeft [naam verweerder] in 2015 en 2016 aan boord van verschillende schepen arbeid verricht, waaronder het binnenvaartcruiseschip [naam schip] . In 2017 heeft [naam verweerder] alleen aan boord van de [naam schip] gewerkt.

2.2.

Een door [naam verweerder] ongetekend gelaten ‘details of employment form’ voor het vierde kwartaal van 2015 vermeldt GCCL Malta als werkgever. Voor de periode vanaf 16 oktober 2017 is door GCCL Malta als werkgever en [naam verweerder] als werknemer op 18 oktober 2017 een arbeidsovereenkomst ondertekend.

2.3.

Deze arbeidsovereenkomst bepaalt in artikel 19.1 onder meer:

“Any dispute between Parties, in the absence of agreement as to an appropriate form of arbitration, or in the absence of any other mandatory form of dispute resolution, shall fall within the exclusive jurisdiction of the Flag State.”

2.4.

In november 2017 heeft [naam verweerder] vanwege een blessure zijn werkzaamheden aan boord van de [naam schip] gestaakt.

2.5.

Aria Schiff is de geregistreerde eigenaar van de [naam schip] . Het schip vaart onder Maltese vlag.

3. Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

[naam eiser] vordert - samengevat - dat de rechtbank

  1. voor recht verklaart dat GCCL Malta, GCCL Croatia en Aria Schiff hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [naam eiser] heeft geleden als gevolg van zijn blessure terwijl hij werkzaam was aan boord van de [naam schip] , en de zaak verwijst naar een schadestaatprocedure;

  2. GCCL Malta, GCCL Croatia en Aria Schiff bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeelt in de proceskosten.

3.2.

Aan deze vorderingen heeft [naam eiser] kort samengevat het volgende ten grondslag gelegd.

[naam eiser] heeft zijn arbeidsovereenkomst in Lobith te Nederland ondertekend en daar is hij aan boord gegaan van de [naam schip] . Als gevolg van zijn werkzaamheden aan boord, onder andere het regelmatig tillen van zware ladingen, heeft [naam eiser] in november 2017 een blessure opgelopen waardoor hij arbeidsongeschikt is geworden en een verlies van inkomen lijdt. Op dat moment voer de [naam schip] tussen Nederland en Duitsland.

GCCL Malta, GCCL Croatia en Aria Schiff zijn op buitencontractuele grond aansprakelijk omdat zowel de werkgever als de scheepseigenaar verplicht zijn om een veilige arbeidsplaats en veilige arbeidsomstandigheden te creëren.

[naam eiser] mag zijn vordering tegen Aria Schiff instellen bij één van de Rijnvaartrechtbanken in Nederland, waaronder de rechtbank Rotterdam op grond van de artikelen 34(II)(c) en 35bis van de Akte van Mannheim (Herziene Rijnvaartakte, ondertekend te Mannheim op 17 oktober 1868 en gewijzigd te Straatsburg op 20 november 1963).

[naam eiser] kan dan ook zijn buitencontractuele vorderingen tegen GCCL Malta en GCCL Croatia voor deze rechtbank instellen op grond van artikel 7 lid 1 Rv (Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).

Zouden de vorderingen tegen GCCL Malta en GCCL Croatia als contractuele vorderingen worden beschouwd omdat zij voortvloeien uit arbeidsovereenkomst, dan heeft de Nederlandse rechter, in dit geval de rechtbank Rotterdam, rechtsmacht op grond van artikel 8 leden 2 en 3 Rv.

4. Het geschil in het incident

4.1.

GCCL Malta c.s. vordert dat de rechtbank zich bij vonnis onbevoegd verklaart, met veroordeling van [naam verweerder] in de kosten van het incident, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Hiertoe heeft GCCL Malta c.s. het volgende aangevoerd.

4.2.

De Akte van Mannheim is niet van toepassing is omdat de schade zich niet op de Rijn heeft voorgedaan, althans de vordering van [naam verweerder] niet kwalificeert als vordering tot vergoeding van schade veroorzaakt door schippers en houtvlotters gedurende de reis of bij het aanleggen in de zin van artikel 34(II)(c) Akte van Mannheim. Uit artikel 34bis blijkt dat de Rijnvaartrechtbanken niet bevoegd zijn ten aanzien van contractuele vorderingen wegens schade aan personen aan boord van het schip, en daaruit kan worden afgeleid dat dit soort schade ook niet wordt bestreken door artikel 34(II)(c) Akte van Mannheim.

4.3.

Op de vorderingen tegen GCCL Malta en GCCL Croatia, die in lidstaten van de Europese Unie zijn gevestigd, is de Brussel I bis Verordening van toepassing (Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking)).

Voor zover [naam verweerder] zijn vordering grondt op de arbeidsovereenkomst, heeft de Nederlandse rechter geen rechtsmacht omdat het forumkeuzebeding exclusief de gerechten van de vlaggenstaat van het schip aanwijst, hier dus de Maltese rechter. Ook als het forumkeuzebeding niet rechtsgeldig zou zijn, heeft de Nederlandse rechter echter geen rechtsmacht voor vorderingen uit arbeidsovereenkomst.

Buitencontractuele vorderingen tegen GCCL Malta en eventueel GCCL Croatia vallen ook onder het forumkeuzebeding en daarover heeft de Nederlandse rechter dus ook geen rechtsmacht. Indien deze vorderingen niet onder het forumkeuzebeding zouden vallen, kan de Nederlandse rechter aan artikel 7 aanhef en onder 2 Brussel I bis geen rechtsmacht ontlenen, nu de schade zich in Wenen te Oostenrijk heeft geopenbaard en GCCL Malta c.s. betwist dat de schade (onder meer) in Nederland is veroorzaakt.

4.4.

De bevoegdheid om te oordelen over de vordering tegen Aria Schiff moet worden beoordeeld aan de hand van het Verdrag Lugano II (Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken) omdat Aria Schiff in Zwitserland is gevestigd. Ook dat verdrag leidt niet tot rechtsmacht van de Nederlandse rechter en bevoegdheid van deze rechtbank.

[naam verweerder] stelt zijn vordering tegen Aria Schiff op buitencontractuele grondslag in, en het arrondissement Rotterdam is niet de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen in de zin van artikel 5 aanhef en onder 3 Lugano II.

4.5.

[naam verweerder] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering, met veroordeling van GCCL Malta c.s. in de kosten van het incident, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Hiertoe heeft [naam verweerder] aanvullend het volgende aangevoerd.

4.6.

De werkzaamheden die de schade hebben veroorzaakt zijn onder meer verricht terwijl de [naam schip] tussen Nederland en Duitsland op de Rijnvaart voer en [naam verweerder] op de [naam schip] werkte. Dat de [naam schip] in die periode ook op de Donau voer, doet hieraan niets af. Artikel 35bis Akte van Mannheim ziet juist op de situatie wanneer het onmogelijk is vast te stellen op welk grondgebied de feiten hebben plaatsgevonden.

Onder ‘schipper’ in de zin van artikel 34(II)(c) Akte van Mannheim valt naar huidige maatstaven ook de scheepseigenaar.

Dat Rijnvaartzaken vooral aanvaringen betreffen betekent niet dat vorderingen als de onderhavige daar niet onder vallen. Het gaat immers om schade die valt binnen de omschrijving van artikel 34 (II)(c) Akte van Mannheim.

Als de rechtbank op grond van de Akte van Mannheim bevoegd is jegens Aria Schiff is zij ook bevoegd is jegens de medegedaagden GCCL Malta en GCCL Croatia. Dit volgt primair uit artikel 7 lid 1 Rv maar zo nodig ook uit daarop gelijkende bepalingen in zowel Brussel I bis als Lugano II. De vorderingen zien op dezelfde feiten.

4.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant, nader ingegaan.

5. De beoordeling in het incident

Juridisch kader: Akte van Mannheim, Brussel I bis en Lugano II

5.1.

[naam verweerder] betoogt dat deze rechtbank als Rijnvaartrechtbank behoort te oordelen over zijn vordering tegen Aria Schiff en dat, indien eenmaal rechtsmacht en bevoegdheid jegens Aria Schiff vast staan, uit artikel 7 lid 1 Rv voortvloeit dat de rechtbank in dit geval ook over de vorderingen tegen de andere gedaagden, GCCL Malta en GCCL Croatia, mag oordelen.

5.2.

Ten aanzien van een verweerder die woonplaats heeft in een EU-lidstaat, zoals GCCL Malta en GCCL Croatia, gelden in de eerste plaats de Brussel I bis Verordening en eventueel toepasselijke verdragen waarin de rechterlijke bevoegdheid wordt geregeld. Pas in de tweede plaats is de bevoegdheidsregeling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing. Hieruit volgt dat het beroep op de artikelen 7 en 8 Rv, wat daar ook verder van zij, niet kan slagen.

5.3.

Brussel I bis is op de vorderingen tegen GCCL Malta en GCCL Croatia van toepassing omdat i) sprake is van een burgerlijke of handelszaak in de zin van artikel 1 Brussel I bis, ii) de vorderingen zijn ingesteld na 10 januari 2015 (artikel 66 lid 1 Brussel I bis), en iii) GCCL Malta en GCCL Croatia woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat (zie artikel 4 en 5 Brussel I bis).

5.4.

Nu Aria Schiff in Zwitserland en dus niet in een EU-lidstaat is gevestigd, geldt Brussel I bis – de hier niet aan de orde zijnde artikelen 24 tot en met 26 daargelaten - niet voor de vordering tegen Aria Schiff. Wel is Zwitserland, evenals Nederland, partij bij Lugano II. Dit verdrag is voor Nederland in werking getreden op 1 januari 2010 en voor Zwitserland op 1 januari 2011.

Op de vordering tegen Aria Schiff is Lugano II van toepassing omdat i) sprake is van een burgerlijke- of handelszaak in de zin van artikel 1 Lugano II, ii) de vordering is ingesteld na 1 januari 2011 (artikel 63 lid 1 Lugano II) en iii) Aria Schiff woonplaats heeft in Zwitserland (zie artikel 2, 3 en 60 lid 1, aanhef en sub a Lugano II).

5.5.

Zowel Lugano II (artikel 67) als Brussel I bis (artikel 71) laat, kort gezegd, oudere verdragen onverlet die voor bijzondere onderwerpen de rechterlijke bevoegdheid regelen. Dit betekent in dit geval dat indien de vordering die [naam verweerder] tegen Aria Schiff instelt valt binnen de reikwijdte van de Akte van Mannheim, de bevoegheidsregeling uit de Akte van Mannheim voorgaat boven die uit Lugano II dan wel Brussel I bis.

Het Europese Hof van Justitie heeft de volgende vereisten gesteld voor toepassing van bevoegdheidsregels uit verdragen over bijzondere onderwerpen: de bevoegdheidsregels dienen in hoge mate voorspelbaar te zijn, een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken en het risico van parallel lopende processen zo veel mogelijk te beperken (HvJEU 4 mei 2010 (C-533/08 (TNT/AXA). Dit arrest is gewezen in verband met de voorganger van Brussel I bis, maar geldt ook voor Brussel I bis en heeft ook belang voor de toepassing van Lugano II.

5.6.

Tegen deze achtergrond zal de rechtbank het beroep van [naam verweerder] op de Akte van Mannheim beoordelen.

De Akte van Mannheim als bevoegdheidsgrond

5.7.

De hoofdvraag is of de door [naam verweerder] gestelde (letsel)schade, naar hij stelt ontstaan doordat Aria Schiff voor hem geen veilige arbeidsplaats en veilige arbeidsomstandigheden heeft gecreëerd, een vordering oplevert waarvoor de Akte van Mannheim een bevoegdheidsregeling bevat.

Niet in geschil is dat de vordering een burgerlijke zaak betreft als bedoeld in artikel 34 van de Akte van Mannheim. Evenmin is in geschil dat [naam verweerder] krachtens een privaatrechtelijke overeenkomst met GCCL Malta – en naar zijn stellingen impliceren mogelijk ook met GCCL Croatia – aan boord van de [naam schip] was toen hij de gestelde schade (een acute hernia, beschadigde rugwervels en/of ander rugletsel) opliep.

5.8.

De Akte van Mannheim schept een uniform Rijnvaartregime en strekt tot verwezenlijking van een vrije en gemeenschappelijke transportmarkt, door het centraal stellen van de vrijheid van scheepvaart en gelijke behandeling op de Rijn. Het verdrag ziet op het wegnemen van plaatselijke belemmeringen zoals tolheffingen, en voorziet in een snelle en efficiënte rechtsgang voor het zonder onnodig oponthoud behandelen van onderweg opgetreden schades.

5.9.

Het verdrag luidt, voor zover relevant, als volgt.

Artikel 34:

“De Rijnvaartrechtbanken zijn bevoegd:

I. (...)

II. in burgerlijke zaken, tot het doen van uitspraak na summiere behandeling in geschillen betreffende:

a. (...)

b. (...)

c. de schade, veroorzaakt door schippers en houtvlotters gedurende de reis of bij het aanleggen

d. (...)”.

Artikel 34bis:

“Onverminderd artikel 35ter zijn de Rijnvaartrechtbanken overeenkomstig artikel 34, IIc eveneens bevoegd, indien de partijen door een privaatrechtelijke overeenkomst zijn gebonden; hun bevoegdheid strekt zich evenwel niet uit tot op een privaatrechtelijke overeenkomst gebaseerde rechtsvorderingen tegen een vaartuig terzake van schade door de schuld van dat vaartuig veroorzaakt aan personen of goederen die zich aan boord van dat vaartuig bevinden.”

Artikel 35:

“De bevoegdheid tot kennisneming berust (...) in burgerlijke zaken bij de rechtbank, in wier gebied (...) de schade is veroorzaakt (artikel 34, II. b. c. d.).”

Artikel 35ter:

“In burgerlijke zaken kunnen de partijen overeenkomen hun geschil aanhangig te maken, hetzij bij een andere Rijnvaartrechtbank dan die welke overeenkomstig de artikelen 35 en 35bis bevoegd is, hetzij voor zover de nationale wetgeving zich hiertegen niet verzet bij een andere rechterlijke of scheidsrechterlijke instantie.”

Artikel 36:

“De procedure voor de Rijnvaartrechtbanken is zo eenvoudig en zo snel mogelijk. (...)

De bestuurder van een vaartuig of houtvlot kan wegens een tegen hem aanhangig geding niet worden verhinderd zijn reis voort te zetten, zodra hij de zekerheid heeft gesteld die door de rechter voor het onderwerp van het geding is bepaald.”

5.10.

Noch in de tekst van deze bepalingen, noch in de verdere inhoud van het verdrag, noch in de daarover gepubliceerde jurisprudentie en literatuur ziet de rechtbank enige aanwijzing dat door de opstellers van het verdrag is beoogd om een vordering van een bemanningslid tot vergoeding van (letsel)schade ondervonden aan boord van een Rijnvaartschip en gericht tegen de eigenaar van dat schip binnen de reikwijdte van de Akte van Mannheim te brengen, of dat zulke schade in de loop der tijd door Rijnvaartrechtbanken onder de werking van het verdrag is gebracht.

De civielrechtelijke rechtsgang voor vorderingen als bedoeld in artikel 34 aanhef en onder II sub c Akte van Mannheim is bedoeld om schade ‘onderweg’ die met een Rijnvaartschip aan derden wordt veroorzaakt efficiënt te kunnen beoordelen, waarbij de schipper zo spoedig mogelijk zijn weg kan vervolgen.

Dat de regeling in 1963 is uitgebreid (artikel 34bis) om ook contractuele vorderingen te omvatten, waarbij dan in de mogelijkheid van een contractuele forumkeuze is voorzien (artikel 35ter), leidt niet tot een ander oordeel. Temeer niet omdat daarbij een uitzondering is gemaakt voor vorderingen voor schade door het vaartuig veroorzaakt aan personen aan boord van dit vaartuig.

5.11.

Steun voor dit oordeel biedt ook het artikel van jhr. mr. B.C. de Savornin Lohman, rechter in de Kamer van Beroep van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart, Concentratie van scheepvaartzaken bij de Rechtbank Rotterdam – Ook voor Rijnvaartzaken? Enkele punten van aandacht, NJB 2016, blz. 3118:

“De belangrijkste bevoegdheidsgrond is die van artikel 34 II.c, de aanvaringen. De zaken bij de Kamer van Beroep van de CCR in Straatsburg, de optionele hoogste rechter voor Rijnvaartzaken, betreffen voor het overgrote deel zaken van dit type. Die bevoegdheid is bij een wijziging van de akte in 1963 in artikel 34bis uitgebreid tot contractuele acties, zij het weer met een beperking als nader in die bepaling omschreven. De Rijnvaartzaken zijn al met al (afgezien van de strafzaken) in hoofdzaak aanvaringszaken, maar dat dan wel in ruime zin, te weten vanaf het laadgereed maken van het schip tot het einde van de lossing in de bestemmingshaven. Alle overige zaken met betrekking tot de binnenvaart (denk aan ladingschades, beslaglegging, hulpverlening, milieuvervuiling, averij-grosse) vallen niet onder de exclusieve bevoegdheid van de Rijnvaartrechter en worden in de naaste toekomst dus behandeld in Rotterdam.”

Hieruit spreekt niet dat de Kamer van Beroep van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart ook vorderingen van de bemanning tegen eigen reder of werkgever wegens letsel gerelateerd aan arbeidsomstandigheden behandelt. In tegendeel, de bevoegdheid ten aanzien van vorderingen uit aanvaring (vanaf laadgereed maken tot einde lossing) wordt afgezet tegen de onbevoegdheid ten aanzien van “alle overige zaken met betrekking tot de binnenvaart”.

5.12.

Tenslotte is van belang dat de Duitse vertaling van artikel 34 (II)(c) Akte van Mannheim spreekt van “Beschädigungen, welche Schiffer und Flösser während ihrer Fahrt oder beim Anlanden andern verursacht haben”. In lichte afwijking van de Nederlandse vertaling (“schade, veroorzaakt (...) gedurende de reis of bij het aanleggen”) en van de Franse authentieke tekst (“dommages causés (...) pendant le voyage ou en abordant”) geeft de Duitse vertaling expliciet aan dat het moet gaan om schade veroorzaakt ‘aan anderen’ en dat het gaat om schade veroorzaakt tijdens de ‘Fahrt’. Deze laatste woordkeuze suggereert dat de bepaling geen schade bestrijkt die is ontstaan tijdens het stilliggen van het schip, anders dan tijdens het aanmeren, maar alleen schade die concreet voortkomt uit de beweging van het vaartuig.

Voor dit verschil dringt zich geen duidelijke verklaring op. Mogelijk hebben de woordbetekenissen zich sinds de verdragssluiting in de verschillende talen anders ontwikkeld. Maar nu in alle taalversies het aanleggen en de reis steeds in samenhang worden genoemd, is duidelijk dat het aanleggen niet als onderdeel van ‘de reis’ werd gezien, hetgeen past bij een uitleg van de woorden ‘de reis’ conform de Duitse vertaling.

Maar hoe dit ook zij, voor een uniforme uitleg en toepassing van het verdrag moet ermee rekening worden gehouden dat het Duitstalige Rijnvaartgebied met deze bewoordingen werkt.

[naam verweerder] verrichte werkzaamheden in en rond het restaurant van de [naam schip] . Hij beklaagt zich over het zonder de juiste instructie of arbeidsomstandigheden veelvuldig hebben moeten tillen van zware kratten. Deze werkzaamheden zullen naar redelijke verwachting niet alleen tijdens vaarbewegingen zijn verricht, maar ook wanneer het schip aangemeerd lag, bij het aan boord brengen van voorraden en/of terwijl de cruisepassagiers aan land waren. Gelet daarop komt de gestelde schade niet voort uit de scheepsbeweging op zich, maar is veeleer van toeval afhankelijk of een restaurantmedewerker zoals [naam verweerder] geblesseerd raakt tijdens de vaart of gedurende het stilliggen. De aard van het door [naam verweerder] beschreven letsel wijst er voorts op dat de schade gedurende een langere periode is ontstaan.

Zeker ook gelet op de door de verdragsopstellers beoogde efficiënte rechtsgang voor ‘schade onderweg’, is niet wenselijk en niet werkbaar dat een bemanningslid voor de Rijnvaartrechter zou moeten bewijzen dat en in hoeverre rugletsel is ontstaan tijdens ‘vaartijd’ dan wel tijdens ‘stilligtijd’, waarna de Rijnvaartrechter kan vaststellen in hoeverre hem voor een vordering terzake bevoegdheid toekomt en in hoeverre hij zich onbevoegd moet verklaren. Ook deze omstandigheden pleiten dus tegen de door [naam verweerder] voorgestane uitleg.

5.13.

Tot slot is onvoldoende gesteld en niet gebleken de schade waarvan [naam verweerder] vergoeding vordert is veroorzaakt in het gebied van deze rechtbank als bedoeld in artikel 35 Akte van Mannheim.

5.14.

De conclusie is dat de door [naam verweerder] tegen Aria Schiff ingestelde vordering, anders dan hij betoogt, niet valt binnen de bevoegdheid van de Rijnvaartrechtbanken zoals deze is voorzien in de Akte van Mannheim.

Deze rechtbank is dus niet bevoegd om als Rijnvaartrechtbank van deze vordering kennis te nemen.

Voor zover in de stellingen van [naam verweerder] besloten ligt dat de rechtbank ook jegens GCCL Malta of GCCL Croatia als Rijnvaartrechtbank bevoegd zou zijn, moet dit standpunt op dezelfde gronden falen.

Lugano II als bevoegdheidsgrond ten aanzien van Aria Schiff

5.15.

Nu het beroep op de Akte van Mannheim niet slaagt, zal de rechtbank ambtshalve beoordelen of haar rechtsmacht en bevoegdheid toekomt om te oordelen over de vordering tegen Aria Schiff. Zoals gezegd geldt hier Lugano II.

[naam verweerder] stelt, naar de rechtbank begrijpt, dat Aria Schiff als eigenaar van de [naam schip] een op haar rustende – maar niet uit overeenkomst voortvloeiende - zorgplicht jegens [naam verweerder] heeft geschonden als gevolg waarvan [naam verweerder] schade heeft geleden en lijdt.

Gesteld noch gebleken is dat zich hier een exclusieve bevoegdheid als bedoeld in artikel 22 Lugano II voordoet of dat Aria Schiff en [naam verweerder] een forumkeuze als bedoeld in artikel 23 Lugano II hebben gedaan.

Aria Schiff is niet voor het gerecht van haar woonplaats opgeroepen in de zin van artikel 2 lid 1 Lugano II, zodat dient te worden bepaald of deze rechtbank bevoegdheid kan ontlenen aan de overige bepalingen van Lugano II.

5.16.

Hiermee rijst de vraag of deze rechtbank internationaal bevoegd is als ‘het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ als bedoeld in artikel 5 aanhef en onder 3 Lugano II.

Het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ kan zowel de plaats omvatten waar de schade is ingetreden als de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (HvJEU 30 november 1976, C21/76 (Kalimijnen)). Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie - ook van belang voor de interpretatie van Lugano II - blijkt dat de bevoegdheid op grond van artikel 7 aanhef en onder 2 Brussel I bis (en dus ook artikel 5 aanhef en onder 3 Lugano II) restrictief moet worden toegepast. Het gaat hier om ‘een bijzondere bevoegdheid die berust op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en andere gerechten dan die van de Staat van woonplaats van de verweerder, zodat de bevoegdheid van die gerechten gerechtvaardigd is om redenen van goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting’. Daarmee in strijd is een uitleg van artikel 7 aanhef en onder 2 Brussel I bis respectievelijk artikel 5 aanhef en onder 3 Lugano II die leidt tot bevoegdheid buiten de uitdrukkelijk in de bepaling voorziene gevallen (vgl. HvJEU 27 oktober 1998, C-51/97 (Réunion Européenne/Spliethoff), HvJEG 19 september 1995, zaak C-364/93, NJ 1997, 52 m.nt. ThMdB (Marinari/Lloyd’s Bank) en HR 7 december 2001, NJ 2002, 539, m.nt. PV).

5.17.

GCCL Malta c.s. heeft gesteld en [naam verweerder] heeft niet betwist dat Wenen, in Oostenrijk, de plaats is waar de schade is ingetreden. De rechtbank zal partijen hierin volgen. Hieruit volgt dat deze rechtbank niet bevoegd is als gerecht van de plaats waar de schade is ingetreden.

[naam verweerder] heeft bij antwoord in het incident benadrukt dat de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden, niet is aan te wijzen, nu de gestelde schadeveroorzakende gebeurtenis gedurende langere periode plaatsvond, namelijk toen het schip over de binnenwateren in verschillende staten voer. [naam verweerder] heeft nog wel gesteld, maar GCCL Malta c.s. heeft betwist, dat hij aan boord is gegaan in Lobith te Nederland.

5.18.

De rechtbank kan, nu geen duidelijke plaats – laat staan een plaats in het arrondissement Rotterdam – valt aan te wijzen waar de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft plaatsgevonden, geen internationale bevoegdheid ontlenen aan artikel 5 aanhef en onder 3 Lugano II.

5.19.

De conclusie is dat de rechtbank Rotterdam aan Lugano II geen rechtsmacht en bevoegdheid kan ontlenen voor de door [naam verweerder] tegen Aria Schiff ingestelde vordering.

Brussel I bis als bevoegdheidsgrond ten aanzien van GCCL Malta of GCCL Croatia

5.20.

Ook ten aanzien van GCCL Malta en GCCL Croatia stelt [naam verweerder] dat ieder van hen een op haar rustende - niet uit overeenkomst voortvloeiende - zorgplicht jegens [naam verweerder] heeft geschonden als gevolg waarvan [naam verweerder] schade heeft geleden en lijdt.

Gesteld noch gebleken is dat zich hier een exclusieve bevoegdheid als bedoeld in artikel 24 Brussel I bis voordoet.

GCCL Malta en - voor zover nodig ook GCCL Croatia - beroept zich er wel op dat in de arbeidsovereenkomst een forumkeuzebeding is opgenomen voor de gerechten van Malta als exclusief bevoegde rechter, en dat daaronder ook niet-contractuele vorderingen vallen. Aan forumkeuzebedingen in arbeidsovereenkomsten stelt artikel 23 Brussel I bis echter de eis dat deze ofwel zijn gesloten na het ontstaan van het geschil, ofwel aan de werknemer (hier [naam verweerder] ) de mogelijkheid bieden om bij (nog) andere gerechten een vordering in te stellen dan de gerechten in artikel 21 lid 1 onder a of onder b (ii) Brussel I bis. De contractuele forumkeuze kan de mogelijkheden van de werknemer om een vordering in te stellen niet inperken. Nu de onder 2.3 hierboven aangehaalde forumkeuze dit wel doet, komt daaraan geen werking toe.

5.21.

GCCL Malta en GCCL Croatia zijn niet voor het gerecht van hun woonplaats opgeroepen in de zin van artikel 4 lid 1 Brussel I bis, zodat dient te worden bepaald of deze rechtbank internationale bevoegdheid kan ontlenen aan de overige bepalingen van Brussel I bis.

Hiermee rijst de vraag of rijst de vraag of deze rechtbank internationaal bevoegd is als ‘het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ als bedoeld in artikel 7 aanhef en onder 2 Brussel I bis. Deze vraag moet op dezelfde gronden als weergegeven in r.o. 5.16 tot en met 5.18 hierboven ontkennend worden beantwoord. Deze rechtbank kan geen internationale bevoegdheid ontlenen aan artikel 7 aanhef en onder 2 Brussel I bis.

5.22.

Voor zover [naam verweerder] toch beoogt om subsidiair schending van de arbeidsovereenkomst ten grondslag te leggen aan zijn vorderingen tegen GCCL Malta en/of GCCL Croatia als werkgever, dan geldt dat een dergelijke vordering ingevolge artikel 21 Brussel I bis kan worden ingesteld ofwel voor een gerecht van het land waar de werkgever zijn woonplaats heeft, ofwel voor het gerecht van de plaats in een andere lidstaat waar zich de vestiging bevindt (of bevond) die [naam verweerder] in dienst heeft genomen. De rechtbank Rotterdam is niet een van die gerechten. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam verweerder] niet vanuit eenzelfde land gewoonlijk zijn werk verrichtte, zodat het geval bedoeld in artikel 21 lid 1 (b) (i) Brussel I bis zich niet voordoet. Gesteld noch gebleken is dat [naam verweerder] in dienst zou zijn genomen door een vestiging in Nederland (en wel het arrondissement Rotterdam) zodat het geval van artikel 21 lid 1 (b) (i) Brussel I bis zich niet voordoet.

5.23.

De conclusie is dat de rechtbank Rotterdam aan Brussel I bis geen rechtsmacht en bevoegdheid kan ontlenen voor de door [naam verweerder] tegen GCCL Malta en GCCL Croatia ingestelde vorderingen.

Lugano II of Brussel I bis bieden geen grond voor overdaging

5.24.

Reeds omdat deze rechtbank niet het gerecht is van de woonplaats van één van de gedaagden, kan van overdaging van één of meer andere gedaagden als bedoeld in artikel 8 aanhef en onder 1 Brussel I bis respectievelijk artikel 6 aanhef en onder 1 Lugano II geen sprake zijn.

Tot slot

5.25.

De rechtbank zal de incidentele vordering toewijzen, omdat de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen.

5.26.

[naam verweerder] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van GCCL Malta c.s. in het incident worden begroot op € 543,- (1,0 punt × tarief € 543,00).

5.27.

[naam verweerder] zal in de proceskosten van de hoofdzaak worden veroordeeld, nu hij deze bij de verkeerde rechter aanhangig heeft gemaakt. [naam verweerder] zal tevens als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van GCCL Malta c.s. in de hoofdzaak worden begroot op het griffierecht van € 656,-.

6. De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

6.2.

veroordeelt [naam verweerder] in de kosten van het incident, aan de zijde van GCCL tot op heden begroot op € 543,00,

6.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

6.4.

veroordeelt [naam eiser] in de proceskosten, aan de zijde van GCCL Malta tot op heden begroot op € 656,00,

6.5.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. J.F. Koekebakker, rolrechter, op 24 juni 2020.

3178/1885/1928