Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5431

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
10/691032-20 / VI-nummer: 99/000399-30
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor bezit van cocaïne. Gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. Toewijzing van de vordering invrijheidstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/691032-20

VI-nummer: 99/000399-30

Datum uitspraak: 9 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

niet ingeschreven in de basisregistratie personen,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. Lelystad,

raadsvrouw mr. R. Bergsma, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 26 mei 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. V.A.M.G. van de Bilt heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, in de zaak met VI-nummer 99/000399-30 met 365 dagen.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het primair ten laste gelegde feit is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.1.1.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de invoer van cocaïne.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan op die wijze dat:

hij op 09 december 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in art 1 lid 4 van de Opiumwet, 601,28 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

5.1.

Strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

6.1.1. Standpunt verdediging

De verdediging heeft een beroep gedaan op psychische overmacht waardoor de verdachte zou moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Ter onderbouwing hiervan is het volgende aangevoerd. De verdachte en zijn vriendin zijn op enig moment door een groep mannen ingesloten en bedreigd, omdat de verdachte een bedrag van € 80.000,- aan hen verschuldigd zou zijn. Deze personen hebben ermee gedreigd dat de vriendin van de verdachte, zijn moeder en zijn broertje voor hun leven moesten vrezen wanneer de verdachte zijn schuld niet zou inlossen. Tevens werd de verdachte gedurende langere tijd achtervolgd en opgewacht door verschillende mannen bij onder andere zijn woning. De verdachte voelde zich uiteindelijk dusdanig ernstig bedreigd dat hij zich gedwongen voelde om cocaïne in te voeren om op die wijze zijn schuld aan deze mannen af te lossen.

6.1.2. Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op psychische overmacht toekomt, omdat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van een van buiten komende drang waaraan de verdachte geen weerstand kon en behoefde te bieden.

6.1.3. Beoordeling

Voor een geslaagd beroep op psychische overmacht moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. De rechtbank acht het beroep van de verdediging op psychische overmacht onvoldoende onderbouwd. De verdachte heeft geen concrete gegevens of stukken aangereikt die zijn verhaal over de bedreigingen waaraan hij zou zijn blootgesteld, onderbouwen. Het ligt op de weg van de verdachte om zoveel mogelijk feiten en omstandigheden te noemen aan de hand waarvan de aannemelijkheid van zijn verhaal kan worden nagegaan. Nu het dossier geen aanknopingspunt bevat dat de gestelde bedreigingen aannemelijk maakt, kan het beroep op psychische overmacht niet slagen.

6.1.4. Conclusie

De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht. Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is hij strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de invoer van cocaïne. Hij heeft de cocaïne vanuit Curaçao ingevoerd in Nederland.

Het smokkelen van drugs is een ernstig feit. De verdachte heeft een bijdrage geleverd aan het illegale circuit van invoer, distributie en verkoop van een verboden verdovend middel. Door cocaïne in te voeren heeft de verdachte bijgedragen aan het ontstaan en het in stand blijven van drugsafhankelijkheid bij derden, waardoor hun gezondheid in gevaar wordt gebracht. Drugsgebruik schaadt de volksgezondheid en wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast. De verdachte heeft hier geen oog voor gehad en ook niet voor de maatschappelijke problemen die voortvloeien uit het invoeren van cocaïne, noch voor de ernstige bedreiging voor de gezondheid van de gebruikers daarvan. Nu de verdachte handelingen heeft verricht die mede tot doel hebben illegaal drugs op de markt te brengen, dient hij streng te worden gestraft.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 mei 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De verdachte heeft eerder drugs gesmokkeld. Hij heeft hiervoor een forse gevangenisstraf opgelegd gekregen en was voorwaardelijk in vrijheid gesteld toen de verdachte opnieuw een soortgelijk feit pleegde. Kennelijk heeft de ondergane gevangenisstraf onvoldoende indruk op de verdachte gemaakt om niet opnieuw strafbare feiten te plegen.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De officier van justitie heeft geëist om aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden op te leggen. De rechtbank zal hiervan afwijken. De rechtbank zoekt daarbij aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling

8.1.

Beslissing waarvan herroeping wordt gevorderd

Bij onherroepelijk geworden vonnis van Audiencia Provincial Madrid Secciôn 17 te Madrid,

Spanje van 21 april 2006, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur

van zes jaar en één dag, met aftrek van voorarrest. Deze straf is in het kader van de Wet

Overdacht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen vanaf 24 april 2019 door Nederland verder ten

uitvoer gelegd.

De veroordeelde is op 24 juli 2019 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de hierbij gestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Tevens zijn aan de veroordeelde in dit kader diverse bijzondere voorwaarden opgelegd.

De proeftijd is ingegaan op 24 juli 2019 en bedraagt 731 dagen. Op 6 januari 2020 is een deel van de voorwaardelijke invrijheidstelling, te weten 120 dagen, herroepen door deze rechtbank, omdat de verdachte de bijzondere voorwaarden niet had nageleefd.

8.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie vordert gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor de duur van 365 dagen.

8.3.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling voor de duur van 365 dagen niet proportioneel is gezien de ernstige bedreigingen waaronder de verdachte het feit heeft begaan. De verdediging verzoekt de vordering af te wijzen en om aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling de hernieuwde bijzondere voorwaarde te verbinden dat de verdachte dient te verblijven in een 24-uurs opvanglocatie en dat hij dient te voldoen aan de andere voorwaarden die door de reclassering in het kader van zijn resocialisatie noodzakelijk worden geacht.

8.4.

Beoordeling

Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden algemene voorwaarde verwijtbaar niet nageleefd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de verdachte opnieuw een kans te geven, nu hij wist dat hij in een voorwaardelijke invrijheidsstelling liep, maar er toch voor heeft gekozen om een strafbaar feit te plegen.

Daarom zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toewijzen en gelasten dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog gedeeltelijk, te weten voor de duur van 365 dagen, moet worden ondergaan.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


wijst toe de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling;

gelast dat van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog een gedeelte, groot 365 dagen, moet worden ondergaan.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Vogtschmidt, voorzitter,

en mrs. . A. Boer en P.E. van Althuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I.A.C. van Mulbregt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 09 december 2019 en/of 10 december 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of te Rotterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in art 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 601,28 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine,

zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 december 2019 en/of 10 december 2019 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of Rotterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 601,28 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.