Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5429

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
10/680052-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor handel in cocaïne. Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/680052-20

Datum uitspraak: 9 juni 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] te ( [postcode verdachte] ) [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI Rotterdam, locatie Hoogvliet,

raadsvrouw mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat te Schiedam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 26 mei 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.H. Balk heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

De verdachte heeft het ten laste gelegde feit voor zover dit betrekking heeft op de pleegperiode van de zomer van 2019 tot en met 25 februari 2020 bekend. Dit deel van het feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.2.

Bewijswaardering

Ten aanzien van de bewezenverklaring van de pleegperiode merkt de rechtbank het volgende op.

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte al vanaf 1 januari 2019 drugs dealde. De getuigen (gebruikers) [naam getuige 1] en [naam getuige 2] verklaren dat zij sinds januari 2019 cocaïne kopen bij [bijnaam verdachte] . Zij verklaren dat zij de drugs bij [bijnaam verdachte] hebben besteld op het telefoonnummer [gsm-nummer] . Dit telefoonnummer was in gebruik bij de verdachte. De getuigen herkennen de verdachte op een foto als [bijnaam verdachte] . Hieruit blijkt dat met ‘ [bijnaam verdachte] ’ de verdachte wordt bedoeld, en dat de verdachte vanaf januari 2019 al dealde in cocaïne.

. Conclusie

Bewezen is dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2019 tot en met 25 februari 2020 schuldig heeft gemaakt aan het dealen van cocaïne. Het dealen in de periode voor 1 januari 2019 is niet bewezen en de verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feit en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 1 januari 2019 tot en met 25 februari 2020 te Gorinchem althans ergens in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, meer handels- en gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich gedurende ruim een jaar schuldig gemaakt aan het dealen in cocaïne. De verdachte heeft hierbij geen rekening gehouden met de gevolgen voor derden en de maatschappij en heeft enkel gedacht aan zijn eigen winstbejag.

Door het dealen van cocaïne heeft de verdachte bijgedragen aan het ontstaan en het in stand blijven van drugsverslaving bij derden, waardoor hun gezondheid in gevaar wordt gebracht. De illegale handel in harddrugs leidt tot zware criminaliteit en het dealen van verdovende middelen leidt tot ernstige overlast. De handel in drugs dient dan ook streng bestraft te worden.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 mei 2020, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden geëist. De rechtbank ziet echter aanleiding om van deze eis af te wijken. Zij zoekt daarbij aansluiting bij de LOVS-oriëntatiepunten.

De verdediging heeft verzocht om de onvoorwaardelijke gevangenisstraf beperkt te houden en daarnaast een taakstraf of een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Gezien de ernst van het feit ziet de rechtbank geen aanleiding om een taakstraf op te leggen. Er bestaat wel aanleiding om een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf aan de verdachte op te leggen nu de verdachte inzicht heeft gegeven in zijn beweegredenen, spijt heeft betuigd en wil proberen zijn leven te leiden zonder zich in te laten met criminaliteit

Een voorwaardelijk strafdeel dient er dan ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaringen, passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de in beslag genomen goederen het volgende gevorderd.

Voor wat betreft het in beslag genomen geld vordert hij verbeurdverklaring, nu hij ervan uitgaat dat het geld door middel van dit strafbare feit verkregen is.

Ten aanzien van de in beslag genomen grijze Toyota Yaris met kenteken [kentekennummer 1] vordert de officier van justitie verbeurdverklaring. De auto staat op de naam van de verdachte en aangezien de verdachte geen legale inkomsten heeft, gaat de officier van justitie ervan uit dat de verdachte de auto met geld dat is verkregen uit dit strafbare feit, heeft gekocht.

Ook ten aanzien van de in beslag genomen rode Toyota Yaris met kenteken [kentekennummer 2] vordert de officier van justitie verbeurdverklaring. De auto is gehuurd bij autobedrijf [naam autobedrijf] . Nu dit bedrijf geen reclame maakt voor het feit dat het auto’s verhuurt en het bedrijf wel met de verdachte in zee gaat zonder huurcontract, gaat de officier ervan uit dat de huurconstructie een schijnconstructie betreft. De auto behoort daarom aan de verdachte toe en dient verbeurd te worden verklaard.

8.2.

Standpunt verdediging

Ten aanzien van het in beslag genomen geld verzoekt de verdediging om over te gaan tot teruggave van het geld, nu de verdachte de rechthebbende is van dit geld en het afkomstig is van de verkoop van een auto

Ten aanzien van de in beslag genomen grijze Toyota Yaris met kenteken [kentekennummer 1] verzoekt de verdediging om teruggave van de auto aan de rechthebbende, [naam vader verdachte] , de vader van de verdachte. De auto is weliswaar op naam van de verdachte gekocht, maar is gekocht voor de vader van de verdachte.

Ten aanzien van de in beslag genomen rode Toyota Yaris met kenteken [kentekennummer 2] merkt de verdediging op dat hier geen sprake is van een schijnconstructie. De auto behoort niet aan de verdachte toe, maar aan Autobedrijf [naam autobedrijf] en komt daarom niet voor verbeurdverklaring in aanmerking.

8.3.

Beoordeling

Het in beslag genomen geld en de in beslag genomen grijze Toyota Yaris met kenteken [kentekennummer 1] zullen worden verbeurd verklaard.

De voorwerpen behoren aan de verdachte toe. De verdachte kan de voorwerpen geheel of ten dele ten eigen bate aanwenden en de voorwerpen zijn geheel of grotendeels door middel van de strafbare feiten verkregen.

De verklaring van de verdachte dat de grijze Toyota Yaris zou toebehoren aan zijn vader wordt ongeloofwaardig geacht. De auto staat op naam van de verdachte en de verdachte heeft bij de politie verklaard dat de auto wordt gebruikt als boodschappenauto voor de familie.

Ten aanzien van de in beslag genomen rode Toyota Yaris met kenteken [kentekennummer 2] zal een last worden gegeven tot teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. In het aanvullende proces-verbaal van bevindingen van de politie staan geen geen aanwijzingen dat de huurconstructie tussen de verdachte en het autobedrijf [naam autobedrijf] een schijnconstructie betreft, zodat de rechtbank op grond van de in het dossier bevindende stukken geen aanleiding heeft om te vermoeden dat dit anders zou zijn

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes (6) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor het feit: de € 2.090,00 en de grijze Toyota Yaris met kenteken [kentekennummer 1] ;

- gelast de teruggave aan de rechthebbende, autobedrijf [naam autobedrijf] in Culemborg: de rode Toyota Yaris met kenteken [kentekennummer 2] .

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C. Vogtschmidt, voorzitter,

en mrs. . A. Boer en P.E. van Althuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I.A.C. van Mulbregt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter en de jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 juli 2018 tot en met 25 februari 2020 te Gorinchem en/of Vijfheerenlanden, althans ergens in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een of meer handels- en/of gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.