Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5402

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
C/10/595199 / JE RK 20-1094 en C/10/595191 / JE RK 20-1091
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verzoek tot verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en vervanging gecertificeerde instelling, gewezen t.t.v. corona-maatregelen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/595199 / JE RK 20-1094 en C/10/595191 / JE RK 20-1091

datum uitspraak: 10 juni 2020

beschikking verlenging uithuisplaatsing en vervanging gecertificeerde instelling

in de zaken van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,

hierna te noemen de GI JB west, gevestigd te Den Haag,

betreffende

[naam kind] ,

geboren op [geboortedatum kind] 2015 te [geboorteplaats kind] , hierna te noemen [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de verzoekschriften met bijlagen van de GI van 15 april 2020, ingekomen bij de griffie op 20 april 2020,

- het e-mailbericht met bijlage van de GI van 4 juni 2020, ingekomen bij de griffie op dezelfde datum.

Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het Covid 19-(corona)virus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. De partijen zijn in de gelegenheid gesteld om door de kinderrechter telefonisch gehoord te worden.


Op 29 mei 2020 heeft de kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, in een groepsgesprek telefonisch gehoord:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. F. Meershoek,

- namens de vader, zijn advocaat mr. R. Vermeer,

- een vertegenwoordigster van de GI, [naam vertegenwoordigster 1] ,

- een vertegenwoordigster van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna te noemen de JBRR, [naam vertegenwoordigster 2] .

De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden – op dit moment voldoende is om tot een goed oordeel te komen en een beslissing te kunnen nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

De feiten
Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de ouders.

[naam kind] verblijft in een pleeggezin.

Bij beschikking van 24 december 2019 van de rechtbank Den Haag is de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengd tot 12 december 2020. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 12 juni 2020.

De JBRR heeft zich bij brief van 14 april 2020 bereid verklaard om de ondertoezichtstelling op zich te nemen.

De verzoeken

De GI JB west heeft verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden.

Daarnaast heeft de GI JB west verzocht om de GI Jeugdbescherming west, die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam.

De GI JB west heeft de verzoeken ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De gecertificeerde instelling dient gewijzigd te worden, omdat beide ouders in de regio Rotterdam wonen. [naam kind] is in december 2019 in een neutraal pleeggezin geplaatst. Beide ouders zouden een traject bij de Waag volgen. De moeder is hier al een aantal maanden mee bezig, maar de vader is recentelijk gestopt. De vader is van mening dat alle problemen bij de moeder liggen. Het is jammer dat de vader niet mee wil werken in het belang van [naam kind] . Omdat de moeder positieve stappen heeft gezet, is de GI van mening dat het perspectief van [naam kind] bij de moeder ligt. [naam kind] heeft nu onbegeleid contact met de moeder. Het terugplaatsingstraject moet zorgvuldig en geleidelijk gebeuren. Er bestaat een risico dat de vader een plaatsing van [naam kind] bij de moeder niet accepteert. Het is belangrijk dat de veiligheid van [naam kind] gewaarborgd blijft.

De standpunten

Door en namens de moeder is naar voren gebracht dat de moeder hard aan de doelen heeft gewerkt. De moeder begrijpt dat [naam kind] nog niet direct naar huis toe kan komen. De veiligheid van [naam kind] kan nog niet gewaarborgd worden. Er moet zicht komen op de vader. Ook moet de communicatie tussen de ouders worden verbeterd. Daarnaast wil de moeder dat de omgang wordt uitgebreid. De moeder gaat akkoord met een verlenging van de uithuisplaatsing indien er wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing.

Namens de vader is verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De vader wil dat [naam kind] bij hem komt wonen. Hij is bereid om overal aan mee te werken. Ook wil de vader onbegeleide omgang met [naam kind] . De vader heeft het gevoel dat de huidige jeugdbeschermer niet naar hem luistert.

Desgevraagd geeft de JBRR ter zitting aan dat de komende periode gekeken wordt wat er nodig is om de doelen te behalen.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de telefonische behandeling ter zitting is gebleken dat [naam kind] vanwege ernstige zorgen in de thuissituatie sinds december 2019 in een pleeggezin verblijft, waar hij zich goed ontwikkelt. Aan beide ouders zijn voorwaarden gesteld om een thuisplaatsing van [naam kind] bij één van de ouders mogelijk te maken. De moeder heeft de afgelopen periode hard gewerkt aan de voorwaarden. Zij heeft een eigen woonplek gevonden en volgt een behandeling bij de Waag. Ook staat de moeder open om in gesprek te gaan over de relatieproblemen met de vader. De vader staat hier niet voor open en heeft zijn behandeling bij de Waag niet afgerond. Omdat de moeder positieve stappen heeft gemaakt, is de GI voornemens om [naam kind] bij de moeder terug te plaatsen. Vanwege de veiligheidsrisico’s is het op dit moment echter nog te vroeg om [naam kind] bij de moeder terug te plaatsen. De terugplaatsing dient zorgvuldig plaats te vinden.

De kinderrechter is van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van [naam kind] . De komende periode dient er samen met de ouders een plan gemaakt te worden, zodat [naam kind] onbelast contact kan hebben met beide ouders.

Uit het voorgaande volgt dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de duur van zes maanden.

Ingevolge artikel 1:259 BW kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling, op verzoek van de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, de Raad voor de Kinderbescherming, een met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder.

Gelet op het feit dat de moeder en de vader beiden zijn verhuisd naar de regio Rotterdam, is de kinderrechter van oordeel dat de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, die nu belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, moet worden vervangen door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een voorziening voor pleegzorg, tot 12 december 2020;

vervangt de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. van den Bergh, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Ruijgrok als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2020.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 17 juni 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.