Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5390

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
10/681028-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor feitelijke aanranding eerbaarheid. Taakststraf 80 uren m.a. waarvan 20 uren voorwaardelijk met een prft van 3 jaar met bijzondere voorwaarden. Tevens vrijspraak voor gelijksoortig feit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/681028-19

Datum uitspraak: 24 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] (Irak) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. van Veen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Voorts vordert zij dat aan de verdachte de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd;

  • -

    oplegging van een taakstraf voor de duur van 80 uren, bij niet verrichten te vervangen door 40 dagen hechtenis met aftrek van het voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak ten aanzien van feit 2

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu de modus operandi zoals omschreven door [naam aangeefster 1] (hierna: [naam aangeefster 1] ) in haar aangifte in grote lijnen overeenkomt met de wijze waarop aangeefster [naam aangeefster 2] (hierna: [naam aangeefster 2] ) over de gebeurtenissen op diezelfde avond heeft verklaard ten aanzien van feit 1. Ook het specifieke signalement met betrekking tot het haar/de haardracht van de dader en dat hij op de fiets zat, wordt door beide aangeefsters benoemd. Daarbij heeft [naam aangeefster 2] een foto gemaakt van de dader, waarop de verdachte zich heeft herkend.

4.1.2.

Beoordeling

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt daartoe als volgt. Het door [naam aangeefster 1] opgegeven signalement van de dader komt op essentiële punten niet overeen met het signalement dat [naam aangeefster 2] in haar aangifte heeft gegeven. [naam aangeefster 1] heeft verklaard over een dader gekleed in een wit t-shirt met zwart kroezig wijd uitstaand haar dat reikte tot in zijn nek. Blijkens de foto in het dossier die [naam aangeefster 2] aan de politie heeft overgelegd en waar de verdachte zichzelf op heeft herkend, heeft de verdachte opvallend lang donker haar. Het lange haar van de verdachte is dan ook een specifiek kenmerk. Bovendien had de verdachte een zwart shirt zonder mouwen aan. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte zich ergens op de avond heeft omgekleed. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zij op grond van de bewijsmiddelen niet tot de overtuiging kan komen dat verdachte de man is die dit feit heeft gepleegd, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

4.1.3.

Conclusie

Het onder 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering ten aanzien van feit 1

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. De modus operandi ten aanzien van feit 1 en 2 verschilt dermate dat ze ook niet onderling steunend zijn.

4.2.2.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. Aangeefster [naam aangeefster 2] heeft verklaard dat ze op de avond van 29 juli 2019 op de Voordijk te Barendrecht door een man werd lastig gevallen. Terwijl ze haar hond uitliet, zag ze dat een man met lang donker haar en een zwart mouwloos shirt haar tegemoet kwam fietsen terwijl zijn geslachtsdeel uit zijn broek hing. Toen [naam aangeefster 2] de weg overstak, riep hij ‘leuk meisje’ naar haar. Vervolgens voelde ze dat iemand haar van achteren erg hard bij haar bil greep. [naam aangeefster 2] werd boos en riep dat ze de politie zou bellen. Toen de man wegfietste, heeft [naam aangeefster 2] meerdere foto’s van de man gemaakt. Verdachte heeft tegenover de politie en ter zitting verklaard dat hij de man op deze foto’s is.

De verklaring van [naam aangeefster 2] vindt steun in het overige bewijsmateriaal. Zo verklaren twee omwonenden van de Voordijk dat zij in de avond van 29 juli 2019 hebben gezien dat een man met lang zwart haar en een baard op een fiets onenigheid had met een meisje dat samen met haar hond liep.

Uit deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte op 29 juli 2019 [naam aangeefster 2] heeft aangerand.

4.2.3.

Conclusie

Wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 29 juli 2019 te Barendrecht, [naam slachtoffer 1] door een andere feitelijkheden, heeft gedwongen tot het dulden van een handeling, door die [naam slachtoffer 1] achterna te fietsen en vervolgens onverhoeds een bil) van die [naam slachtoffer 1] te betasten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

1.

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft een vrouw lastig gevallen en haar aangerand door haar achterna te fietsen en haar bij haar bil te grijpen, terwijl hij zijn genitaliën liet zien. De verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan aanranding en zich daarbij louter laten leiden door zijn eigen (seksuele) drang, zonder zich te bekommeren om de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Door zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. In het algemeen ondervinden slachtoffers van dit soort aanrandingen nog geruime tijd nadelige gevolgen. De rechtbank rekent dit de verdachte aan. Ook heeft de rechtbank meegewogen dat de verdachte de vrouw op de openbare weg heeft belaagd. In het algemeen worden dergelijke feiten in onze samenleving beschouwd als zeer verwerpelijk en vergroten ze al bestaande gevoelens van onveiligheid.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 17 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Antes heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 9 maart 2020. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte betreft een 33-jarige man, die zijn betrokkenheid bij het onderhavig tenlastegelegde ontkent. Desondanks ziet de reclassering een verband tussen onderhavige verdenkingen en het alcoholgebruik van de verdachte, nu hij doordat hij dronken was zich niets meer kan herinneren van wat er die dag is voorgevallen. Er is daarom vermoedelijk sprake van impulsief en ontremd gedrag onder invloed van alcohol. Tevens maakt de reclassering zich zorgen om het psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte. Er lijkt sprake te zijn van gebrekkig probleembesef en een gebrek aan delict- en zelfinzicht. Daarnaast zijn er aanwijzingen voor een gebrekkig empathisch vermogen. Bij Fivoor GGZ heeft de verdachte een intakegesprek gehad naar aanleiding van het schorsingstoezicht. Dit dossier werd door de stellig ontkennende houding van de verdachte afgesloten. Er worden door Fivoor GGZ echter wel aanwijzingen gezien voor een stoornis in het autisme spectrum. Hier zou verder onderzoek naar gedaan kunnen worden binnen een behandeltraject. In de overige leefgebieden worden geen problemen geconstateerd. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog vanwege de houding van de verdachte, eerdere politiemutaties in 2018 en vanwege het feit dat de slachtoffers onbekend en willekeurig door hem zijn uitgekozen.

De reclassering heeft aangegeven dat zij zich primair onthoudt van een advies vanwege de (beperkte) beschikbare informatie over de verdachte. Subsidiair adviseert de reclassering om aan de verdachte een meldplicht, ambulante behandeling en een alcoholverbod op te leggen als bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Mede gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan zal de rechtbank een taakstraf van na te noemen duur opleggen. Bij de bepaling van de duur van de taakstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Omdat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, het onder 2 ten laste gelegde feit niet bewezen acht, zal er geen gevangenisstraf worden opgelegd en is de duur van de op te leggen taakstraf korter dan is gevorderd door de officier. Gelet op de aard van het feit, het recidiverisico en het advies van de reclassering zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Anders dan door de reclassering is geadviseerd, ziet de rechtbank in de verklaring die de verdachte ter zitting heeft afgelegd over zijn alcoholgebruik geen aanleiding om de verdachte een alcoholverbod op te leggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 74 (vierenzeventig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 37 dagen;

bepaalt dat van de taakstraf een gedeelte, groot 20 (twintig) uren niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde zal zich melden bij een door Reclassering Nederland aan te wijzen instantie, zo lang en zo frequent als die reclasseringstelling noodzakelijk vindt;

2. de veroordeelde zal deelnemen aan diagnostiek. Indien de diagnostiek uitwijst dat een behandeling noodzakelijk is, zal de veroordeelde zich onder behandeling stellen bij forensische polikliniek De Waag of soortgelijke zorgverlener, dit ter beoordeling van Reclassering Nederland. De veroordeelde zal zich daarbij houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.H.J. Stemker Köster, voorzitter,

en mrs. P.E. van Althuis en F. van Buchem, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Twist, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Door omstandigheden zijn de rechters en griffier buiten staan dit vonnis te ondertekenen. Er wordt voor gezien getekend door de teamvoorzitter.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 29 juli 2019 te Barendrecht, [naam slachtoffer 1] door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, door met zijn penis uit zijn broek die [naam slachtoffer 1] tegemoet te fietsen en/of op die [naam slachtoffer 1] af te fietsen en/of daarbij (vervolgens) de woorden te roepen/zeggen: "Leuk meisje", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of (vervolgens) die [naam slachtoffer 1] achterna te fietsen en/of (vervolgens) onverhoeds in een/de bil(len) te knijpen, althans een/de bil(len) van die [naam slachtoffer 1] aan te raken en/of te betasten;

2.

hij op of omstreeks 29 juli 2019 te Barendrecht [naam slachtoffer 2] door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, door die [naam slachtoffer 2] (in het voorbij fietsen) onverhoeds in een/de bil(len) te knijpen, althans een/de bil(len) van die [naam slachtoffer 2] aan te raken en/of te betasten en/of (vervolgens) de woorden te roepen/zeggen: "Mevrouwtje, mevrouwtje, kom eens dicht bij dan kan ik hem er lekker instoppen", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of daarbij (vervolgens) zijn penis uit zijn broek te halen en/of in de hand te nemen en aan die [naam slachtoffer 2] te tonen.