Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5385

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-03-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
10/712045-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor feitelijke aanranding en ontucht met kind. Gevangennisstraf voor de duur van 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk m.a. en een contactverbod in de vorm van een maatregel. Vordering benadeelde partij deels toegewezen. Overweging m.b.t. verjaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/712045-18

Datum uitspraak: 24 maart 2020

Tegenspraak (art. 279 Sv)

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte], [woonplaats verdachte],

laatst opgegeven woon- of verblijfadres:

[verblijfadres verdachte], [verblijfplaats verdachte],

gemachtigd raadsman mr. M.J.C. Verlaan, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 maart 2020.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. van Veen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest;

  • -

    oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contactverbod met [naam aangeefster].

4. Ontvankelijkheid officier van justitie

4.1.

Beoordeling

Ten aanzien van feit 2 merkt de rechtbank ambtshalve het volgende op. Aangeefster is geboren op [geboortedatum aangeefster], zodat de verjaringstermijn op grond van artikel 71 lid 3 op 6 februari 2008 (de dag na haar achttiende verjaardag) is aangevangen. De verjaringstermijn, die voor feit 2 twaalf jaar is, verstreek op 6 februari 2020. De verjaring is echter gestuit met de brief van 7 september 2018 waarin het Openbaar Ministerie – onder verwijzing naar het parketnummer van deze zaak – de dagvaarding voor de meervoudige kamer aan de verdachte heeft aangekondigd. Deze brief moet gelet op de inhoud daarvan in combinatie met de bijgevoegde concept-tenlastelegging worden gezien als een daad van vervolging. Het onder feit 2 ten laste gelegde is daardoor niet verjaard.

4.2.

Conclusie

De officier van justitie is ontvankelijk.

5. Waardering van het bewijs

5.1.

Bewijswaardering ten aanzien van feit 1 en feit 2

5.1.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de ten laste gelegde ontuchtige handelingen onder beide feiten alleen het betasten van de borsten en de billen van aangeefster wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Naast de aangifte bevat het dossier onvoldoende steunbewijs om tot een bewezenverklaring van meer ontuchtige handelingen te komen. Voor feit 2 leidt dit om die reden tot een partiële vrijspraak, te weten van de overige tenlastegelegde ontuchtige handelingen. Voor feit 1 heeft de verdediging integrale vrijspraak bepleit omdat niet kan worden bewezen aangeefster is gedwongen tot het dulden van de ontuchtige handelingen door geweld, een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid. Hiervoor bevat het dossier geen wettig en overtuigend bewijs. Het enkele feit dat de aangeefster en de verdachte een vader-dochterrelatie hebben, is volgens jurisprudentie onvoldoende om vast te stellen dat de verdachte een zodanige psychische druk op haar heeft uitgeoefend dat zij zich niet tegen zijn handelingen kon verzetten.

5.1.2.

Beoordeling

In 2017 heeft [naam aangeefster], geboren op [geboortedatum aangeefster], aangifte gedaan van aanranding door haar vader. [naam aangeefster] heeft verklaard dat vanaf het moment dat zij borsten kreeg, zo rond haar twaalfde jaar, haar vader is begonnen met het betasten van haar borsten. Later heeft hij ook haar billen betast. Het betasten van haar borsten en billen heeft volgens [naam aangeefster] tot haar vijftiende jaar plaatsgevonden in haar ouderlijk huis in Hoogvliet en na de scheiding van haar ouders in de woning van de tweede ex-partner van de verdachte, [naam ex]. De verdachte heeft blijkens een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 4 juni 2007 en blijkens de verklaringen van de zus van aangeefster, [naam zus aangeefster], en [naam ex] bekend dat hij de borsten en billen van de destijds minderjarige [naam aangeefster] heeft betast.

De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen van seksuele aard zijn, waarbij die handelingen dusdanig in strijd zijn met de geldende sociaal-ethische norm, dat sprake is van ontucht.

[naam aangeefster] heeft in haar aangifte nog over andere handelingen van de verdachte verklaard, waarover de verdachte bij de politie geen verklaring wenste af te leggen. Zo heeft zij verklaard dat zij op enig moment na het douchen door de verdachte naar zijn slaapkamer werd geroepen. [naam aangeefster] heeft toen een handdoek om haar naakte lichaam geslagen en is naar de verdachte gelopen. Eenmaal in de slaapkamer heeft de verdachte haar borsten en billen betast en erin geknepen. [naam aangeefster] lag hierbij onder de verdachte op het bed. Zij heeft geprobeerd hem te schoppen en te duwen om hem van zich af te krijgen. Toen zij van hem wegdraaide maakte ze per ongeluk een scheetgeluidje waarna de verdachte is gestopt en zijn excuses aan haar aanbood.

[naam aangeefster] heeft verder verklaard over een moment waarop de [naam aangeefster] de verdachte drie kussen wilde geven om hem gedag te zeggen. In plaats van drie zoenen op haar wang te geven, voelde [naam aangeefster] de tong van de verdachte over haar wang en over haar lippen. [naam aangeefster] heeft haar lippen toen op elkaar gehouden, zodat hij haar geen tongzoen kon geven.

Uit de getuigenverklaring van [naam zus aangeefster] volgt dat [naam aangeefster] destijds [naam zus aangeefster] in vertrouwen heeft verteld dat de verdachte dingen bij haar deed die [naam aangeefster] niet leuk vond. Zo kan [naam zus aangeefster] zich nog herinneren dat toen zij elf jaar oud was [naam aangeefster] haar heeft verteld dat haar vader haar borsten en billen had betast, nadat zij met een omgeslagen handdoek uit de badkamer was gekomen. [naam zus aangeefster] heeft daarbij tevens verklaard over het detail van het scheetgeluidje, wat deze verklaring authentiek maakt. Ook heeft zij verklaard over het moment dat [naam aangeefster] haar vertelde dat de verdachte haar had geprobeerd te tongzoenen.

Ook [naam ex] is als getuige gehoord. Zij heeft verklaard dat [naam aangeefster], toen zij 15 jaar oud was, bij [naam ex] voor de deur stond en haar heeft verteld dat de verdachte haar had proberen te tongzoenen en dat zij een keer naakt op bed lag en de verdachte haar billen betastte en zij toen een scheet liet. Verder heeft [naam ex] verklaard dat de verdachte zich anders gedroeg naar [naam aangeefster] dan naar haar zusjes. Zo pakte de verdachte [naam aangeefster] wel eens vast en legde hij een hand op haar been, waarna hij deze steeds hoger legde. Ook hoorde ze de verdachte tegen [naam aangeefster] zeggen dat ze mooie dijen en een mooie kont had en een echt vrouwtje werd.

De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [naam zus aangeefster] en [naam ex] geen ‘de auditu’ (van horen zeggen)-verklaringen betreffen, maar verklaringen over hetgeen de aangeefster rechtstreeks tegen hen heeft gezegd. Deze verklaringen ondersteunen de aangifte dan ook in voldoende mate. Tevens hebben [naam aangeefster] en [naam ex] verklaard dat zij de verdachte hebben geconfronteerd met zijn handelingen, in reactie waarop de verdachte bleef zeggen dat hij ziek was in zijn hoofd. De verdachte spreekt in de Whatsappberichten zelf ook over zijn zieke geest. Wanneer [naam aangeefster] schrijft: ‘Je had met je tengels van ons af moeten blijven’, antwoordt hij: ‘Snap het’ en ‘Ja dat zeker’.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan het likken van de lippen en wangen van [naam aangeefster] en dat hij op haar is gaan liggen. Ook deze handelingen zijn dusdanig in strijd met de sociaal-ethische norm dat sprake is van ontuchtige handelingen, waarbij de rechtbank voor wat betreft het liggen op [naam aangeefster] de gehele context in aanmerking neemt (het betasten van haar billen en borsten op bed terwijl zij slechts een handdoek om haar naakte lichaam heeft geslagen).

Anders dan de verdediging heeft betoogd kan op grond van de aangifte en de ondersteunende verklaringen van [naam zus aangeefster] en [naam ex] ook worden bewezen dat aangeefster is gedwongen tot het dulden van de ontuchtige handelingen door geweld, een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid. Het geweld en de feitelijkheden bestaan eruit dat de verdachte de aangeefster op verschillende momenten onverhoeds heeft vastgepakt en aangeraakt, terwijl zij hiertegen protesteerde en tegenstribbelde. Daarnaast is de verdachte op [naam aangeefster] gaan liggen, terwijl zij hem probeerde weg te duwen en zich probeerde weg te draaien. Dit levert, naast het natuurlijke overwicht voortvloeiende uit het leeftijdsverschil en de vader-dochterrelatie, eveneens een fysiek overwicht op [naam aangeefster] op.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat aangeefster door geweld, een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid is gedwongen tot het dulden van het betasten door de verdachte van haar schaamstreek. De verdachte zal voor dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Dit ligt anders voor feit 2. [naam ex] heeft verklaard dat zij zich kan herinneren dat zij in haar ooghoek zag dat de verdachte [naam aangeefster] vastpakte, waarna zij op een later moment van [naam aangeefster] hoorde dat de verdachte haar tussen de benen had gepakt. Op dat moment dat het

gebeurde hoorde zij [naam aangeefster] zeggen dat de verdachte moest opkankeren en met zijn klauwen van haar af moest blijven. Daarmee kan naar het oordeel van de rechtbank worden bewezen dat de verdachte de schaamstreek van aangeefster heeft betast. Deze handeling kwalificeert als ontucht met een minderjarige als bedoeld in artikel 249 Sr.

5.1.3.

Conclusie

Op basis van voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde (de feitelijke aanranding), alsmede het onder feit 2 ten laste gelegde (plegen van ontucht met zijn minderjarige kind) heeft begaan.

5.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005, te Hoogvliet en Spijkenisse meermalen telkens door geweld en/of andere feitelijkheden iemand, te weten zijn, verdachtes, dochter [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer]) heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, bestaande uit:

- het betasten van de borsten en de billen van die [naam slachtoffer] en

- het gaan liggen op het lichaam van die [naam slachtoffer] en

- het likken van de lippen en de wang van die [naam slachtoffer]

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheden hieruit, dat hij, verdachte, onverhoeds

- die [naam slachtoffer] heeft beetgepakt en

- de billen van die [naam slachtoffer] met zijn, verdachtes, handen uit elkaar heeft

gehaald en

- op het lichaam van die [naam slachtoffer] is gaan liggen en

- onder de handdoek van die [naam slachtoffer] had omgeslagen met zijn handen is gegaan en

- aan de verbale en non-verbale protesten van die [naam slachtoffer] voorbij is gegaan en

- dat er sprake was van misbruik van uit feitelijke verhoudingen (te weten de relatie vader - dochter) en omstandigheden voortvloeiend overwicht en dat er (aldus) sprake was van een afhankelijkheidsrelatie en

- dat er sprake was van een uit verdachtes leeftijd voortvloeiend psychisch en fysiek en geestelijk overwicht en

- dat hij, verdachte, (aldus) een voor die [naam slachtoffer] dreigende situatie heeft doen ontstaan;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005, te Hoogvliet en Spijkenisse, in elk geval in Nederland meermalen ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige kind, te weten [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer]), door

- de borsten en de billen en de schaamstreek van die [naam slachtoffer] te betasten en

- op het lichaam van die [naam slachtoffer] te gaan liggen en

- het likken van de lippen ende wang van die [naam slachtoffer].

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring in cursief verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

6. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. en 2:

De eendaadse samenloop van feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd en ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd

2. (ten aanzien van het betasten van de schaamstreek)

Ontucht plegen met zijn minderjarige kind

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering straf en maatregel

8.1.

Algemene overweging

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

8.2.

Feiten waarop de straf en maatregel zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met zijn minderjarige dochter. Hij heeft, toen zij tussen de 12 en 15 jaar oud was, verschillende malen haar borsten, billen en schaamstreek betast, haar lippen en wang gelikt om haar te kunnen tongzoenen en is bovenop haar gaan liggen. De verdachte heeft hiermee een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer, dat vanwege haar leeftijd en haar relatie met de verdachte in een kwetsbare positie verkeerde en niet in afdoende mate in staat was om aan het handelen van de verdachte weerstand te bieden. Hij heeft hiermee respectloos gehandeld richting het slachtoffer en haar vertrouwen geschaad. Bovendien heeft hij van een plek die bij uitstek veilig moet zijn voor kinderen, namelijk de eigen woning, tot een onveilige plek gemaakt. Bij zijn handelen heeft de verdachte zich enkel laten leiden door seksuele verlangens en heeft daarbij geen rekening gehouden met de mogelijke impact daarvan op het slachtoffer. Deze gedragingen kunnen, naar de ervaring leert, voor slachtoffers ernstige psychische gevolgen hebben. Dit is nog eens duidelijk naar voren gekomen in de schriftelijke slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgedragen en waarin het slachtoffer heeft laten weten dat zij ook jaren later nog veel last ervaart. De rechtbank rekent de verdachte dit alles aan.

8.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

8.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
17 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

8.3.2.

Rapportages

Psycholoog O. van der Bent heeft met betrekking tot het trajectconsult Nederlands Instituut voor de Forensische Psychiatrie en Psychologie een rapport opgemaakt, gedateerd 11 oktober 2018. Dit houdt kort gezegd het volgende in.

De verdachte betreft een 43-jarige man die ontkent dat hij ontuchtige handelingen met zijn dochter heeft gepleegd, wel zegt hij op een plagende manier één of twee keer in haar borsten te hebben geknepen. Mogelijk is er sprake van narcistische problematiek en in het verleden van problematisch alcoholgebruik. Er wordt een monodisciplinair psychologisch onderzoek aanbevolen indien er behoefte is aan meer informatie omtrent de persoonlijkheid van de verdachte.

Naar aanleiding van het voorgaande heeft psycholoog T. ’t Hoen in maart 2019 gepoogd een rapport over de verdachte op te maken. Het is – ondanks herhaalde pogingen hiertoe – niet gelukt om contact te krijgen met de verdachte.

Voorts heeft Reclassering Nederland een ongedateerd rapport over de verdachte opgemaakt, welke op 9 maart 2020 door de rechtbank is ontvangen. Dit rapport houdt het volgende in.

Uit het gesprek met de verdachte zijn geen zorgpunten naar voren gekomen waarbij de reclassering betrokken dient te worden. Gezien zijn ontkennende houding onthoudt de reclassering zich van advies ten aanzien van een eventuele strafafdoening of bijzondere voorwaarden. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag.

De rechtbank heeft acht geslagen op voornoemde rapportages.

8.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gelet op de ernst van de feiten en gezien de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, vindt de rechtbank enkel het opleggen van een gevangenisstraf passend. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Daarbij wordt rekening gehouden met de eendaadse samenloop ten aanzien van het overgrote deel van de bewezenverklaring.

De rechtbank neemt verder in het nadeel van de verdachte mee dat hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden. Dit blijkt temeer uit het feit dat de verdachte niet is verschenen op de terechtzitting terwijl, op diens verzoek, meermalen is gepoogd om een zittingsdatum te plannen waarbij hij aanwezig kon zijn.

De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen, met daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Daartoe is aangevoerd dat de gezondheidssituatie van de verdachte het niet toelaat om een gevangenisstraf uit te zitten.

De rechtbank is va oordeel dat de wet geen mogelijkheid biedt om een taakstraf op te leggen, nu er in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht is opgenomen dat het niet mogelijk is om een taakstraf op te leggen voor een feit waarop een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar of meer is gesteld en een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad.

Omdat de verdachte wederom een gezin met jonge kinderen heeft en uit het dossier aanwijzingen naar voren komen dat hij eerder kinderen seksueel benaderd heeft, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Om te voorkomen dat het slachtoffer met de verdachte wordt geconfronteerd, wordt aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met [naam aangeefster] (geboren op [geboortedatum aangeefster]).

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden.

9. Voorlopige hechtenis

De rechtbank ziet aanleiding de gevangenneming van de verdachte te bevelen.

Op 2 september 2019 heeft de Verkeerstoren contact gezocht met de raadsman van verdachte om de zaak tegen de verdachte op zitting in te plannen. Bij herhaling heeft de raadsman aangegeven dat een door de rechtbank voorgestelde zittingsdatum niet haalbaar is, omdat de verdachte in het buitenland verblijft (bericht van de raadsman van 3 september 2019), dan wel dat de verdachte een operatie moet ondergaan waarvan het herstel langere tijd vraagt (bericht van de raadsman van 13 september 2019 en 28 oktober 2019). Opvallend is verder dat – ondanks herhaald verzoek vanuit de Verkeerstoren – een onderbouwing van (de medische noodzaak van) die operatie uitblijft.

Nadat zes mogelijke data voor een zitting de revue zijn gepasseerd is in overleg met de verdediging de datum van 10 maart 2020 als zittingsdatum afgesproken, zodat de verdachte – overeenkomstig diens verzoek – hierbij aanwezig kon zijn. Verdachte is vervolgens niet op zitting verschenen. Desgevraagd heeft de raadsman hierover ter zitting aan de rechtbank medegedeeld dat verdachte in het buitenland verblijft.

Het bovenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat er een reële kans bestaat dat de verdachte zich duurzaam aan zijn berechting zal onttrekken. Hiermee is een gevaar voor vlucht aannemelijk geworden. Bovendien bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een gevaar voor herhaling. Dat laatste wordt nog versterkt nu uit het dossier ook aanwijzingen naar voren komen dat verdachte mogelijk een van zijn andere kinderen seksueel heeft benaderd.

Het bevel gevangenneming is in een aparte beslissing geminuteerd.

10. Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 7.500,00 aan immateriële schade.

10.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering tot een bedrag van
€ 5.000,00 voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vordering te hoog is in vergelijking met de vergelijkbare uitspraken en verzoekt dit bedrag te matigen tot een bedrag tussen de € 1.000,00 en € 2.000,00.

10.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door de bewezen verklaarde strafbare feiten waarmee bij de strafoplegging rekening is gehouden, rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 4.000,00, zodat de vordering tot dit bedrag zal worden toegewezen. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de datum van de aangifte, te weten 6 juli 2017.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

10.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 4.000,00 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Over een deel van de gevorderde schadevergoeding wordt in deze procedure geen inhoudelijke beslissing genomen.

11 . Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 55, 57, 246 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

12 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

13. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden;

bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beveelt de gevangenneming van de verdachte;

legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 3 jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen:

zich te onthouden van direct of indirect contact met [naam aangeefster] (geboren [geboortedatum aangeefster]);

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van één week, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde], te betalen een bedrag van € 4.000,00 (zegge: vierduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 6 juli 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 4.000,00 (hoofdsom, zegge: vierduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 50 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.H.J. Stemker Köster, voorzitter,

en mrs. P.E. van Althuis en F. van Buchem, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Twist, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Door omstandigheden zijn de rechters en griffier buiten staan dit vonnis te ondertekenen. Er wordt voor gezien getekend door de teamvoorzitter.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005, te Hoogvliet en/of Spijkenisse, in elk geval in Nederland (meermalen) (telkens) door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) iemand, te weten (zijn, verdachtes, dochter) [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer]) heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit:

- het betasten van de borsten en/of de billen en/of de schaamstreek van die

[naam slachtoffer] en/of

- het gaan liggen op het geheel ontklede lichaam van die [naam slachtoffer] en/of

- het likken van de lippen en/of een/de wang(en) van die [naam slachtoffer]

en bestaande dat geweld en/of (die) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) hieruit, dat hij, verdachte, (onverhoeds)

- die [naam slachtoffer] heeft beetgepakt en/of

- de billen van die [naam slachtoffer] met zijn, verdachtes, handen uit elkaar heeft

gehaald en/of

- die [naam slachtoffer] op een bed heeft gegooid/geduwd en/of

- op het lichaam van die [naam slachtoffer] is gaan liggen en/of

- onder de kleding van die [naam slachtoffer] en/of onder de handdoek die die [naam slachtoffer] had omgeslagen en/of onder het deken/laken waaronder die [naam slachtoffer] lag met zijn handen is gegaan en/of

- die [naam slachtoffer] in/bij haar schaamstreek heeft vastgegrepen en/of

- aan de (verbale en/of non-verbale) protesten van die [naam slachtoffer] voorbij is gegaan en/of

- dat er sprake was van misbruik van uit feitelijke verhoudingen (te weten de relatie vader - dochter) en/of omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of dat er (aldus) sprake was van een afhankelijkheids- en/of machtsrelatie en/of

- dat er sprake was van een uit verdachtes leeftijd voortvloeiend psychisch en/of fysiek en/of geestelijk overwicht en/of

- dat hij, verdachte, (aldus) een voor die [naam slachtoffer] dreigende situatie heeft

doen ontstaan;

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2005, te Hoogvliet en/of Spijkenisse, in elk geval in Nederland (meermalen) ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige kind, te weten [naam slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer]), door

- de borsten en/of de billen en/of de schaamstreek van die [naam slachtoffer] te betasten en/of

- op het geheel ontklede lichaam van die [naam slachtoffer] te gaan liggen en/of

- het likken van de lippen en/of een/de wang(en) van die [naam slachtoffer].