Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5366

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
19-06-2020
Zaaknummer
10/228502-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zaak waarin het geld van ouderen is verduisterd. Veroordeling voor diefstal d.m.v. valse sleutels en verduistering. Deels vrijspraak. Gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden m.a. met bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 240 uur. Benadeelde partijen deels toegewezen, deels niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/228502-19

Datum uitspraak: 13 maart 2020

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. J.A. Smits, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 februari 2020 en van 31 januari 2020 (zulks op de voet van artikel 377, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering).

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.L. Goudzwaard heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Voorts is gevorderd dat aan de verdachte de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd en daarnaast een taakstraf voor de duur van 240 uren, bij niet verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewezenverklaring ten aanzien van feit 1

Het onder 1 tenlastegelegde is door de verdachte bekend. Wel oordeelt de rechtbank dat alleen ten aanzien van de bedragen die de verdachte zonder toestemming van de aangevers heeft gepind, kan worden bewezen dat er sprake is van wederrechtelijk wegnemen (lees: diefstal) van die bedragen, hetgeen tot uitdrukking zal worden gebracht in de bewezenverklaring.

Ten aanzien van de met toestemming van de aangevers gepinde geldbedragen is sprake van verduistering (zoals onder feit 1, tweede cumulatief-alternatief ten laste is gelegd), indien zij de betreffende aangever (bijvoorbeeld) had toegezegd daarmee activiteiten te organiseren en zij die intentie ook had, maar het geld door de verdachte niettemin is gebruikt om te gokken. Zij had het geld dan immers ‘anders dan door misdrijf’ onder zich. Dat was bij aangevers
[naam aangever 1] (hierna: [naam aangever 1] ) en [naam aangever 2] (hierna: [naam aangever 2] ) het geval. In de bewezenverklaring wordt daarmee rekening gehouden. Zie hieromtrent hierna ook de overweging onder feit 2.

Verder overweegt de rechtbank nog het volgende.

De verdachte heeft [naam aangever 3] (hierna: [naam aangever 3] ) voorgehouden dat zij ter zake van een bedrag van € 400,00 een investering in België zou doen. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de verdachte dat op enig moment van plan is geweest. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verdachte dat geld onder valse voorwendselen [naam aangever 3] heeft verkregen en dat daarmee sprake was van oplichting. In dat geval kan niet worden bewezen dat de verdachte het desbetreffende geldbedrag “anders dan door misdrijf” onder zich had, als bedoeld in artikel 321 Sr. Hier is dan noch sprake van diefstal, noch sprake van verduistering. Oplichting van [naam aangever 3] is voorts niet ten laste gelegd, zodat de rechtbank daarover geen oordeel kan geven. Derhalve dient de verdachte van dit onderdeel te worden vrijgesproken.

De verdachte wordt ook vrijgesproken van de verduistering van het geldbedrag van € 500 van [naam aangever 4] (hierna: [naam aangever 4] ), dat zij van [naam aangever 4] mocht opnemen van haar bankrekening. [naam aangever 4] heeft verklaard dat de verdachte haar heeft gevraagd om dit geldbedrag aan haar te lenen. Uit de aangifte volgt niet dat er afspraken zijn gemaakt over de bestemming van het geleende geld. Het stond de verdachte in zoverre ook vrij om daarmee te gaan gokken. De verdachte heeft het geleende geldbedrag weliswaar niet volledig terugbetaald, waarmee wellicht sprake is van een toerekenbare tekortkoming naar civiel recht, maar dit levert op zichzelf geen wederrechtelijke toeëigening als bedoeld in artikel 321 Sr op. Zij heeft dit geld daarom noch gestolen, noch verduisterd. Ook hiervoor dient derhalve vrijspraak te volgen.

Aangeefster [naam aangever 1] heeft verder in haar aangifte slechts verklaard dat zij haar pinpas heeft afgegeven zodat de verdachte een klein bedrag kon pinnen voor door de verdachte te organiseren activiteiten. [naam aangever 1] heeft voor zover bekend geen concreet bedrag genoemd. Gegeven de feitelijke omstandigheden staat echter naar het oordeel van de rechtbank vast dat de afspraak tussen partijen niet méér heeft ingehouden dan dat de verdachte maximaal enkele honderden euro’s mocht opnemen. Evident is in ieder geval dat de verdachte geen toestemming had om een bedrag van € 1.970,00 op te nemen. De verdachte heeft dit ook geweten. Ten aanzien van [naam aangever 1] zal daarom bewezen worden verklaard dat de verdachte een geldbedrag heeft weggenomen. Voor het meerdere heeft zij het bedrag verduisterd, zoals subsidair ten laste gelegd. Ook dit bedrag kan niet concreet worden vastgesteld, dus zal ook ten aanzien daarvan een geldbedrag bewezen worden verklaard.

Voor het overige zal feit 1 zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard, nu daarvan geen vrijspraak is bepleit.

4.2.

Bewijswaardering van feit 2

4.2.1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 2, met uitzondering van de verduistering van het geldbedrag toebehorend aan [naam aangever 5] (hierna: [naam aangever 5] ).

De verdachte heeft de overige aangevers – haar medebewoners – gevraagd om haar geld te lenen om activiteiten in de recreatieruimte te organiseren. De verdachte heeft vervolgens daadwerkelijk activiteiten georganiseerd en daarvoor kosten gemaakt. Zij is niet gaan gokken met de ontvangen geldbedragen. Bij die stand van zaken is er geen sprake van wederrechtelijke toe-eigening.

4.2.2.

Beoordeling

De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat zij het een geldbedrag van € 1.000,00 van [naam aangever 5] heeft gebruikt om te gokken. Dit onderdeel van feit 2 zal derhalve zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van de verduistering van geldbedragen toebehorend aan [naam aangever 6] (hierna: [naam aangever 6] ), [naam aangever 1] , [naam aangever 7] (hierna: [naam aangever 7] ) en [naam aangever 8] (hierna: [naam aangever 8] ) oordeelt de rechtbank als volgt.

De rechtbank volgt de verdachte in haar verklaring dat zij het voornemen had om activiteiten in de recreatieruimte te organiseren. In december 2018 heeft de verdachte hiertoe een geldbedrag ontvangen van Stichting Opzoomer. Vervolgens is zij een bewonersinitiatief gestart om bij Stichting Opzoomer aanspraak te kunnen maken aanvullende subsidie voor activiteiten. Zij heeft haar medebewoners in januari/februari 2019 van haar plannen op de hoogte gesteld en hen vervolgens gevraagd om haar in afwachting van de ontvangst van de subsidie geld te lenen om alvast activiteiten te kunnen organiseren. De verdachte heeft vervolgens contante geldbedragen ontvangen van [naam aangever 6] , [naam aangever 1] , [naam aangever 7] en [naam aangever 8] .

Vast staat dat de verdachte (ernstig) gokverslaafd was ten tijde van het ten laste gelegde. Gelet op de bewezenverklaring van feit 1 staat daarnaast vast dat de verdachte er niet voor terugdeinst om geld van derden aan te wenden om in haar verslaving te voorzien. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de verdachte in de maanden januari tot en met juni 2019 met zeer grote regelmaat het casino heeft bezocht, terwijl uit de verklaringen van de aangevers bovendien kan worden afgeleid dat de verdachte (in die periode) nauwelijks activiteiten heeft georganiseerd. Uit de verklaring van de verdachte blijkt verder dat de activiteiten die zijn georganiseerd naar hun aard niet kostbaar waren en dat de bewoners bovendien voor (bepaalde) activiteiten zelf een bijdrage dienden te voldoen. Ook heeft zij in december 2018 een geldbedrag van Opzoomer ontvangen wat zij kon aanwenden voor activiteiten. De verdachte heeft ten slotte weliswaar verklaard dat zij kosten heeft gemaakt voor het organiseren van activiteiten, doch zij heeft dit in het geheel niet inzichtelijk gemaakt, hetgeen gezien de verdenking wel op haar weg had gelegen. In zoverre is haar verklaring derhalve niet aannemelijk geworden.

De rechtbank kan niet vaststellen dat het niet de intentie van de verdachte is geweest om, zoals zij zelf heeft verklaard, activiteiten te organiseren van het geld. De rechtbank houdt het er daarom voor dat zij het geld in zoverre legitiem, dus ‘anders dan door misdrijf’, onder zich had. Dat strookt ook met de ten laste gelegde verduistering. Echter, op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, moet het er wel voor worden gehouden dat de verdachte de van [naam aangever 6] , [naam aangever 1] , [naam aangever 7] en [naam aangever 8] ontvangen geldbedragen uiteindelijk niet heeft gebruikt om daarmee activiteiten te organiseren, maar heeft gebruikt om daarmee te gokken. Nu zij deze bedragen onder zich had teneinde daarmee activiteiten te organiseren, maar zij dit geld zonder toestemming voor een ander doel heeft aangewend, heeft zij zich dit wederrechtelijk toegeëigend. De onder feit 2 ten laste gelegde verduistering kan daarom worden bewezen, voor zover deze betrekking heeft op de van [naam aangever 6] , [naam aangever 1] , [naam aangever 7] en [naam aangever 8] ontvangen geldbedragen.

De verdachte wordt vrijgesproken van de verduistering van het geldbedrag dat zij van [naam aangever 9] (hierna: [naam aangever 9] ) heeft ontvangen. [naam aangever 9] heeft verklaard dat de verdachte hem heeft gevraagd om een geldbedrag aan haar te lenen. Er zijn verder geen afspraken gemaakt over de bestemming van het geleende geld. Het stond de verdachte in zoverre dan ook vrij om daarmee te gaan gokken. De verdachte heeft het geleende geldbedrag weliswaar niet volledig terugbetaald, waarmee wellicht sprake is van een toerekenbare tekortkoming naar civiel recht, maar dit levert op zichzelf geen wederrechtelijke toeëigening als bedoeld in artikel 321 Sr op. Daarmee kan niet worden bewezen dat de verdachte dit geld heeft verduisterd.

De verdachte wordt eveneens vrijgesproken van de verduistering van de geldbedragen die zij van [naam aangever 10] (hierna: [naam aangever 10] ) en [naam aangever 11] (hierna: [naam aangever 11] ) heeft ontvangen. Aan [naam aangever 10] en [naam aangever 11] heeft de verdachte het voorstel gedaan om door hen ter beschikking te stellen geldbedragen “te investeren”, om deze vervolgens met winst terug te betalen. Gesteld noch gebleken is dat de verdachte dat op enig moment van plan is geweest. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de verdachte dat geld onder valse voorwendselen van [naam aangever 10] en [naam aangever 11] heeft verkregen en dat er sprake was van oplichting. In dat geval kan niet worden bewezen dat de verdachte de desbetreffende geldbedragen “anders dan door misdrijf” onder zich had als bedoeld in artikel 321 Sr. Op grond hiervan is geen sprake van verduistering. Oplichting van [naam aangever 10] en [naam aangever 11] is voorts niet ten laste gelegd, zodat de rechtbank daarover geen oordeel kan geven.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring van feit 1 (eerste cumulatief-alternatief – diefstal) redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring van feit 1 (tweede cumulatief-alternatief – verduistering) en feit 2 redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

zij in de periode van 1 februari 2019 tot en met 30 juni 2019, op meerdere tijdstippen, te Rotterdam, althans in Nederland, heeft weggenomen telkens met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen:

- meerdere geldbedragen van in totaal €2.550,00, die geheel aan een ander toebehoorden, te weten aan [naam slachtoffer 1] en

- meerdere geldbedragen van in totaal € 1.700,00 die geheel aan een ander toebehoorden, te weten aan [naam slachtoffer 2] en

- een geldbedrag, dat geheel aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 3] en

- meerdere geldbedragen van in totaal € 3.900,00, die geheel aan een ander toebehoorden, te weten aan [naam slachtoffer 4] ,

terwijl verdachte zich die weg te nemen geldbedragen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruik te maken van de bankpassen en pincodes van die [naam slachtoffer 1] , [naam slachtoffer 2] , [naam slachtoffer 3] en [naam slachtoffer 4] , tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd was;

en/of

zij in de periode van 1 februari 2019 tot en met 30 juni 2019, op meerdere tijdstippen, te Rotterdam, althans in Nederland, telkens opzettelijk:
- een geldbedrag dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 3] en
- een geldbedrag van in totaal €300,- dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 4] ,
en welke geldbedragen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als lener, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

zij in de periode van 1 februari 2019 tot en met 30 juni 2019, op meerdere tijdstippen, te Rotterdam, althans in Nederland, telkens opzettelijk:

- meerdere geldbedragen van in totaal €1000,-, die geheel aan een ander toebehoorden, te weten aan [naam slachtoffer 5] ,

- meerdere geldbedragen van in totaal €1250,-, die geheel aan een ander toebehoorden, te weten aan [naam slachtoffer 6] en- een geldbedrag van €500,-, dat geheel aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 3] enf

- een geldbedrag van €550,-, dat geheel aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 7] en- meerdere geldbedragen van in totaal €500,-, die geheel aan een ander toebehoorden, te weten aan [naam slachtoffer 8] ,

en welke geldbedragen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als lener, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1.

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd

en

verduistering, meermalen gepleegd

2.

Verduistering, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal door middel van een valse sleutel. Van verschillende medebewoners uit haar eigen woningcomplex heeft de verdachte een pinpas gekregen om daarmee een bepaald bedrag te pinnen die bestemd was voor het organiseren van activiteiten in het woningcomplex. De verdachte heeft met deze pinpassen meermalen een hoger bedrag opgenomen dan waarvoor zij toestemming had gekregen van de eigenaren van de pinpassen.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan verduistering. Het geld dat zij aan haar medebewoners heeft gevraagd met de aankondiging daar activiteiten voor hen van te organiseren, heeft zij gebruikt om in haar gokverslaving te voorzien. De slachtoffers zijn oudere en kwetsbare mensen, die bovendien een vertrouwensband met de verdachte hadden. Dit vertrouwen heeft de verdachte ernstig geschaad door op deze manier misbruik van hen te maken. Uit de verklaringen van meerdere aangevers komt ook naar voren dat zij juist het schenden van de vertrouwensband door de verdachte als pijnlijk hebben ervaren. Sommige ouderen zijn bovendien door het handelen van de verdachte ernstig in de financiële problemen geraakt. Kennelijk heeft de verdachte alleen haar eigen gewin voor ogen gehad, al dan niet gevoed door haar jarenlange gokverslaving en zich niets gelegen laten liggen aan de gevolgen die haar handelwijze voor haar kwetsbare slachtoffers zou hebben. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 februari 2020, waaruit blijkt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaar niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Antes heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 26 februari 2020. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De verdachte is een 56-jarige vrouw met een gokverslaving. Deze verslaving staat in direct verband met onderhavige feiten. De verdachte heeft door recente persoonlijke omstandigheden, en het gevoel van controleverlies dat zij daardoor had, een terugval had. De verdachte heeft zich vier weken lang klinisch laten opnemen voor haar gokverslaving en een nazorgtraject afgerond.

Er zijn heden vermoedens dat zij opnieuw een terugval heeft. Door de gokverslaving van de verdachte is er eveneens sprake van schuldenproblematiek, waardoor de kans bestaat dat de verdachte wederom in haar omgeving geld zal lenen om te kunnen gokken. Dit houdt de problematiek in stand.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Mede gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan zal de rechtbank een forse taakstraf van na te noemen duur opleggen, gelijk aan de eis van de officier van justitie. Bij de bepaling van de duur van de straf is acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Nu de reclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, zal de rechtbank tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Gelet op de ernst van de feiten en zorgen omtrent de huidige situatie van de verdachte, zal de proeftijd worden gesteld op drie jaar.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen

Als benadeelde partij hebben zich in het geding gevoegd:

  • -

    [naam benadeelde 1] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.615,00 aan materiële schade;

  • -

    [naam benadeelde 2] ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 2.100,00 aan materiële schade;

  • -

    [naam benadeelde 3] ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.970,00 aan materiële schade;

  • -

    [naam benadeelde 4] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 800,00 aan materiële schade;

  • -

    [naam benadeelde 5] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 350,00 aan materiële schade;

  • -

    [naam benadeelde 6] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 150,00 aan materiële schade;

  • -

    [naam benadeelde 7] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.500,00, waarvan € 1.000,00 aan materiële schade en € 500,00 aan immateriële schade;

  • -

    [naam benadeelde 8] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 1.250,00 aan materiële schade;

  • -

    [naam benadeelde 9] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 650,00 aan materiële schade;

  • -

    [naam benadeelde 10] ter zake van het onder 2 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 500,00 aan materiële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vorderingen voldoende zijn onderbouwd en kunnen worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Indien het niet mogelijk is om een vordering toe te wijzen, heeft zij gevorderd de schadevergoedingsmaatregel vast te stellen ter hoogte van het bedrag waarvoor aangifte is gedaan.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de vorderingen ten aanzien van feit 1 toegewezen kunnen worden, voor zover deze zien op de geleden materiële schade. Nu er ten aanzien van feit 2 vrijspraak is bepleit, verzoekt de raadsvrouw de benadeelde partijen met betrekking tot dat feit niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering. De vordering van
[naam benadeelde 7] kan wel toegewezen worden, met uitzondering van het immateriële deel daarvan. Dit deel dient te worden afgewezen, nu dit onvoldoende is onderbouwd.

8.3.

Beoordeling

Benadeelde partij [naam benadeelde 1]

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering worden toegewezen, uitgezonderd van het deel van de vordering dat ziet op het bedrag dat de verdachte met toestemming van de benadeelde partij heeft opgenomen. Dat deel van de vordering kan, nu daaromtrent geen sprake is van een misdrijf of overtreding, in het kader van het strafrecht niet worden toegewezen. Een bedrag van € 2.215,00 is daarmee toewijsbaar.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Benadeelde partij [naam benadeelde 2]

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering worden toegewezen, uitgezonderd van het deel van de vordering dat ziet op het bedrag dat de verdachte met toestemming van de benadeelde partij heeft opgenomen. Dat deel van de vordering kan, nu daaromtrent geen sprake is van een misdrijf of overtreding, in het kader van het strafrecht niet worden toegewezen. Een bedrag van € 1.700,00 is daarmee toewijsbaar.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Benadeelde partij [naam benadeelde 3]

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] door de onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de (totale) hoogte van dit bedrag volgt uit de bewijsmiddelen, zal de gevorderde schadevergoeding, die de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, worden toegewezen, te weten een bedrag van € 1.970,00.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Benadeelde partijen [naam benadeelde 4] , [naam benadeelde 5] en [naam benadeelde 6]

De benadeelde partijen [naam benadeelde 4] , [naam benadeelde 5] , [naam benadeelde 6] zullen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de verdachte ten aanzien van die onderdelen van het onder feit 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken.

Nu de benadeelde partijen in hun vordering niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vorderingen gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

Benadeelde partij [naam benadeelde 7] :

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 7] door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en dit deel van de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal dit deel, ad € 1.000,00, worden toegewezen.

Het deel van de vordering van de benadeelde partij dat betrekking heeft op het immateriële deel, is onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij zal in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Benadeelde partij [naam benadeelde 8]

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 8] door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen. Een bedrag van € 1250,00 is daarmee toewijsbaar.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Benadeelde partij [naam benadeelde 9]

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 9] door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De vordering is tot aan het bedrag waarvoor aangifte is gedaan genoegzaam onderbouwd en zal tot aan dat bedrag, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen. Een bedrag van € 550,00 is daarmee toewijsbaar.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Benadeelde partij [naam benadeelde 10] :

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [naam benadeelde 10] door het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering genoegzaam is onderbouwd, zal deze, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen. Een bedrag van € 500,00 is daarmee toewijsbaar.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Oplegging schadevergoedingsmaatregel

Ten aanzien van de vorderingen die toewijsbaar zijn wordt ten slotte oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Het slachtoffer [naam slachtoffer 4] heeft zich niet als benadeelde partij gevoegd in de strafzaak. Gelet op het feit dat zij gedupeerd is ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit en op de overige omstandigheden, acht de rechtbank het desondanks passend en geboden om ambtshalve een maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, ter hoogte van het bedrag aan schade dat [naam slachtoffer 4] rechtstreeks als gevolg van de bewezenverklaarde strafbare feiten heeft geleden. Dat bedrag, € 4.200,00, volgt uit de bewijsmiddelen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 37a, 57, 311 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

10 . Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde meldt zich bij Antes Reclassering op het adres Marconistraat 2 te Rotterdam. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

2. de veroordeelde neemt actief deel aan de gedragsinterventie Leefstijltraining of een andere gedragsinterventie die gericht is op gokverslaving. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. De veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

3. de veroordeelde laat zich behandelen door Antes of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De behandeling is zowel gericht op de gokverslaving, alsook mogelijke aanwezige persoonlijkheidsproblematiek.

4. de veroordeelde werkt mee aan het aflossen van haar schulden en het treffen van

afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening, al dan niet in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in haar financiën en schulden.

5. de veroordeelde neemt niet deel aan kansspelen.

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;


veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 238 (tweehonderdachtendertig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 119 dagen;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 6] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 4] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 5] niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 2.215,00 (zegge: tweeëntwintighonderdvijftien euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 1] te betalen € 2.215,00 (hoofdsom, zegge: tweeëntwintighonderdvijftien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 32 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2], te betalen een bedrag van € 1.700,00 (zegge: zeventienhonderd euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 2] te betalen
€ 1.700,00 (hoofdsom, zegge: zeventienhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 27 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3], te betalen een bedrag van € 1.970,00 (zegge: negentienhonderdzeventig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van deze uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 3] te betalen € 1.970,00 (zegge: negentienhonderdzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van deze uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 29 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 7], te betalen een bedrag van € 1.000,00 (zegge: duizend euro), bestaande uit materiële schade, vanaf de datum van deze uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 7] te betalen
€ 1.000,00 (hoofdsom, zegge: duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van deze uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 20 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 8], te betalen een bedrag van € 1.250,00 (zegge: twaalfhonderdvijftig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van deze uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 8] te betalen € 1.250,00 (hoofdsom, zegge: twaalfhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van deze uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 22 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 9], te betalen een bedrag van € 550,00 (zegge: vijfhonderdvijftig euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van deze uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 9] te betalen
€ 550,00 (hoofdsom, zegge: vijfhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van deze uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 11 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 10], te betalen een bedrag van € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro), bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van deze uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde 10] te betalen € 500,00 (hoofdsom, zegge: vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van deze uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 10 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam slachtoffer 4] te betalen
€ 4.200,00 (zegge: tweeënveertighonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van deze uitspraak tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 52 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partijen, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Brand, voorzitter,

en mrs. L. Daum en F. van Buchem, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Twist, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 30 juni 2019, op meerdere tijdstippen, te Rotterdam, althans in Nederland, heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen:

- meerdere geldbedragen van in totaal €2950,-, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 1] en/of

- meerdere geldbedragen van in totaal €2200,-, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 2] en/of

- meerdere geldbedragen van in totaal €1970,-, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 3] en/of

- meerdere geldbedragen van in totaal €4200,-, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 4] ,

terwijl verdachte zich die weg te nemen geldbedragen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door gebruik te maken van de bankpassen en/of pincodes van die [naam slachtoffer 1] , [naam slachtoffer 2] , [naam slachtoffer 3] en/of [naam slachtoffer 4] , tot het gebruik waarvan verdachte niet gerechtigd was

en/of

zij in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 30 juni 2019, op meerdere tijdstippen, te Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk:

- meerdere geldbedragen van in totaal €2950,-, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 1] en/of

- meerdere geldbedragen van in totaal €2200,-, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 2] en/of

- meerdere geldbedragen van in totaal €1970,-, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 3] en/of

- meerdere geldbedragen van in totaal €4200,-, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 4] ,

en welke geldbedragen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder en/of als lener, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 februari 2019 tot en met 30 juni 2019, op meerdere tijdstippen, te Rotterdam, althans in Nederland, (telkens) opzettelijk:

- meerdere geldbedragen van in totaal €1100,-, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 9] en/of [naam slachtoffer 10] en/of

- meerdere geldbedragen van in totaal €250,-, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 11] en/of

- meerdere geldbedragen van in totaal €1000,-, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 5] ,

- meerdere geldbedragen van in totaal €1250,-, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 6] en/of

- meerdere geldbedragen van in totaal €500,-, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 3] en/of

- meerdere geldbedragen van in totaal €550,-, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 7] en/of

- meerdere geldbedragen van in totaal €500,-, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 8] ,

en welke geldbedragen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als houder en/of als lener, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.