Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5324

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-06-2020
Datum publicatie
22-06-2020
Zaaknummer
C/10/594112 / FA RK 20-2215
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek vervangende toestemming gecertificeerde instelling voor wijziging in verblijf van minderjarigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/594112 / FA RK 20-2215

Beschikking van 18 juni 2020 betreffende vervangende toestemming tot wijziging in het verblijf van de onder voogdij gestelde minderjarigen

op het verzoek van:

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

hierna: de gecertificeerde instelling,

gevestigd te Amsterdam,

In deze zaak is belanghebbende:

[naam oma] ,

hierna: oma,

wonende te [postcode oma] [woonplaats oma] , [adres oma] ,

advocaat mr. M.G. Hoogerwerf te Dordrecht.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de gecertificeerde instelling, ingekomen op
    31 maart 2020;

  • -

    de brief met bijlagen van de zijde van oma van 25 mei 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 25 mei 2020. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de gecertificeerde instelling, vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 1] ;

  • -

    de pleegmoeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 2] .

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van oma een pleitnotitie overgelegd.

2. De vaststaande feiten

2.1.

Uit [naam moeder] (hierna: de moeder) zijn geboren de minderjarige kinderen:

  • -

    [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2008 te [geboorteplaats minderjarige 1] ;

  • -

    [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2011 te [geboorteplaats minderjarige 2] ;

  • -

    [naam minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum minderjarige 3] 2013 te [geboorteplaats minderjarige 3] .

Omdat het verzoek op hen betrekking heeft, worden zij hierna aangeduid als de kinderen.

2.2.

Naast deze kinderen is op [geboortedatum minderjarige 4] 2002 te [geboorteplaats minderjarige 4] uit de moeder geboren: [naam minderjarige 4] . Net als de kinderen verblijft [naam minderjarige 4] ook bij oma.

2.3.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2016 is het ouderlijk gezag van de moeder over de kinderen beëindigd en is de gecertifieerde instelling benoemt tot voogdes over de kinderen.

3. De beoordeling

3.1.

Verblijf

3.1.1.

De gecertificeerde instelling verzoekt haar vervangende toestemming te verlenen tot wijziging in het verblijf van de kinderen bij oma naar de familie [naam pleeggezin] (nu nog weekendpleeggezin).

3.1.2.

De gecertificeerde instelling legt in hooflijn aan haar verzoek ten grondslag dat

de opvoedcapaciteiten van oma en de ontwikkelingsbehoeften van de kinderen onvoldoende in balans zijn, waardoor de kinderen ernstig worden belemmerd in hun ontwikkeling. De ingezette hulpverlening is onvoldoende in staat om dat wel in balans te brengen.

3.1.3.

Op grond van artikel 1:336a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de voogd, indien de minderjarige door een ander dan zijn voogd als behorende tot het gezin met instemming van de voogd ten minste een jaar is verzorgd en opgevoed, niet dan met toestemming van degenen die de verzorging en opvoeding op zich heeft genomen, wijziging in het verblijf van de minderjarige brengen.

In het geval de vereiste toestemming niet wordt verkregen, kan - op grond van lid 2 van genoemd artikel - die toestemming op verzoek van de voogd door die van de rechtbank worden vervangen. Dit verzoek wordt slechts ingewilligd indien de rechtbank dat in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.

In geval van afwijzing van het verzoek tot vervangende toestemming is - op grond van lid 3 van genoemd artikel - de beschikking van kracht gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn, welke de duur van zes maanden niet te boven mag gaan.

3.1.4.

[naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] en [naam minderjarige 3] hebben meer meegemaakt dan een gemiddeld kind. De kinderen hebben in hun eerste levensjaren bij hun moeder geen stabiliteit en vastigheid gehad. Door de onveilige situatie bij de moeder zijn de kinderen onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. De kinderen wonen, volgens oma sinds 2013 en volgens de gecertificeerde instelling sinds 2014, in ieder geval al geruime tijd, bij oma.

De kinderen hebben kindeigenproblematiek. [naam minderjarige 1] is een jongen van 11 jaar met een verstandelijke beperking, ADHD en een angstig ambivalent gehechtheidspatroon. Hij functioneert op moeilijk lerend niveau en is gebaat bij veel herhaling en rust.

[naam minderjarige 2] is een meisje van 9 jaar met eveneens een verstandelijke beperking. Zij heeft naar aanleiding van het eerste vermoeden van seksueel misbruik in 2017 een posttraumatische stressstoornis ontwikkeld, waarvoor zij is behandeld door Yulius.

[naam minderjarige 3] is een meisje van 7 jaar. Zij is te vroeg geboren en zit nu in groep 3 van het regulier basisonderwijs. Bij [naam minderjarige 3] is sprake van bewegingsonrust (tijdens activiteiten opstaan, wiebelen en soms friemelen) en snelle afleidbaarheid door auditieve en visuele prikkels. [naam minderjarige 3] houdt alles in haar omgeving in de gaten en mengt zich daar vervolgens in.

In voogdijplannen van de kinderen (gedateerd 17 januari 2020 van [naam minderjarige 3] en 14 februari 2020 van [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] ) is bij elk kind afzonderlijk vermeld dat zij enorm veel van oma houden. Met betrekking tot [naam minderjarige 1] is te lezen dat hij, mede door de vele wisselingen in verblijfplaats in het verleden, soms nog verlatingsangst vertoont, maar dat oma altijd de stabiele factor in het leven van [naam minderjarige 1] is geweest. Met betrekking tot [naam minderjarige 3] staat vermeld dat zij zich veilig en vertrouwd voelt bij oma en dat zij, als zij verdrietig is, troost bij oma zoekt.

3.1.5.

De zorgen die de gecertificeerde instelling heeft over de vaardigheden die oma als opvoeder nodig heeft voor kinderen, zijn ernstig.

Ten eerste bestaat de zorg dat oma, in ieder geval emotioneel, niet goed aansluit bij de begeleiding van de oudste twee kinderen, bij het seksueel misbruik dat zij stellen te hebben meegemaakt of hebben herbeleefd, en bij de begeleiding om (verder) misbruik te voorkomen.

Ten tweede bestaat de zorg dat oma in het algemeen niet de zorg geeft die de kinderen nodig hebben. Volgens school zorgt niet oma hoofdzakelijk voor de kinderen, maar doet de oudste kleindochter [naam minderjarige 4] dat. De gecertificeerde instelling verwijst in dit kader naar een melding van de schooldirecteur van 5 juni 2019. Overigens hecht de rechtbank aan deze stelling niet dezelfde waarde als de gecertificeerde instelling, omdat de gecertificeerde instelling voor de bevindingen van de school naar een logboek verwijst, dat zij niet voor inzage beschikbaar heeft gesteld aan de rechtbank.

Ten derde bestaat de zorg dat oma de kinderen slaat als straf voor ongewenst gedrag. [naam minderjarige 4] zou dit al in 2018 tegenover de politie hebben verklaard.

In het algemeen, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van oma, erkent zij dat zij het moeilijk vindt om op het emotioneel vlak aan te sluiten bij de kinderen, hen te troosten als zij verdrietig zijn, een knuffel te geven of emotioneel bij te staan als dit nodig is. Dat maakt van haar naar het oordeel van de rechtbank geen slechte oma. Het zou wel kunnen betekenen dat zij in haar eentje niet in staat is de kinderen te bieden wat zij gelet op hun persoonlijke omstandigheden - en dat is bepaald meer dan drie gemiddelde kinderen - nodig hebben en dat het voor haar prettiger is als zij terug kan vallen op haar rol als (alleen verwennende) oma en niet ook als hoofdopvoeder van de kinderen.

3.1.6.

Voordat zij op basis van de ernstige zorgen tot een verzoek tot wijziging van het verblijf van de kinderen is gekomen, heeft de gecertificeerde instelling De Viersprong in de zomer van 2019 opdracht gegeven om zicht te krijgen op de persoonlijkheidsproblematiek, de gedragsproblemen en de ernstige systeemproblematiek binnen het gezin, en om oma handvatten te geven om meer aan te sluiten bij de kinderen en haar anderszins te ondersteunen.

Hoewel oma volgens de gecertificeerde instelling (zie de voogdijplannen van
17 januari 2020 ( [naam minderjarige 3] ) en 14 februari 2020 ( [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] )) niet helemaal achter de hulpverlening van De Viersprong staat omdat zij het altijd alleen heeft gedaan, start de hulpverlening eind november 2019; een laatste redmiddel.

Voor de rechtbank komt niet vast te staan dat, zo lijkt de gecertificeerde instelling te stellen, dit laatste redmiddel geen kans van slagen meer heeft en dat dit hoofdzakelijk te wijten is aan oma. Naar de rechtbank begrijpt, stelt de gecertificeerde instelling dat oma De Viersprong te weinig vertrouwen heeft gegeven en geen tot weinig openheid geeft over de opvoedsituatie en haar opvoedvaardigheden. De juistheid van deze stelling komt niet vast te staan, omdat oma deze weerspreekt met het emailbericht van De Viersprong van 23 april 2020 en de gecertificeerde instelling daarop haar stelling niet nader onderbouwt. In haar email schrijft De Viersprong dat oma bereid is tot hulpverlening voor de kinderen en zichzelf, dat zij de kinderen beter wil begrijpen en hen wil helpen met hun hechtingsproblematiek en de verwerking van het mogelijke seksuele misbruik. Bovendien stelt De Viersprong dat de behandeling niet op gang komt door de gecertificeerde instelling, die nota bene de opdrachtgever van De Viersprong is in deze.

Voor zover de gecertificeerde instelling beoogt te stellen dat de nieuwe melding van seksueel misbruik in januari 2020 en de melding van het straffen met een stok dan wel pollepel in februari 2020 - en daarmee beide van na het inzetten van De Viersprong als het laatste redmiddel - reden is voor de conclusie dat dit laatste redmiddel geen kans van slagen meer heeft, volgt de rechtbank de gecertificeerde instelling daarin niet. Zowel de meldingen van seksueel misbruik als de wijze waarop wordt gestraft, waren bekend voorafgaand aan het inzetten van het laatste redmiddel, en waren juist de zorgen die moesten worden weggenomen. Het is daarom niet vreemd dat die zorgen er nog zijn zolang het traject bij De Viersprong niet is afgerond.

3.1.7.

Voor een verder verblijf van de kinderen bij oma kan van belang zijn dat oma stelt:

  • -

    dat het Erasmus MC op 19 december 2019 heeft geadviseerd om binnen de specialistische GGZ een aanvullende kind en/of gezinsdiagnostiek te starten en dat dit niet is gebeurd,

  • -

    dat [naam minderjarige 3] niet is aangemeld bij de Viersprong,

  • -

    dat volgens pagina 2 van het behandelplan van [naam minderjarige 1] als interventie zou worden ingezet het ondersteunen van oma in de thuissituatie met een vertaalslag vanuit de onderzoeken naar handvatten in de praktijk, en dat dit niet is gebeurd,

  • -

    dat volgens pagina 3 van het behandelplan van [naam minderjarige 1] oma praktisch zou worden ondersteund in het runnen van een huishouden met vier jonge kinderen en dat dit niet is gebeurd.

Voor zover deze stellingen juist zijn, kan het inzetten van het laatste redmiddel een nog grotere kans van slagen hebben als de gecertificeerde instelling en oma ervoor zorgen dat deze acties alsnog worden uitgevoerd.

3.1.8.

Bij haar oordeel betrekt de rechtbank dat het in het algemeen erg ingrijpend is voor een kind om uit zijn vaste opvoedsituatie te worden gehaald en dat dit een grote impact heeft op de mogelijkheden voor het kind om zich te ontwikkelen. Uitgangspunt voor de rechtbank is dat een wijziging in het verblijf van de kinderen het laatste redmiddel is. In het geval van [naam minderjarige 1] , [naam minderjarige 2] en [naam minderjarige 3] geldt dat nog meer, gelet op hun onder 3.1.4. vermelde persoonlijke omstandigheden. Het laatste redmiddel is in deze zaak nog onvoldoende ingezet. Om die reden wordt het verzoek van de gecertificeerde instelling afgewezen.

De rechtbank gaat ervan uit dat alle betrokkenen zich in de komende periode ervoor in gaan zetten om met de hulpverlening door De Viersprong de gestelde doelen te behalen. Om de continuïteit in deze hulpverlening te waarborgen, bepaalt de rechtbank dat deze beschikking van kracht is voor de duur van zes maanden met ingang van de datum van deze beschikking.

3.2.

Proceskosten

3.2.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijst af het verzoek van de gecertificeerde instelling tot vervangende toestemming tot wijziging in het verblijf van de kinderen;

4.2.

bepaalt dat deze beschikking van kracht is voor de duur van zes maanden met ingang van de datum van deze beschikking;

4.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier S. Yalçin op 18 juni 2020.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.