Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5287

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
FT RK 20-244
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek faillietverklaring afgewezen – pluraliteit ontbreekt, kostenveroordeling – Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de coronacrisis (TARIC)

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 1
Faillissementswet 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

Rekestnummer: [nummer]

BESCHIKKING op het verzoek van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

verzoeker

advocaat: mr. A. Quispel,

strekkende tot faillietverklaring van:

de stichting [verweerster],

gevestigd te [adresgegevens]

,

verweerster,

advocaat: mr. drs. P.A. Visser.

1 De procedure

De rechtbank heeft met toepassing van de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de Corona-crisis (hierna: TARIC), verzoeker en verweerster schriftelijk geïnformeerd over de behandeling van onderhavig verzoekschrift ter zitting van 26 mei 2020 onder toezending van een formulier waarop verzoeker en verweerster hun standpunt naar voren konden brengen, met de mededeling dat dit formulier uiterlijk voor 14:00 uur op de dag voorafgaande aan de behandeling door de griffie dient te zijn ontvangen.

Op 30 april 2020 is van verzoeker het voornoemde formulier ter griffie ontvangen. Op 20 mei 2020 is van verweerster het formulier ter griffie ontvangen, waarbij namens verweerster schriftelijk verweer is gevoerd tot afwijzing van het verzoek en met veroordeling van verzoeker in de proceskosten.

Ter zitting van 26 mei 2020 zijn, conform TARIC, telefonisch gehoord:

  • -

    mr. A. Quispel, advocaat van verzoeker;

  • -

    mr. drs. P.A. Visser, advocaat van verweerster.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Standpunten

Verzoeker heeft onder meer gesteld dat hij een tweetal leningen aan verweerster heeft verstrekt. Verweerster is in gebreke gebleven de uit de betreffende overeenkomsten voortvloeiende aflossingen en rente te verrichten waardoor de opeisbare vorderingen per

31 december 2018 € 103.566,30 respectievelijk € 15.623,55 bedragen. Voorts heeft verzoeker aan verweerster het bedrijfspand aan [adresgegevens] verhuurd. De huurschuld bedraagt per 31 december 2018 een bedrag van € 16.636,50.

Naast de vorderingen van verzoeker laat verweerster een vordering van [naam] B.V. van

€ 5.628,78 onbetaald, aldus verzoeker.

Verweerster heeft onder meer aangevoerd dat verzoeker haar bekend is in hoedanigheid van zowel schuldeiser van een lening, als de verhuurder van het pand waar verweerster voorheen een dagbesteding dreef voor mensen met een lichamelijke en/of verstandelijke beperking. Verzoeker had een pandrecht bedongen op de inventaris.

Verweerster is in zwaar weer gekomen en heeft alle derden en betrokkenen eind mei 2019 bericht dat zij haar deuren per 1 juli 2019 zou sluiten. Op 30 juni 2020 heeft verweerster de inventaris opgehaald en extern opgeslagen. Op dat moment was verweerster niet bekend met het pandrecht van verzoeker. Nadat verweerster van het pandrecht in kennis is gesteld, heeft zij op 13 juli 2019 de inventaris teruggeplaatst. Op 15 juli 2019 heeft verweerster de sleutels ingeleverd en kon zij het pand niet meer betreden. Nadien heeft [bedrijfsnaam] het pand van verzoeker gehuurd en sinds april 2020 is een pop-up store in het pand gevestigd. Zowel [bedrijfsnaam] als de pop-up store maken gebruik van de inventaris en de faciliteiten die door verweerster zijn aangebracht. Er is sprake van een feitelijke inbezitneming van de verpande inventaris door verzoeker zonder dat hier een beëindigingsovereenkomst aan ten grondslag ligt ter zake van het gehuurde.

Door de handelwijze van verzoeker is bewerkstelligd dat de onderneming van verweerster metterdaad moest worden gestaakt en hierdoor heeft verweerster schade geleden. Verzoeker heeft zich de inventaris toegeëigend terwijl hij deze in beslag had moeten nemen en executoriaal had moeten verkopen, aldus verweerster.

Volgens verweerster is de vordering van verzoeker niet summierlijk gebleken. De vordering moet in elk geval worden verminderd met de schade die verweerster heeft geleden door de handelwijze van verzoeker waardoor de onderneming metterdaad is gestaakt. Verder dient de vordering te worden verminderd met de waarde van de inventaris en van de installaties die door verweerster in het pand zijn aangebracht. Het is maar de vraag of een vordering resteert. De tegenvordering is al geruime tijd bekend bij verzoeker en zijn accountant.

Verzoeker heeft aangevoerd dat de tegenvordering van verweerster wordt betwist bij gebrek aan voldoende onderbouwing.

Verder heeft verweerster betwist dat sprake is van pluraliteit. [naam] heeft goederen aan verweerster verstrekt en de afspraak met [naam] was dat de vordering van [naam] zou worden geconsumeerd in natura, derhalve door middel van verstrekking van eten, drinken, catering en soortgelijke activiteiten. Bij de sluiting van de deuren in 2019 heeft [naam] met instemming van verweerster de wasmachine, droger en koelkast opgehaald. Nadien heeft [naam] op geen enkele wijze kenbaar gemaakt nog enige vordering op verweerster te hebben. Verweerster is door het tijdsverloop er van uitgegaan dat de afspraak over het ophalen van het witgoed behelsde dat partijen over en weer gekweten zouden zijn. [naam] heeft nimmer de indruk gewekt dat de situatie anders zou zijn en aan verweerster te kennen gegeven dat er nog een restantvordering zou bestaan. Verweerster heeft betwist dat [naam] nog enige vordering op haar heeft.

Verzoeker heeft in dit kader aangevoerd dat hij over facturen van [naam] beschikt en dat wordt betwist dat deze vordering in natura zou mogen worden voldaan. Verder is verweerster er blijkbaar van uitgegaan dat na het ophalen van het witgoed door [naam] verder van de vordering zou worden afgezien, maar dit is nooit vastgelegd.

Tot slot heeft verweerster zich op het standpunt gesteld dat het doel van een faillissement is om het vermogen van schuldenaar onder de gezamenlijke schuldeisers te verdelen. Verweerster beschikt niet over te vereffenen activa dus valt niet in te zien of er specifieke werkzaamheden voor een curator zijn. Verweerster heeft daarbij niet overijld te werk willen gaan teneinde uitvoerig te kunnen communiceren met derden en stakeholders, hetgeen verzoeker klaarblijkelijk wenst te voorkomen.

Namens verzoeker is aangevoerd dat niet bekend is of er baten te vereffenen zijn, maar dat het bestuur mogelijk incorrect heeft gehandeld en dat het aanstellen van een curator zinvol is voor het onderzoek naar een potentiële vordering in verband met bestuurdersaansprakelijkheid.

3 De beoordeling

Ingevolge artikel 6 Faillissementswet wordt de faillietverklaring uitgesproken, indien summierlijk blijkt van het bestaan van feiten en omstandigheden die aantonen dat de schuldenaar verkeert in een toestand dat hij heeft opgehouden te betalen en, als een schuldeiser het verzoek doet, ook van het vorderingsrecht van deze. Van de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden blijkt in het algemeen indien sprake is van pluraliteit van schuldeisers terwijl tenminste één vordering opeisbaar is.

De rechtbank constateert dat de steunvordering door verweerster gemotiveerd is betwist. Uit de door verzoeker overgelegde stukken blijkt onder meer dat een aantal maal verrekening op de factuur van [naam] heeft plaatsgevonden door middel van facturen van verweerster aan [naam] voor onder andere een Nieuwjaarsborrel en een tweetal barbecues. Hieruit maakt de rechtbank op dat de vordering inderdaad ‘in natura’ mocht worden voldaan. Nu verweerster sinds het ophalen van het witgoed door [naam] medio 2019 geen sommaties van [naam] heeft ontvangen, mag zij er naar het oordeel van de rechtbank terecht van uitgaan dat partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van pluraliteit van schuldeisers. Het verzoek tot faillietverklaring wordt daarom afgewezen.

De rechtbank ziet aanleiding verzoeker in de kosten te veroordelen. Hoewel in een verzoekschrift tot faillietverklaring vorderingen met hun waarde moeten worden vermeld, betreft een faillietverklaring een zaak van onbepaalde waarde. De proceskosten zullen worden vastgesteld op 1 punt maal tarief II in eerste aanleg = € 543,-- (overeenkomstig het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven).

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot faillietverklaring;

- stelt de door verweerster gemaakte kosten vast op € 543,-- en brengt dit bedrag ten

laste van verzoeker.

Deze beschikking is op 9 juni 2020 gegeven door mr. drs. J.C.A.T. Frima, rechter, in aanwezigheid van A. Vervoorn, griffier.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.