Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5277

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-06-2020
Datum publicatie
23-06-2020
Zaaknummer
FT EA 20-606
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing eigen aangifte tot faillietverklaring – onvoldoende baten – Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de coronacrisis (TARIC)

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

Uitspraakdatum: 23 juni 2020

Rekestnummer: [nummer]

BESCHIKKING op het verzoek van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[aangeefster] ,

gevestigd te [gemeente] ,

aangeefster,

strekkende tot haar (op eigen aangifte) faillietverklaring.

1 De procedure

Het verzoekschrift is op 20 mei 2020 ter griffie ontvangen.

De rechtbank heeft met toepassing van de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbanken vanwege de bijzondere omstandigheden door de Corona-crisis (hierna: TARIC) aangeefster geïnformeerd over de behandeling van onderhavig verzoekschrift op 26 mei 2020 onder toezending van een formulier waarop aangeefster haar contactgegevens kon vermelden en kon aankruisen dat zij haar eigen aangifte mondeling wil toelichten, met de mededeling dat dit formulier uiterlijk 14:00 uur op 25 mei 2020 door de griffie dient te zijn ontvangen.

Op 26 mei 2020 en 2 juni is de behandeling een week respectievelijk twee weken aangehouden om aangeefster in de gelegenheid te stellen aanvullende stukken over te leggen en te onderzoeken of aangeefster kan worden ontbonden.

Tijdens de behandeling op 2 en 16 juni 2020 is, conform TARIC, [naam] , bestuurder van aangeefster, telefonisch in raadkamer gehoord.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

Uit de overgelegde stukken, alsmede het verhandelde ter zitting is voldoende duidelijk geworden dat aangeefster verkeert in een toestand van te hebben opgehouden te betalen. In zoverre is voldaan aan de in de Faillissementswet gestelde eisen om op eigen aangifte in staat van faillissement te worden verklaard. Dat neemt evenwel niet weg dat het faillissement strekt tot vereffening van het vermogen ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers en dat daarom tevens van belang is of sprake is van vermogen.

Door aangeefster is niet aannemelijk gemaakt dat er voldoende baten aanwezig zijn of zullen zijn om de kosten van het faillissement te bestrijden, laat staan dat enige uitkering aan schuldeisers valt te verwachten. Aangeefster heeft aangevoerd dat zij beschikt over de rechten op software en een paar jaar geleden aangeschafte telefoon. Aangeefster waardeert haar activa echter op slechts € 200,- en is er zelf niet in geslaagd de software te gelde te maken, door rendabele exploitatie of verkoop.

Er is derhalve naar verwachting geen te executeren vermogen. Het doen van een eigen aangifte tot faillietverklaring levert in dit geval misbruik van recht op. Er is immers sprake van een onevenredigheid tussen het gestelde belang bij de eigen aangifte van aangeefster enerzijds en het belang van een aan te stellen curator om verschoond te blijven van een faillissement waarin op voorhand vaststaat dat alle kosten voor rekening van de curator zullen komen, anderzijds. Te verwachten is dat een curator vanwege een gebrek aan baten en de oplopende faillissementskosten het faillissement ex artikel 16 Faillissementswet zo snel mogelijk zal voordragen voor opheffing.

Aangeefster zal dan door die opheffing worden ontbonden (artikel 2:19, eerste lid sub c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)). In dat geval zal de schuldenlast van aangeefster alleen maar zijn toegenomen als gevolg van de werkzaamheden van de curator.

Dat dient geen doel. Daarbij is meegewogen dat niet gesteld of gebleken is dat sprake is van belangen van derden, zoals werknemers, die het uitspreken van het faillissement rechtvaardigen.

Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

De rechtbank wijst er ten overvloede op dat aangeefster – in de regel door een besluit van de algemene vergadering – mogelijk op grond van artikel 2:19 lid 1 BW kan worden ontbonden. Ingevolge artikel 2:19 lid 4 BW houdt de rechtspersoon die op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, alsdan op te bestaan. In dat geval doet het bestuur daarvan opgaaf aan de registers waar de rechtspersoon is ingeschreven. Het is vervolgens aan (een van) de crediteuren om - in het kader van een eventueel verzoek tot faillietverklaring - aannemelijk te maken dat er toch baten zijn en dat hij/zij bij vereffening (enige) betaling zou(den) hebben ontvangen.

3 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot faillietverklaring.

Deze beschikking is op 23 juni 2020 gegeven door mr. J.C.A.T. Frima, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Mouthaan, griffier.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.