Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5273

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-06-2020
Datum publicatie
18-06-2020
Zaaknummer
10/960078-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Beslissing inzake verzoek tot verklaring beëindiging vervolging (artikel 29f Sv/artikel 36-oud Sv). Vervolg op ECLI:NL:RBROT:2020:1445 Rechtbank Rotterdam, 17-02-2020, 10/960078-16. Tegen verzoekster is op 20 maart 2016 een internationaal aanhoudingsbevel uitgevaardigd. Verzoekster verblijft thans in een vluchtelingenkamp in Noord-Oost Syrië. De rechtbank heeft op 17 februari 2020 in een tussenbeslissing overwogen dat, nu de minister van Justitie en Veiligheid hecht aan enerzijds de nationale veiligheid en aan anderzijds de berechting voor een rechter en dus niet noodzakelijkerwijs de Nederlandse rechter en verder gelet op de lange duur van de vervolging en het ontbreken van concrete stappen om verzoekster naar Nederland over te brengen, de rechtbank onder de huidige omstandigheden van oordeel is dat het onredelijk is dat de vervolging in Nederland thans nog langer doorgang vindt. De rechtbank zal gehoor geven aan het verzoek van de officier van justitie deze beslissing enige tijd uit te stellen om alsnog de benodigde voortgang althans duidelijkheid over die voortgang te verkrijgen. Inmiddels heeft de minister de nationale veiligheid als beletsel gerelativeerd en verklaard dat hij hecht aan berechting in Nederland en dat dit de voorkeur heeft. Dan kan de rechtbank de vervolging niet voor beëindigd verklaren. Wel zal dit voornemen door concrete stappen dienen te worden geschraagd en kan, bij het ontbreken van concrete stappen en door het verstrijken van de tijd, de conclusie kunnen worden getrokken dat het onredelijk is dat de vervolging nog langer voortgang vindt. Schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd, maximaal zes maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2020/282
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/960078-16

Raadkamernummer: 18/6

Tussenbeslissing van de rechtbank te Rotterdam, meervoudige raadkamer, op het verzoek van

[naam verdachte] , (verdachte)

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

domicilie kiezende te (1092 CK) Amsterdam aan de Linnaeusstraat 2A, op het kantoor van haar raadsvrouw mr. T.M.D. Buruma,

verder te noemen: verzoekster.

Procedure

Tegen verzoekster is op 14 maart 2016 een aanhoudingsbevel uitgevaardigd, vergezeld van een Internationaal Arrestatiebevel. Op 2 januari 2018 is namens de verdachte een verzoekschrift op de voet van artikel 36 (oud), thans artikel 29f, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) ingediend. Het daarin opgenomen verzoek strekt ertoe dat de rechtbank verklaart dat de onder bovenvermeld parketnummer ingeschreven strafzaak tegen de verdachte (hierna: de zaak) is geëindigd.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken van het raadkamerdossier en het procesdossier in de strafzaak. Voor een beschrijving van de procedure wordt verwezen naar de tussenbeslissing van 17 februari 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:1445).

In laatste genoemde tussenbeslissing heeft de rechtbank geconstateerd dat de verdachte niet afziet van haar aanwezigheidsrecht, terwijl evenmin door een bevoegde autoriteit een uitdrukkelijk standpunt is ingenomen dat de verdachte niet in Nederland zal worden vervolgd. Uit de correspondentie tussen de officier van justitie en (ambtenaren namens) de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) was vervolgens niet gebleken van een uitdrukkelijk standpunt dat verzoekster in Nederland zou dienen te worden berecht. Evenmin was gebleken van concrete stappen om verzoekster naar Nederland overgebracht te krijgen. Ook het Amerikaanse aanbod om te helpen verzoekster terug naar Nederland te halen laat “onverlet dat het terughalen van uitreizigers bijvoorbeeld directe gevolgen kan hebben voor de nationale veiligheid van Nederland en die van andere Schengenlanden”, aldus (namens) de minister.

De rechtbank heeft toen geconcludeerd dat, nu de minister enerzijds hecht aan de nationale veiligheid van Nederland en die van andere Schengenlanden en anderzijds aan de berechting voor een rechter en dus niet noodzakelijkerwijs de Nederlandse rechter en dat verder gelet op de lange duur van de vervolging en het ontbreken van concrete stappen om verzoekster naar Nederland over te brengen, zij van oordeel is dat het onredelijk is dat de vervolging in Nederland nog langer doorgang vindt. Op verzoek van de officier van justitie is de zaak aangehouden tot 2 juni 2020 om hem de gelegenheid te stellen alsnog (duidelijkheid over de) voortgang in de zaak te (geven of te) krijgen.

Op 2 juni 2020 is het verzoek wederom door de besloten raadkamer behandeld. De officier van justitie mr. A.M.F. van Veghel en de raadsvrouw zijn gehoord.

Standpunten officier van justitie en raadsvrouw

De officier van justitie heeft een aan het college van Procureurs-Generaal gerichte brief ingebracht van de minister van 19 mei jl. Daarnaast heeft hij gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1472. Kort samengevat oordeelt de Hoge Raad dat de overschrijding van de redelijke termijn niet kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie en dit derhalve geen grond kan zijn voor een verklaring dat een strafzaak is geëindigd op grond van artikel 36 Sv-oud, thans artikel 29f Sv. De Hoge Raad oordeelt verder: “Mede vanwege het aan de verklaring (…) verbonden rechtsgevolg betreft het hier een tot terughoudendheid nopende maatstaf”. Op grond van dit arrest kan van een verklaring dat de zaak is geëindigd geen sprake zijn, zeker nu het tijdsverloop “slechts” tweeëneenhalf jaar beloopt, aldus de officier van justitie. Van een verklaring dat de zaak is geëindigd kan slechts sprake zijn als er sprake is van een definitieve onwil om verzoekster ter berechting naar Nederland over te brengen.

Voorts heeft de officier van justitie de brief van de minister van 19 mei 2020 besproken. In die brief merkt de minister – aldus de officier van justitie – onder meer op dat hij eraan hecht dat verzoekster wordt berecht en dat dit in Nederland gebeurt. Daarnaast beschrijft de minister in zijn brief concrete stappen die zijn ondernomen om verzoekster naar Nederland over te brengen. Er is gesproken met het Rode Kruis, met de Verenigde Staten, met de Iraakse autoriteiten en met vertegenwoordigers van de SDF. Momenteel is er sprake van een feitelijke onmogelijkheid om verzoekster over te brengen, maar de omstandigheden kunnen veranderen en dat kan gevolgen hebben voor de concrete stappen die kunnen worden gezet om zoveel als mogelijk te voldoen aan de wens van verzoekster om aanwezig te zijn bij haar berechting in Nederland. Op zo kort mogelijke termijn zal het kabinet in contact treden met de meest relevante Schengenlanden en met het Verenigd Koninkrijk om te bezien wat mogelijk is om in individuele gevallen tot actieve repatriëring te komen. Anders gezegd is er volgens de minister sprake van een tijdelijke onmogelijkheid om tot overbrenging van verzoekster naar Nederland over te gaan en niet van een (definitieve) onwil.

Dit laatste wordt, aldus de officier van justitie, verder onderstreept door een brief van de Directeur Contraterrorisme van het Ministerie van Justitie en Veiligheid van 30 mei jl. aan de officier van justitie. Daarin wordt gewag gemaakt van een zogenoemde Core7 bijeenkomst op 3 juni 2020 waar Nederland met een aantal andere EU-landen zal spreken over onder andere de onderhavige zaak om te bezien wat de concrete mogelijkheden en consequenties zijn met gebruikmaking van gezamenlijkheid om tot actieve repatriëring te komen.

Ten slotte heeft de minister volgens de officier van justitie in de brief van 19 mei jl. het belang van de nationale veiligheid gerelativeerd. Dit heeft hij gedaan door enerzijds te spreken over een “betrekkelijk” belang en anderzijds door te ontvouwen welke initiatieven op korte termijn nog ontplooid zullen worden om te bezien wat de concrete mogelijkheden en consequenties zijn om te komen tot overdracht van verzoekster.

De officier van justitie komt tot de conclusie dat het verzoek inmiddels niet voor toewijzing vatbaar lijkt en dat een aanhouding voor onbepaalde tijd in de rede ligt.

De raadsvrouw heeft verklaard dat haar cliënt vasthoudt aan haar aanwezigheidsrecht en heeft zich verder op het standpunt gesteld dat uit de brief van 19 mei jl. van de minister niet blijkt van een verandering van standpunt. Zorgvuldige lezing van de brief leert dat er geen concrete stappen zijn ondernomen en dat er van een feitelijk beletsel om verzoekster naar Nederland over te brengen aanvankelijk geen sprake is geweest. De keuze om verzoekster niet naar Nederland over te brengen is het gevolg geweest van een afweging van belangen. Dit betekent dat de rechtbank de zaak voor geëindigd dient te verklaren. Gelet op de brief van 30 mei jl. van de Directeur Contraterrorisme zou subsidiair tot een aanhouding voor twee weken kunnen worden besloten, nu de Covid-19 problematiek mogelijk voor vertraging in het overleg met andere Schengenlanden en het Verenigd Koninkrijk heeft gezorgd.

Beoordeling

In de meergenoemde brief van 19 mei jl. schrijft de minister dat de Staat binnen de gegeven kaders van veiligheid en buitenlands beleid steeds de stappen heeft gezet die mogelijk waren en dat van de Staat niet meer kan worden gevergd gelet op de op hem rustende verantwoordelijkheden ter zake de veiligheid van personen die naar dat gebied zouden moeten reizen, en zijn beoordeling van de internationale verhoudingen in dat gebied, ook buiten het eigenlijke belang van deze strafzaak.

De situatie in de regio is nog steeds veranderlijk, aldus de brief. Nederland heeft op de ontwikkelingen in het gebied echter niet of nauwelijks invloed. De Staat heeft niet of nauwelijks mogelijkheden zelf iets aan de veiligheid in het gebied te doen. De Staat wil zich ook zo min mogelijk mengen in de diplomatieke verwikkelingen in dat gebied en hoedt zich zo veel als mogelijk voor contact met de regering van president Assad en/of met de Koerden in het desbetreffende gebied. Veranderen die feiten en omstandigheden, dan kan dat ook gevolgen hebben voor de concrete stappen die kunnen worden gezet om zoveel als mogelijk te voldoen aan de wens van verzoekster om aanwezig te zijn bij haar berechting in Nederland.

De rechtbank heeft op 17 februari 2020 als gezegd overwogen dat de staatsveiligheid van Nederland en van Schengenlanden overbrenging van verzoekster naar Nederland ter berechting kennelijk verhinderde; dat wel aan berechting zonder meer, maar niet zozeer aan berechting in Nederland werd gehecht; dat de kennelijke daden van de Nederlandse bestuurlijke overheid ook niet op een ander standpunt wezen.

Uit de brief van 19 mei jl. zou de rechtbank, met de officier van justitie, kunnen afleiden dat de minister het standpunt over de staatsveiligheid heeft gerelativeerd. De minister heeft dat met zoveel woorden verklaard en dat zou ook kunnen worden afgeleid uit de mededeling dat veranderende omstandigheden in het gebied gevolg kunnen hebben voor de concreet te nemen stappen om verzoekster naar Nederland over te brengen.

Uit de brief blijkt verder dat de minister zich thans op het standpunt heeft gesteld dat berechting in Nederland wel degelijk de voorkeur verdient. Dit is een nieuw standpunt dat betekenis kan hebben voor het daadwerkelijk doorgang vinden van de strafrechtelijke vervolging in Nederland en door de rechtbank niet licht ter zijde kan worden geschoven. Weliswaar zal dit standpunt uiteindelijk ook door concrete daden dienen te worden geschraagd en zou bij het ontbreken van die daden in samenhang met het verstrijken van de tijd de conclusie kunnen worden getrokken, dat voortdurende vervolging onredelijk is, maar zoveel tijd is er thans nog niet verstreken. Uit de brief van 30 mei jl. van de Directeur Contraterrorisme blijkt bovendien dat concrete stappen om tot overbrengen van verzoekster naar Nederland te komen, gelet op het bovengenoemde Core7-overleg, wellicht in het verschiet liggen.

Op grond van het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de beslissing van 17 februari 2020 dat het onredelijk is dat vervolging in Nederland thans nog langer doorgang vindt, in zoverre dient te worden herzien, dat er bovenstaande duidelijkheid is verkregen over de wens om verzoekster in Nederland te berechten, waaraan de staatsveiligheid niet zonder meer in weg staat en over de voortgang van de zaak. Een en ander betekent dat de rechtbank de zaak zal aanhouden voor onbepaalde tijd maar wel voor maximaal zes maanden.

Beslissing

De rechtbank schorst het onderzoek in de raadkamer voor onbepaalde tijd, doch voor ten hoogste zes maanden.

Deze beschikking is op 16 juni 2020 gegeven door:

mr. J.L.M. Boek, voorzitter,

mrs. J.J. Bade en V.M. de Winkel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier.