Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5245

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
16-06-2020
Zaaknummer
8084461
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

openbaarmaking auteursrechtelijk beschermde muziekwerken op evenement

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8084461 \ CV EXPL 19-43390

uitspraak: 5 juni 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de vereniging

Vereniging Buma,

gevestigd te Hoofddorp,

eiseres,

gemachtigde: [naam gemachtigde] te [plaats] ,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “Buma” en “ [gedaagde] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 30 september 2019, met producties;

  • -

    het schriftelijke verweer van [gedaagde] op de rolzitting van 22 oktober 2019;

  • -

    het tussenvonnis van 28 oktober 2019, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de brief van de gemachtigde van Buma van 29 november 2019 ten behoeve van de mondelinge behandeling, met producties;

  • -

    de brief van [gedaagde] van 4 december 2019, waarin [gedaagde] mededeelt vanwege gezondheidsredenen niet op de mondelinge behandeling te zullen verschijnen;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de rolbeslissing van 10 april 2020;

  • -

    de akte van Buma.

1.2.

Naar aanleiding van de brief van [gedaagde] van 4 december 2019 heeft de mondelinge behandeling geen doorgang gevonden, doch is de procedure schriftelijk voortgezet. [gedaagde] heeft, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid te zijn gesteld, niet meer op de conclusie van repliek van Buma gereageerd.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Buma is een auteursrechtenorganisatie, die collectief de belangen behartigt van bij haar aangesloten componisten en tekstdichters met betrekking tot de openbaarmaking van hun werken. Buma verleent in dat kader licenties voor het openbaar maken van muziek, tegen betaling van een vergoeding die volgens vastgestelde formules wordt berekend. Een organisator van een evenement, waarbij muziekwerken ten gehore worden gebracht, dient vooraf toestemming te krijgen van Buma, welke toestemming verkregen kan worden door het betreffende evenement vooraf bij Buma aan te melden met opgave van de verwachte recette dan wel, bij gebreke daarvan, van de uitkoopsom of gages. Vervolgens dient een vergoeding te worden voldaan op basis van het toepasselijke Algemeen Tarief.

2.2.

De commanditaire vennootschap [naam vennootschap] (hierna: “ [naam vennootschap] ”) heeft op 29 april 2017 het evenement ‘ [naam evenement] ’ in het [naam locatie] te Rotterdam georganiseerd.

2.3.

[naam vennootschap] is opgeheven met ingang van 31 december 2018. [gedaagde] is als voormalig beherend vennoot van [naam vennootschap] aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap.

2.4.

Buma heeft op 30 oktober 2018 een factuur van € 23.973,13 aan [naam vennootschap] gezonden. [gedaagde] is niet tot betaling overgegaan. Zowel Buma als haar gemachtigde heeft diverse herinneringen en aanmaningen aan [naam vennootschap] en [gedaagde] gezonden.

3. De vordering

3.1.

Buma heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 25.000,00, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.

Aan haar vordering legt Buma - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende ten grondslag. Op 29 april 2017 heeft in het [naam locatie] te Rotterdam het door [naam vennootschap] georganiseerde evenement ‘ [naam evenement] plaatsgevonden, bij welk evenement auteursrechtelijk beschermde muziekwerken ten gehore zijn gebracht. Buma heeft voor het muziekgebruik aan [naam vennootschap] een op basis van het Algemeen Tarief berekende vergoeding van € 23.973,13 in rekening gebracht middels de factuur van 30 oktober 2018. [naam vennootschap] en - na opheffing van de onderneming per 31 december 2019 - haar beherend vennoot [gedaagde] zijn, ondanks aanmaning, in gebreke gebleven met voldoening van het verschuldigde, zodat Buma haar vordering ter incasso uit handen heeft gegeven. Buma maakt tevens aanspraak op de wettelijke handelsrente en een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.

De vordering van Buma is dientengevolge als volgt opgebouwd:

Hoofdsom € 23.973,13

Wettelijke handelsrente tot 21-10-2019 € 387,51

Buitengerechtelijke kosten € 1.014,73

--------------

Totaal € 25.375,37

Buma beperkt om haar moverende redenen haar vordering tot € 25.000,00. Naar aanleiding van de rolbeslissing van 10 april 2020 heeft Buma bij akte afstand gedaan van het meerdere.

3.3.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. Buma heeft haar factuur uitsluitend gericht aan [naam vennootschap] , terwijl zowel de rapformatie [naam rapformatie] als boekingskantoor [naam boekingskantoor] medeorganisatoren waren van het evenement. Daarnaast stelt [gedaagde] dat Buma de factuur te laat, namelijk ruim anderhalf jaar na het plaatsvinden van het evenement, heeft verzonden. Voorts stelt [gedaagde] dat de optredende artiesten reeds zijn betaald voor hun optreden, zodat hij niet begrijpt waarom hij nu nog een vergoeding aan Buma verschuldigd is.

3.4.

Op hetgeen partijen verder hebben aangevoerd, zal - voor zover relevant - hierna nader worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Nu Buma haar vordering heeft beperkt tot een bedrag van € 25.000,00 en zij uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van het meerdere, is de kantonrechter op grond van artikel 93 sub a Rv bevoegd is van de vordering kennis te nemen.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat [gedaagde] beherend vennoot van de inmiddels opgeheven commanditaire vennootschap [naam vennootschap] was. Op grond van artikel 18 van het Wetboek van Koophandel is een beherend vennoot van een commanditaire vennootschap aansprakelijk voor verbintenissen van de commanditaire vennootschap. Die aansprakelijkheid voor verbintenissen die zijn aangegaan tijdens het beheer van de vennoot, blijft ook bestaan nadat de vennootschap is opgeheven. [gedaagde] is op deze grond aansprakelijk voor de door [naam vennootschap] aangegane verbintenissen.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat tijdens het evenement ‘ [naam evenement] ’ muziekwerken openbaar gemaakt zijn, die behoren tot het muziekrepertoire van Buma. Vast staat tevens dat [naam vennootschap] organisator was van het evenement ‘ [naam evenement] ’. [gedaagde] stelt evenwel dat [naam vennootschap] niet de enige organisator was, maar dat de rapformatie [naam rapformatie] en het boekingskantoor [naam boekingskantoor] medeorganisator waren. Deze stelling van [gedaagde] vindt geen steun in de door partijen overgelegde stukken. Niet alleen blijkt uit de door de Gemeente Rotterdam verleende evenementenvergunning van 16 maart 2017 dat slechts [naam vennootschap] als organisator van het evenement én aanvrager van de vergunning heeft te gelden, ook uit de door [naam vennootschap] aan Buma verstrekte opgave van gerealiseerde recettes en betaalde gages/uitkoopsommen volgt dat [naam vennootschap] de enige organisator was. Uit niets volgt dat [naam rapformatie] of [naam boekingskantoor] eveneens als organisator beschouwd dienden te worden. Het verweer van [gedaagde] op dit punt wordt dan ook verworpen.

4.4.

Ten aanzien van de stelling van [gedaagde] dat de factuur te laat, dat wil zeggen ruim anderhalf jaar na het evenement, is verzonden, overweegt de kantonrechter als volgt. Buma heeft in haar conclusie van repliek gemotiveerd uiteengezet dat [naam vennootschap] verzuimd heeft voorafgaand aan het evenement toestemming aan Buma te vragen voor het muziekgebruik tijdens het evenement en dat Buma eerst achteraf het voornoemde muziekgebruik heeft geconstateerd. Buma heeft gesteld - en zo volgt ook uit de door haar overgelegde correspondentie - dat zij [naam vennootschap] in de periode juli 2018 tot en met oktober 2018 veelvuldig heeft aangeschreven met het verzoek opgave te doen van de recettes en betaalde gages/uitkoopsommen, zodat Buma de verschuldigde licentievergoeding kon vaststellen. [naam vennootschap] heeft hieraan eerst op 27 oktober 2018 gehoor gegeven. Buma heeft vervolgens de vergoeding vastgesteld en bij factuur van 30 oktober 2018 bij [naam vennootschap] in rekening gebracht. [gedaagde] heeft niet meer op deze stellingen van Buma gereageerd, zodat de kanonrechter uit gaat van de juistheid van hetgeen Buma bij repliek heeft gesteld. Dat Buma pas anderhalf jaar na het evenement de vergoeding heeft kunnen vaststellen, is naar het oordeel van de kantonrechter dan ook volledig te wijten aan het feit dat [naam vennootschap] pas op 27 oktober 2018 de verlangde gegevens aan Buma heeft verstrekt.

4.5.

[gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat de optredende artiesten reeds zijn betaald voor hun optreden, zodat hij niet begrijpt waarom hij nu nog een vergoeding aan Buma verschuldigd is. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de optredende artiesten op deze wijze dubbele inkomsten genieten. De kantonrechter overweegt dienaangaande dat [gedaagde] hier twee zaken door elkaar haalt. Zoals door Buma gesteld en door [gedaagde] niet meer betwist, dient de aan de optredende artiesten toekomende gage - welk bedrag, kort gezegd, een vergoeding inhoudt voor de gemaakte kosten en het verlenen van medewerking aan het evenement door middel van het optreden aldaar - uitdrukkelijk onderscheiden te worden van de verschuldigde vergoeding in verband met het openbaar maken van auteursrechtelijk beschermde muziekwerken. Deze auteursrechten berusten bij Buma, zodat Buma gerechtigd is een vergoeding te vragen voor het openbaar maken van het aan haar toebehorende repertoire. Die vergoeding komt aan Buma toe, niet aan de optredende artiesten, zodat van dubbele inkomsten aan de zijde van de artiesten geen sprake is. Het verweer van [gedaagde] op dit punt wordt dan ook verworpen.

4.6.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de gevorderde hoofdsom van € 23.973,13 zal worden toegewezen.

4.7.

De gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom zal, als op de wet gegrond en niet weersproken, worden toegewezen. De gevorderde rente over de reeds bij dagvaarding verschenen rente is in strijd met de desbetreffende wettelijke bepaling en daarom niet voor toewijzing vatbaar.

4.8.

Buma maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Voldoende gebleken is dat er buitengerechtelijke werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Voor de hoogte van de toewijsbare buitengerechtelijke incassokosten zoekt de kantonrechter aansluiting bij het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. Op grond daarvan is het aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderde bedrag van € 1.014,73 toewijsbaar. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar, nu niet is gesteld of gebleken dat de kosten vóór dagvaarding dan wel vóór de ingebrekestelling door Buma zijn betaald aan de gemachtigde.

4.9.

Hetgeen partijen voor het overige nog naar voren hebben gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.10.

[gedaagde] wordt als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan Buma tegen kwijting te betalen € 25.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119a BW over € 23.973,13 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Buma vastgesteld op € 1.061,75 aan verschotten (waarvan € 972,00 aan griffierecht en

€ 89,75 aan dagvaardingskosten) en € 960,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44487