Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5244

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
8447874 VV EXPL 20-23
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Betalingsachterstand in de huurbetaling/gebruiksvergoeding, ontruiming toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8447874 VV EXPL 20-23

uitspraak: 2 juni 2020

vonnis in kort geding van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

[eiseres]

wonende te [woonplaats eiseres]

eiseres,

gemachtigde: mr. J.R. van Manen,

tegen

1. [gedaagde 1]

zonder vaste woon- of verblijfplaats,

gedaagde sub 1,

gemachtigde: mr. G. van der Spek,

2. [gedaagde 2]

3. [gedaagde 3]

beide wonende te [woonplaats gedaagde 2 en 3] ,

gedaagden sub 2 en 3,

gemachtigde: mr. M. Sculic.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’, ‘ [gedaagde 1] ’, ‘ [gedaagde 2] ’ en ‘ [gedaagde 3] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 8 mei 2020, met producties;

  2. de conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde 1] , met producties;

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 mei 2020 overeenkomstig artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid via beeld- en geluidverbinding.

2. De vaststaande feiten

2.1

In deze procedure kan van de volgende feiten worden uitgegaan:

2.2

[eiseres] verhuurt via haar beheerder Max Property haar woning aan de [adres] te Strijen (hierna: de woning). [gedaagde 1] huurde deze woning met ingang van 14 februari 2019 tegen een huurprijs van aanvankelijk € 1.050,- (inclusief servicekosten) per maand. Later is ook [gedaagde 2] ingeschreven op het adres [adres] te Strijen.

2.3

[gedaagde 1] heeft de huurovereenkomst tegen 1 december 2019 opgezegd. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] verblijven nu nog in de woning.

2.4

Vanaf december 2019 wordt er geen huur meer betaald aan [eiseres] .

2.5

Bij brief van 13 december 2019 zijn gedaagden gesommeerd de woning uiterlijk 1 januari 2020 te verlaten.

2.6

Bij e-mail van 12 maart 2020 heeft de gemachtigde van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aan de gemachtigde van [eiseres] onder meer voorgesteld dat zijn clienten tot 1 juni 2020 in de woning blijven om de tijd te krijgen een nieuwe woning te vinden “uiteraard” met doorbetaling van de huurprijs voor de maanden dat zij langer in de woning blijven. Daarop heeft de gemachtigde van [eiseres] bij e-mail van 13 maart 2020 gereageeerd dat - kort gezegd - [eiseres] bereid is gedaagden 2 en 3 tot en met 30 mei 2020 in de woning te laten mits uiterlijk 16 maart 2020 de achterstand ad € 5.743,45, zou worden betaald en uiterlijk 1 april 2020 respectievelijk 1 mei 2020 € 2.199,- en € 1.099,50 zou worden betaald, bij gebreke waarvan een kort geding aanhangig zou worden gemaakt. Bij e-mail van 16 maart 2020 heeft de gemachtigde van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gereageerd dat gedaagden 2 en 3 akkoord zijn met de door [eiseres] gestelde voorwaarden.

3. De vordering

3.1

[eiseres] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening:

  • -

    [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden veroordeeld om binnen 24 uur na betekening van het vonnis de woning staande en gelegen te Strijen aan de [adres] onder afgifte van sleutels te verlaten met alles dat en iedereen die zich vanwege hen daar bevindt, met het verbod de woning opnieuw te betreden en te gebruiken;

  • -

    voor het geval [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hieraan niet voldoen, [eiseres] te machtigen de ontruiming te doen uitvoeren door een gerechtsdeurwaarder, zo nodig met behulp van de sterke arm;

  • -

    [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk worden veroordeeld om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 7.931,45, te vermeerderen met € 1.099,50 voor elke maand dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] langer dan de maand mei 2020 in de woning verblijven;

  • -

    [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden veroordeeld in de proceskosten, de nakosten en de kosten van ontruiming.

3.2

[eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat er sprake is van een achterstand in de betaling van de huur c.q. gebruiksvergoeding die de ontruiming van de woning rechtvaardigt.

4. Het verweer

4.1

[gedaagde 1] heeft verweer gevoerd. Op zijn verweer zal voor zover van belang in het navolgende worden ingegaan.

4.2

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] erkennen de achterstand in huurbetaling/gebruiksvergoeding vanaf december 2019 en geven aan (meer) tijd nodig te hebben voor het vinden van een andere woning.

5. De beoordeling

5.1

Bij een vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening als de onderhavige dient te worden beoordeeld of [eiseres] een zodanig spoedeisend belang heeft dat van haar niet mag worden verwacht dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Bij die beoordeling dienen in ieder geval te worden betrokken hoe aannemelijk het is dat de vordering van [eiseres] in een bodemprocedure toegewezen zal worden, het belang van [eiseres] bij het treffen van de voorziening en de gevolgen voor [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bij het ten onrechte treffen van een voorziening. Er is door [eiseres] een bodemprocedure aanhangig gemaakt en gedaagden hebben geconcludeerd voor antwoord.

5.2

Max Property heeft tijdens de mondelinge behandeling namens [eiseres] benadrukt dat [eiseres] voor het voldoen van de eigen financiële verplichtingen (mede) afhankelijk is van de huuropbrengst van de woning. Doordat zij al maanden geen inkomsten ontvangt, zit [eiseres] in een financieel lastige situatie. Het spoedeisend belang van [eiseres] bij de door haar gevorderde voorziening is hiermee gegeven.

5.3

De vordering tot ontruiming van de woning door [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zal worden toegewezen. Ongeacht de grondslag van hun verblijf in de woning, staat vast dat zij sinds december 2019 geen enkele betaling aan [eiseres] of [gedaagde 1] hebben gedaan als tegenprestatie voor het verblijf in de woning. Zij hebben daar bovendien geen enkele rechtvaardiging voor gegeven; integendeel, zij erkennen de achterstand en dat er moet worden betaald. Een achterstand van in ieder geval zes maanden rechtvaardigt de gevorderde ontruiming.

5.4

Door [gedaagde 1] is tegen de vordering tot ontruiming aangevoerd dat hij de huurovereenkomst heeft beëindigd per 1 december 2019 en al geruime tijd niet meer in de woning verblijft. Vast staat dat [gedaagde 1] de huurovereenkomst heeft beëindigd en voorshands is voldoende aannemelijk dat hij ook niet meer in de woning verblijft. Dat hij niettemin nog als huurder moet worden aangemerkt en in zoverre de woning nog niet heeft ontruimd is (mede) afhankelijk van de vraag of er al dan niet sprake was van onderhuur, voor de beoordeling waarvan, gelet ook op de eventuele noodzaak van bewijslevering, in deze procedure geen plaats is. De vordering tot ontruiming door [gedaagde 1] zal daarom worden afgewezen.

5.5

Zoals hiervoor al overwogen staat wel vast dat er wat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] betreft een betalingsachterstand van in ieder geval zes maanden is. Nu zij daarvoor bovendien geen enkele rechtvaardiging hebben gegeven , valt niet in te zien waarom niet in deze procedure, gelet ook op het belang van [eiseres] en de eerdere toezeggingen, dit deel van de vordering jegens hen kan worden toegewezen. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zullen dan ook hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 6.597,-.

5.6

Waar het de betaling van huur door [gedaagde 1] betreft, geldt ook hier dat moeten worden vastgesteld wat zijn positie is. In geval van (bevoegde) onderverhuur kan [eiseres] hem niet zondermeer aanspreken voor de achterstand vanaf december 2019. Dat zal in de bodemprocedure moeten worden beoordeeld en beslist.

5.7

Aangenomen kan worden dat [gedaagde 1] wel aansprakelijk is voor de huurpenningen over de maand november 2019. Hij heeft daartegen aangevoerd dat hij deze heeft verrekend met de waarborg. Hoewel een dergelijke verrekening in de regel niet is toegestaan ligt het in de rede de beoordeling over de rechtmatigheid daarvan te reserveren voor de bodemprocedure. Ook dit deel van de vordering jegens [gedaagde 1] zal daarom worden afgewezen.

5.8

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zullen worden gevolgd in hun standpunt dat een ontruimingstermijn van 24 uur in geval van toewijzing te kort is, zeker nu er kinderen bij betrokken zijn. De ontruimingstermijn zal worden bepaald op 14 dagen.

5.9

De verzochte machtiging van om de ontruiming zo nodig door de deurwaarder te doen uit te voeren met behulp van de sterke arm zal worden afgewezen, nu deze niet op de wet berust. Artikel 556 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) schrijft voor dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. De deurwaarder behoeft geen rechterlijke machtiging om bevoegd te zijn de hulp van de sterke arm in te roepen. Die bevoegdheid ontleent hij immers rechtstreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.

5.10

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zullen als de in het ongelijk gestelde partijen jegens [eiseres] in de proceskosten worden veroordeeld.

5.11

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij jegens [gedaagde 1] in de proceskosten worden veroordeeld.

6. De beslissing

De kantonrechter:

treft de volgende voorlopige voorzieningen:

veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 3] om binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis de woning te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege hen daar bevinden en de woning onder overgave van de sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;

veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , hoofdelijk - zo dat de een betalende de ander in zoverre zal zijn bevrijd - aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 6.597,- te vermeerderen met € 1.099,50 voor elke maand dat [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] langer vanaf 1 juni 2020 in de woning verblijven;

veroordeelt [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 236,- aan griffierecht, € 100,89 aan dagvaardingskosten en € 480,- aan salaris voor de gemachtigde;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde 1] vastgesteld op € 480,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.R. Roukema en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

41645