Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5241

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
8296309 CV EXPL 20-3818
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgverzekering. Bestaat tussen partijen nog een betalingsregeling met als gevolg dat de vordering niet in zijn geheel opeisbaar is?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8296309 CV EXPL 20-3818

uitspraak: 12 juni 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

Zilveren Kruis Zorgverzekeringen N.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

gemachtigde: GGN Mastering Credit,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] , gemeente [gemeente] ,

gedaagde,

die procedeert in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Zilveren Kruis’ en ‘ [naam gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 22 januari 2020, met producties;

  2. de conclusie van antwoord;

  3. de conclusie van repliek, met producties;

  4. de conclusie van dupliek.

Het vonnis is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.2

[naam gedaagde] heeft bij Zilveren Kruis een zorgverzekering afgesloten zoals bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Op grond van deze overeenkomst is [naam gedaagde] premie, eigen risico, eigen bijdrage en eventueel niet voor vergoeding in aanmerking komende maar wel voorgeschoten zorgkosten verschuldigd.

3. Het geschil

3.1

Zilveren Kruis vordert dat [naam gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan Zilveren Kruis van een bedrag van € 431,89, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 januari 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [naam gedaagde] in de proceskosten.

3.2

Zilveren Kruis legt – kort samengevat – het volgende aan haar vordering ten grondslag. [naam gedaagde] is op grond van de zorgverzekeringsovereenkomst gehouden om premie en eigen risico te betalen. Zilveren Kruis vordert nakoming van deze verplichting. De achterstand is – inclusief rente en kosten – opgelopen tot een bedrag van € 431,89 als volgt: Hoofdsom € 441,49, buitengerechtelijke incassokosten € 48,40 (incl. btw) en vervallen rente € 1,00, zodat na betaling van een bedrag van € 59,00, te vorderen is een bedrag van € 431,89.

3.3

[naam gedaagde] voert verweer en legt daaraan – voor zover van belang – het volgende ten grondslag. In december 2019 is een betalingsregeling tot stand gekomen die nog steeds wordt nagekomen.

4. De beoordeling

4.1

Tussen partijen is niet in geschil dat tussen hen een zorgverzekeringsovereenkomst bestaat. Evenmin twisten zij over de juistheid van de door Zilveren Kruis gevorderde bedragen aan premie en eigen risico. Wel zijn partijen in geschil over de vraag of tussen hen al dan niet een betalingsregeling bestaat. Het gevolg van een dergelijke regeling zou zijn dat zolang deze bestaat, de vordering niet in zijn geheel opeisbaar is.

4.2

[naam gedaagde] stelt zich op het standpunt dat ten tijde van dagvaarding tussen partijen een betalingsregeling bestond die door haar werd nagekomen. Aanvankelijk hield de regeling in dat [naam gedaagde] uiterlijk iedere 25e van iedere maand de termijnbetaling moest verrichten. [naam gedaagde] stelt dat door een telefonische nadere afspraak de termijnbetaling is veranderd naar de eerste week van iedere maand, te beginnen met de eerstvolgende maand, zodat zij aan de betalingsregeling kon voldoen. De kantonrechter begrijpt dat [naam gedaagde] bedoelt dat de eerste termijnbetaling dan was verschuldigd begin januari 2020. [naam gedaagde] heeft niet gespecificeerd op uiterlijk welke dag van de maand de volgende termijnbetalingen verschuldigd waren op grond van de nadere afspraak.

4.3

Zilveren Kruis erkent dat tussen partijen medio december een betalingsregeling tot stand is gekomen, maar zij stelt zich op het standpunt dat de regeling is vervallen omdat [naam gedaagde] de eerste betaling niet binnen de gegeven termijn heeft gedaan, namelijk uiterlijk 25 december 2019. Zilveren Kruis betwist het bestaan van een nadere afspraak die telefonisch tot stand is gekomen.

4.4

Hoewel [naam gedaagde] zich beroept op het voortbestaan van de betalingsregeling vanwege de door haar gestelde nadere afspraak, die zij niet verder heeft kunnen onderbouwen met bewijs, blijkt niet van betaling van enige latere termijn. Voor zover de regeling niet al eind december is vervallen, zou deze om die reden in ieder geval eind januari zijn vervallen op basis van de aanvankelijk overeengekomen regeling of begin februari zijn vervallen indien sprake zou zijn van een nadere afspraak. Het al dan niet bestaan van die nadere afspraak maakt bij gebreke van verdere nakoming derhalve geen verschil. In beide gevallen is de regeling vervallen. De vordering is op dit moment dan ook in zijn geheel opeisbaar. De kantonrechter wijst de vordering toe.

4.5

De gevorderde wettelijke rente zal eveneens worden toegewezen, nu daartegen geen nader verweer is gevoerd.

4.6

Zilveren Kruis maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 48,40. Deze kosten heeft zij aangezegd in haar brief van 6 november 2019, over een bedrag van € 241,24. Op grond van artikel 6:44 BW strekt de betaling van € 59,- op
5 januari 2020 eerst in mindering op de kosten en de rente, zodat de buitengerechtelijke kosten op dat moment waren voldaan. Aangezien Zilveren Kruis geen aanspraak maakt op het hogere bedrag van € 80,13 aan buitengerechtelijke kosten dat zij over de hele hoofdsom had kunnen vorderen, hoefde zij niet nogmaals de buitengerechtelijke kosten aan te zeggen door middel van een veertiendagenbrief. Derhalve is voldaan aan de wettelijke vereisten, zodat ook het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.

4.7

[naam gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.8

Ten overvloede overweegt de kantonrechter het volgende. [naam gedaagde] betwist bij antwoord en bij dupliek de verschuldigdheid van griffierecht, omdat Zilveren Kruis in de dagvaarding schrijft ‘dat van gedaagde bij verschijning in de procedure geen griffierecht zal worden geheven’, maar dat Zilveren Kruis vervolgens wel griffierecht vordert. Met de aanzegging in de dagvaarding zoals hier geciteerd wordt bedoeld dat [naam gedaagde] zelf geen griffierecht hoeft te betalen om haar antwoord en dupliek te mogen indienen. Dat neemt niet weg dat Zilveren Kruis wel griffierecht heeft moeten betalen om deze procedure te mogen starten. De kosten die Zilveren Kruis in deze procedure vordert betreffen dan ook de door haar gemaakte kosten om de procedure te mogen starten. Op grond van de proceskostenveroordeling is [naam gedaagde] deze kosten aan Zilveren Kruis verschuldigd.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [naam gedaagde] aan Zilveren Kruis te betalen een bedrag van € 431,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag vanaf 22 januari 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Zilveren Kruis vastgesteld op € 124,- aan griffierecht, € 105,09 aan dagvaardingskosten en € 72,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

41645