Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5220

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
C/10/594684 / JE RK 20-976
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling voor kortere periode dan de gecertificeerde instelling heeft verzocht wegens prille positieve ontwikkelingen. Gewezen ten tijde van corona.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/594684 / JE RK 20-976

datum uitspraak: 11 juni 2020

beschikking verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen de GI, gevestigd te Amsterdam,

betreffende

[naam minderjarige] , geboren op [geboortedatum minderjarige] 2016 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:


- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 8 april 2020, ingekomen bij de griffie op
9 april 2020;

- een brief van het Leger des Heils van 29 mei 2020, per e-mail doorgestuurd door de advocaat van de moeder, mr. L.T. van Loenen, kantoorhoudende te Den Haag;

- een e-mailbericht van de GI van 29 mei 2020.

Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het COVID-19

virus tegen te gaan, zoals dat sinds 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd,

heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de kinderrechter op 29 mei

2020 de volgende personen telefonisch gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. L.T. van Loenen, voornoemd;

- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .

De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige

uitzonderlijke omstandigheden – in deze zaak voldoende is om tot een goed oordeel te

kunnen komen.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

[voornaam minderjarige] woont bij de moeder.

Bij beschikking van 29 mei 2019 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 12 juni 2020.

Het verzoek en het standpunt van de GI

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden.

De GI heeft ter zitting het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. De GI heeft verwezen naar het e-mailbericht van 29 mei 2020 waarin reacties van de persoonlijk begeleider en de woonbegeleider van de moeder zijn opgenomen. De GI onderschrijft deze reacties. De moeder woont sinds 14 mei 2020 zelfstandig. Deze verandering brengt mogelijk veranderingen met zich mee in het gedrag van [voornaam minderjarige] . Aanvullend brengt de verandering verantwoordelijkheden met zich mee zoals het zelfstandig houden van een dag-/nachtritme. Daarnaast zal [voornaam minderjarige] in augustus 2020 worden aangemeld voor een basisschool. De GI vindt het belangrijk dat in de komende periode wordt meegekeken met de moeder om de veiligheid en de schoolgang van [voornaam minderjarige] te blijven monitoren. De GI acht een ondertoezichtstelling nodig voor de duur van nog negen maanden, omdat er naast veel verbetering bij de moeder ook nog een aantal zorgelijke punten worden gezien. De moeder heeft altijd een ambivalente houding gehad richting de hulpverlening en wilde niet altijd meewerken aan de doelen. Gelet op de recente veranderingen en de ambivalente houding is de GI van mening dat negen maanden noodzakelijk zijn.

Het standpunt van belanghebbenden

Door en namens de moeder is ter zitting primair verzocht om het verzoek van de GI af te wijzen en subsidiair om de duur van de ondertoezichtstelling te beperken tot drie maanden. Ter onderbouwing hiervan is – kort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. In de brief van het Leger des Heils van 29 mei 2020 staat vermeld dat de moeder een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt tijdens haar verblijf bij Zij aan Zij. De moeder heeft geleerd grenzen aan te geven en aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoeften van [voornaam minderjarige] . Er is meer zicht gekomen op de opvoedvaardigheden van de moeder door de inzet van opvoedondersteuning. Nu de moeder zelfstandig woont, zal zij blijven profiteren van de opvoedondersteuning. Zij staat open voor de hulpverlening. De moeder is van mening dat er geen sprake meer is van een bedreiging in de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] en dat er geen aanknopingspunten zijn dat moeder niet zal meewerken aan de hulpverlening. De moeder stelt daarom dat er geen noodzaak is voor een ondertoezichtstelling. Subsidiair is de moeder van mening dat, indien de kinderrechter de ondertoezichtstelling toewijst, de duur dient te worden beperkt, zodat de moeder de kans krijgt om te laten zien dat zij de positieve stijgende lijn kan voortzetten en na drie maanden verder kan met de hulpverlening in het vrijwillige kader.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] met de moeder de afgelopen twee jaar bij Zij aan Zij heeft verbleven, omdat er zorgen waren over haar opvoedvaardigheden. De moeder heeft in het verleden keuzes gemaakt die niet in het belang waren van [voornaam minderjarige] en het lukte haar toen onvoldoende om aan te sluiten bij zijn ontwikkelingsbehoeften.

Gedurende het verblijf bij Zij aan Zij heeft de moeder veel positieve ontwikkelingen doorgemaakt. Gebleken is dat de moeder in staat is om voor [voornaam minderjarige] te zorgen. Het lukt haar steeds beter om een dagritme vast te houden en om [voornaam minderjarige] grenzen aan te geven. Aangezien de situatie voldoende veilig werd ingeschat, woont de moeder sinds 14 mei 2020 zelfstandig met [voornaam minderjarige] .

Ondanks voornoemde positieve ontwikkelingen, bestaan er ook nog zorgen over de in het verleden aanwezige ambivalente houding van de moeder richting de hulpverlening. Daarnaast woont de moeder pas sinds heel kort zelfstandig. Deze verandering brengt verantwoordelijkheden en mogelijk gedragsverandering bij [voornaam minderjarige] met zich mee, zeker als [voornaam minderjarige] in september 2020 naar school gaat. De kinderrechter acht de betrokkenheid van een jeugdbeschermer, in het kader van een ondertoezichtstelling, nog langer noodzakelijk om de nieuwe situatie te kunnen blijven monitoren ter waarborging van de veiligheid en de schoolgang van [voornaam minderjarige] .

In het inleidend verzoekschrift is een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van negen maanden verzocht, terwijl de moeder toen nog niet zelfstandig woonde met [voornaam minderjarige] . Inmiddels is dat het geval en lijkt het, al is het heel pril, goed te gaan. Bij de bepaling van de duur van de ondertoezichtstelling zal de kinderrechter hiermee rekening houden. In de komende periode zal blijken in hoeverre de moeder in staat blijft om in de nieuwe situatie haar positieve ontwikkelingen vast te houden. Daarbij is onder meer van belang dat de ondertoezichtstelling nog een periode doorloopt terwijl [voornaam minderjarige] naar school gaat, teneinde dit te monitoren.

Uit al het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek en dat het meest bij de belangen van [voornaam minderjarige] aansluit dat de ondertoezichtstelling wordt verlengd tot 1 februari 2021.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 1 februari 2021;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in tegenwoordigheid van E.M.P. van de Kamp als griffier en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.