Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5207

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
8216534 CV EXPL 19-52998
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

terugbetaling waarborgsom na einde huurovereenkomst, hoofdsom reeds voldaan, geschil over rente en kosten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8216534 CV EXPL 19-52998

uitspraak: 12 juni 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

gemachtigde: mr. J.F. Cheung,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 26 november 2019, met producties;

  2. de aantekeningen van de griffier van het op de rolzitting van 11 februari 2020 gegeven mondelinge antwoord van [gedaagde] , met producties;

  3. de aanvullende conclusie van antwoord, met producties;

  4. de conclusie van repliek;

  5. de conclusie van dupliek, met producties.

Het vonnis is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet weersproken, staat het volgende tussen partijen vast.

2.1

[eiser] huurde vanaf 8 maart 2018 van [gedaagde] een kamer aan de [adres] . Bij het aangaan van de huurovereenkomst heeft [eiser] een waarborgsom van € 1.100,- voldaan.

2.2

In de huurovereenkomst staat, voor zover hier van belang, de volgende bepaling:

“The deposit will be in the amount op 1100€. (…) The deposit will be returned (payed back) to the Tennant and by the Landlord after Tennant’s deregistration from the Town Hall. (…)”

2.3

[eiser] heeft de huurovereenkomst per 16 september 2019 opgezegd. Hij heeft zich op 13 september 2019 uitgeschreven op het huuradres.

2.4

[gedaagde] heeft op 12 december 2019 een bedrag van € 700,- aan [eiser] betaald. Op 4 februari 2020 heeft [gedaagde] een bedrag van € 400,- aan [eiser] betaald.

3. De vordering

3.1

[eiser] vordert dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 1.299,65, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2

Het gevorderde bedrag is opgebouwd uit € 1.100,- aan waarborgsom en € 199,65 aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.3

[eiser] legt de betalingsverplichting uit de tussen partijen gesloten overeenkomst aan zijn vordering ten grondslag.

4. Het verweer

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer. Daarop wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

5. De beoordeling

5.1

De gevorderde betaling van de waarborgsom zal worden afgewezen. [gedaagde] heeft na dagvaarding een bedrag van € 1.100,- aan [eiser] betaald. De kantonrechter begrijpt uit de conclusie van repliek dat dit bedrag in mindering strekt van de waarborgsom, zodat deze reeds is voldaan.

5.2

[eiser] vordert wettelijke rente over de waarborgsom. [gedaagde] is wettelijke rente verschuldigd vanaf het moment dat hij in verzuim was. [eiser] heeft geen concrete datum gesteld waarop het verzuim is ingetreden. Daarom wordt uitgegaan van de dag van dagvaarding.

5.3

Het verweer van [gedaagde] dat hij (een deel van) de waarborgsom mocht inhouden, wordt verworpen. Aangezien bij aanvang van de huurovereenkomst geen beschrijving van het gehuurde is gemaakt, wordt ervan uitgegaan dat het gehuurde correct is opgeleverd (artikel 7:224 lid 2 BW). [gedaagde] heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat de schade aan de twee matrassen en de muur in het gehuurde door [eiser] zijn veroorzaakt. Bovendien is onduidelijk waar de genoemde schadebedragen op zijn gebaseerd. [gedaagde] heeft voorts niet uitgelegd wat partijen concreet hebben afgesproken over het in rekening brengen van extra verbruikskosten. Deze kosten mogen daarom evenmin van de waarborgsom worden ingehouden.

5.4

Gelet op het bovenstaande zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele betaling.

5.5

[eiser] vordert tevens een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. In de door hem gestuurde aanmaningsbrief is echter niet de correcte termijn van veertien dagen ingaande de dag na ontvangst van de brief gegeven (artikel 6:96 lid 6 BW). Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.

5.6

[gedaagde] zal in de proceskosten worden veroordeeld. [gedaagde] heeft de waarborgsom immers pas gedurende de procedure voldaan, zodat [eiser] terecht is overgegaan tot dagvaarden. Aangezien [eiser] op basis van toevoeging procedeert, blijft de proceskostenveroordeling beperkt tot het griffierecht en het salaris voor de gemachtigde.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] aan [eiser] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 1.100,- vanaf 27 november 2019 tot 12 december 2019 en over een bedrag van € 400,- vanaf 12 december 2019 tot 4 februari 2020;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 231,- aan griffierecht en € 240,- aan salaris voor de gemachtigde, van welke bedragen het totaal rechtstreeks aan die gemachtigde dient te worden voldaan, voornoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

en indien [gedaagde] niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 60,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook is [gedaagde] de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over al deze bedragen verschuldigd vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

33945