Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5201

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
15-06-2020
Zaaknummer
8214358
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vorderingen afgewezen. Over de vordering is reeds beslist in een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8214358 \ CV EXPL 19-52841

uitspraak: 5 juni 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] , gemeente [gemeente] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. E.B. van den Ouden te Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee,

tegen

de vereniging

Vereniging Bungalowpark Het Volkerak,

gevestigd te Ooltgensplaat,

gedaagde,

gemachtigde: [naam gemachtigde] te [plaats] .

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘de vereniging’.

1. Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding met producties van 27 november 2019

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de conclusie van repliek met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek met producties;

  • -

    de akte uitlaten van [eiseres] .

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[eiseres] is eigenaar van een bungalow staande en gelegen op het Bungalowpark Het Volkerak te Ooltgensplaat aan de [adres] .

2.2.

Alle eigenaren van de woningen op het bungalowpark zijn lid van de vereniging. De vereniging is opgericht ten behoeve van het onderhouden, beheren en in stand houden van de grond en de algemene voorzieningen op het park.

2.3.

Jaarlijks brengt de vereniging een verenigingsbijdrage in rekening bij haar leden. Over het jaar 2018 heeft de vereniging bij ieder van haar leden, waaronder dus ook bij [eiseres] , een bedrag van € 673,50 in rekening gebracht.

2.4.

Bij vonnis van 6 februari 2019, onder zaaknummer 7297246 / 18-3996, van de kantonrechter te Middelburg, is [eiseres] bij verstek veroordeeld tot betaling van € 712,04 aan hoofdsom, ter zake de jaarbijdrage van de vereniging over het jaar 2018, buitengerechtelijke kosten en proceskosten (hierna: het verstekvonnis).

2.5.

Op 14 februari 2019 is het verstekvonnis betekend aan [eiseres] . Op 24 maart 2019 heeft [eiseres] , bij e-mail aan de deurwaarder die het verstekvonnis heeft betekend, schriftelijk gereageerd op het verstekvonnis.

2.6.

Door middel van een beslag onder de bankrekening van [eiseres] heeft de gemachtigde van de vereniging een bedrag ter grootte van € 1.175,47, te weten de hoofdsom uit het verstekvonnis en bijkomende (proces)kosten, geïncasseerd.

3. De vordering

3.1.

[eiseres] heeft (verkort weergegeven) gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vereniging te veroordelen om aan [eiseres] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen

€ 1.175,47, ter zake het geïncasseerde bedrag, € 3.960,-, ter zake verletkosten van de partner van [eiseres] , € 811,33 aan buitengerechtelijke kosten en € 3.591,28 aan begrote advocaatkosten, met veroordeling van de vereniging in de kosten van de procedure.

3.2.

Aan haar vordering heeft [eiseres] (zakelijk weergegeven en voor zover van belang) het volgende ten grondslag gelegd. Door persoonlijke omstandigheden heeft de betaling van de jaarbijdrage niet tijdig plaatsgevonden. [eiseres] ontving daarop van de incassogemachtigde van de vereniging diverse brieven met verschillende bedragen. De herkomst van deze bedragen was haar niet duidelijk. Zij heeft evenwel op 28 augustus 2018 het hoogste door de gemachtigde gevorderde bedrag, namelijk € 818,85 betaald. Ondanks deze betaling is [eiseres] op 11 oktober 2019 gedagvaard, waarbij in de dagvaarding geen melding is gemaakt van haar betaling. Tijdens de algemene ledenvergadering van de vereniging op 3 november 2018 heeft [eiseres] de vereniging ook nadrukkelijk op de hoogte gesteld van haar betaling.

3.3.

De vereniging heeft [eiseres] willens en wetens gedagvaard terwijl zij geen vordering meer op haar had. In de dagvaarding heeft zij in strijd met de waarheidsplicht, ex artikel 21 Rv, geen melding gemaakt van de betaling van [eiseres] . Ondanks herhaalde mededeling van [eiseres] dat zij al betaald had, heeft de vereniging de procedure voortgezet en is zij tot executie van het onrechtmatig verkregen vonnis overgegaan. [eiseres] vordert daarom, naast betaling van het geïncasseerde bedrag van € 1.175,47, andere schadeposten. Door het beslag op haar bankrekening heeft [eiseres] de kinderopvang niet kunnen betalen, waardoor haar partner vrije dagen heeft moeten opnemen. Deze verletkosten ter hoogte van € 3.960,- vordert [eiseres] daarom eveneens van de vereniging. Verder vordert [eiseres] een integrale vergoeding van haar advocaatkosten, ter hoogte van € 3.591,28 omdat de vereniging misbruik heeft gemaakt van het procesrecht. Over al deze posten vordert [eiseres] ten slotte buitengerechtelijke kosten, ter hoogte van € 811,33, en rente.

4. Het verweer

4.1.

De vereniging heeft de vordering van [eiseres] betwist en heeft daartoe (zakelijk weergegeven en voor zover van belang) het volgende aangevoerd. Het verstekvonnis is in kracht van gewijsde gegaan. [eiseres] heeft namelijk geen verzet ingesteld of herziening van het vonnis gevorderd. Het verstekvonnis is daarom bindend tussen partijen.

4.2.

De betaling van [eiseres] van € 818,85 is door de vereniging in mindering gebracht op hetgeen zij uit hoofde van het verstekvonnis verschuldigd is.

4.3.

Op hetgeen de vereniging verder heeft aangevoerd zal de kantonrechter, slechts voor zover voor de uitkomst van deze procedure van belang, hierna ingaan.

5. De beoordeling

5.1.

Tussen partijen is er geen discussie over dat [eiseres] over 2018 de jaarbijdrage ter hoogte van € 673,50 verschuldigd was. De vorderingen van [eiseres] komen er kort gezegd op neer dat zij ten onrechte is veroordeeld tot betaling van dit bedrag (en bijkomende kosten), omdat zij dit bedrag al betaald had. Voordat de kantonrechter op de inhoudelijke argumenten van [eiseres] in kan gaan, dient zij vast te stellen in hoeverre zij deze argumenten kan beoordelen. De vereniging heeft immers een beroep gedaan op het gezag van gewijsde van het verstekvonnis. Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende.

5.2.

[eiseres] heeft op 24 maart 2019 per e-mail gereageerd op het verstekvonnis, zodat in ieder geval op dat moment de verzettermijn, zoals bedoeld in artikel 143 lid 2 Rv, is gestart. De vereniging heeft onbetwist aangevoerd dat [eiseres] geen verzet heeft ingesteld. Daarom staat als onweersproken vast dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan op uiterlijk 21 april 2019.

5.3.

Artikel 236 Rv bepaalt dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Aan alle voorwaarden van dit artikel is voldaan. Het betreft namelijk een geschil tussen dezelfde partijen, met betrekking tot dezelfde rechtsbetrekking, waarover reeds in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis een beslissing is genomen.

5.4.

[eiseres] heeft diverse mogelijkheden gehad om zich tegen de stellingen van de vereniging te verweren, namelijk door het voeren van verweer in de (verstek)procedure of door het instellen van verzet. Zelfs nadat het vonnis in kracht van gewijsde was gegaan had zij de mogelijkheid om een vordering tot herroeping in te stellen zoals bedoeld in artikel 382 Rv. Zij heeft echter van geen van deze mogelijkheden gebruik gemaakt. Het is in strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen om vervolgens in een andere dan de geëigende procedure op te komen tegen een uitspraak die onherroepelijk is. Daarom moet er in deze procedure vanuit worden gegaan dat [eiseres] de jaarbijdrage ten tijde van het vonnis verschuldigd was en dat dit bedrag dan ook terecht geïncasseerd is, ondanks dat [eiseres] in deze procedure heeft aangetoond dat de feiten waarop het vonnis is gebaseerd objectief onjuist zijn in die zin dat zij op 28 augustus 2018, na het verstrijken van de laatste aan haar gestelde termijn bij sommatie van 7 juli 2018, de hoofdsom en de incassokosten heeft voldaan. Bij een volledige weergave van de feiten zou derhalve dat gedeelte van de vordering zijn afgewezen. Als onweersproken staat overigens vast dat de vereniging voornoemde betaling door Zengh bij de executie van het verstekvonnis niet heeft geïncasseerd.

5.5.

Om dezelfde reden gaat ook het beroep van [eiseres] op artikel 21 Rv niet op. [eiseres] merkt terecht op dat dit artikel voor partijen de verplichting inhoudt om de voor een beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren en dat de rechter ingeval die verplichting niet wordt nageleefd, daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. [eiseres] ziet daarbij over het hoofd dat aan een niet-naleving van deze verplichting alleen door de rechter tijdens diezelfde procedure consequenties kunnen worden verbonden. Anders dan [eiseres] betoogt, brengt dit artikel niet met zich mee dat ingeval na die procedure blijkt dat artikel 21 niet is nageleefd, een rechter in een andere procedure daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. Dat zou immers eveneens in strijd zijn met het beginsel van het gezag van gewijsde en het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.

5.6.

Alle vorderingen van [eiseres] zijn gebaseerd op haar stelling dat het bedrag van

€ 1.175,47 onrechtmatig is geïncasseerd. Nu de kantonrechter hiervoor heeft overwogen dat zij in deze procedure uit dient te gaan van de beslissing uit het verstekvonnis, volgt hieruit ook de rechtmatigheid van het incasseren van dat bedrag. Alle vorderingen van [eiseres] zullen dan ook worden afgewezen.

5.7.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiseres] veroordeeld in de kosten van deze procedure, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vereniging worden vastgesteld op

€ 600,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten à € 300,-).

6. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de vereniging vastgesteld op € 600,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

33394