Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5009

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-05-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
C/10/595018 / JE RK 20-1046
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Behandeld ten tijde van de Corona-maatregelen. Zwangerschap minderjarige, verlenging OTS en afwijzing MUHP

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaakgegevens: C/10/595018 / JE RK 20-1046 en C/10/595517 / JE RK 20-1157

datum uitspraak: 26 mei 2020

verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertififceerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2004 [geboorteplaats minderjarige 1] , [geboorteland minderjarige 1] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2008 te [geboorteplaats minderjarige 2] , [geboorteland minderjarige 2] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] ,

[naam minderjarige 3] ,geboren op [geboortedatum minderjarige 3] 2010 te [geboorteplaats minderjarige 3] , [geboorteland minderjarige 3] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 3] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] , hierna te noemen de vader, woont in het buitenland.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de verzoekschriften met bijlagen van de GI van 14 april 2020 en 23 april 2020.

Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het COVID-19

virus tegen te gaan, zoals dat sinds 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd,

heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de kinderrechter op 26 mei

2020 de minderjarigen [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] , ieder afzonderlijk telefonisch gehoord. Vervolgens

heeft de kinderrechter gezamenlijk - in een groepsgesprek - gehoord:

- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster] .

Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Somalische taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met bijstand van mw. R. Musa, tolk in de Somalische taal.

De kinderrechter heeft de tolk beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van de Wet beëdigde tolken en vertalers.

De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige

uitzonderlijke omstandigheden – in deze zaak voldoende is om tot een goed oordeel te

kunnen komen en een beslissing te kunnen nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de ouders.


[voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] wonen bij moeder.

Bij beschikking van 1 juli 2019 zijn [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 1 juli 2020.

De verzoeken en het standpunt van de GI

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3]

te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens heeft de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling en een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van twee maanden.

De GI heeft ter zitting het verzoek tot ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] gehandhaafd.

De GI heeft ter zitting het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg uitgebreid dan wel gewijzigd, in die zin dat de machtiging wordt gevraagd voor de duur van een jaar. Het verzoek tot een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing kan als ingetrokken worden beschouwd, nu er nog geen sprake is van een eerdere machtiging tot uithuisplaatsing.

De GI heeft de gehandhaafde verzoeken ter zitting als volgt toegelicht. De kinderen worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd en zijn belast met een traumatisch verleden. De moeder is onvoldoende in staat en bereid om toe te komen aan de zorgtaken die de kinderen nodig hebben en om de hulpverlening te accepteren. De moeder zegt dat ze meewerkt aan de hulpverlening, maar dat doet zij niet. Hierdoor zijn de al langer bestaande zorgen toegenomen. Er is onvoldoende zicht op de thuissituatie. Ook de school heeft zorgen geuit, omdat [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 1] veel verzuimen en zij geen vriendinnen hebben op school. Het lukt niet om met [voornaam minderjarige 1] een afspraak te maken, omdat zij de GI negeert. Daarnaast is de GI niet op de hoogte gebracht van de zwangerschap van [voornaam minderjarige 2] . De GI kwam er toevallig achter via school. Volgens de moeder heeft de huisarts gezegd dat deze informatie niet gedeeld hoefde te worden met de GI. Verder heeft de GI aangegeven dat de moeder nog steeds niet de registratie van de geboortedata van de kinderen heeft geregeld, ondanks het verzoek daartoe van de kinderrechter tijdens de vorige zitting en een schriftelijke aanwijzing. De GI vindt de omgeving van [voornaam minderjarige 2] bij de moeder, met alle zorgen en risico’s voor haar zwangerschap, onvoldoende veilig. De GI vindt het zorgelijk dat de moeder de ouderrol niet op zich neemt en [voornaam minderjarige 2] zelf laat kiezen of zij het kind wil behouden of niet. [voornaam minderjarige 2] is een tenger meisje en weegt 40 kg. Het is niet zeker of zij een zwangerschap kan voldragen en wat de gevolgen zullen zijn voor het kind. De GI wil [voornaam minderjarige 2] daarom opvangen in een pleeggezin, waar zij ook na de bevalling met haar kind kan blijven wonen.

Het standpunt van belanghebbenden

De moeder heeft ter zitting verweer gevoerd tegen de verzoeken van de GI. Allereerst heeft de moeder vermeld dat zij het lastig vindt om met de GI te communiceren, omdat er vaak geen tolk wordt geregeld. De moeder heeft contact gehad met de ambassade in Brussel voor het registreren van de geboortedata van de kinderen. De moeder moest hiervoor 500 euro betalen. De moeder heeft bij de GI aangegeven dat zij dat niet kan betalen en gevraagd of de gemeente dat kan betalen. Verder heeft de moeder aangegeven dat het klopt dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] geen vriendinnen hebben, omdat zij in het verleden verkeerde vriendinnen hebben gehad. Zij vinden nu vriendschap bij elkaar. De moeder is erg geschrokken van de zwangerschap van [voornaam minderjarige 2] en heeft hier veel verdriet van gehad. Zij heeft bij de huisarts een verzoek tot abortus gedaan, maar [voornaam minderjarige 2] wilde de baby houden. In het ziekenhuis is onderzocht of [voornaam minderjarige 2] geschikt is voor een zwangerschap. De reden dat de moeder de GI niet heeft ingelicht over de zwangerschap is dat de huisarts had gezegd dat de rapporten van het onderzoek naar de school en de GI zouden worden verstuurd en de moeder daarom zelf niets hoefde door te geven. De moeder zou het verschrikkelijk vinden als [voornaam minderjarige 2] uit huis geplaatst wordt. Zij heeft goede contacten met de kinderen en geeft hun veel liefde.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen zijn met hun moeder in 2015 van Somalië naar Nederland gevlucht en hebben een belast en traumatisch verleden. In juli 2019 zijn [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] onder toezicht gesteld vanwege zorgelijke signalen in de opvoedsituatie en omdat de moeder onvoldoende bereid en in staat was om tegemoet te komen aan de zorgen en de hulpverlening te accepteren. In het afgelopen jaar is gebleken is dat de al langer bestaande zorgen zijn toegenomen. Er is sprake van een gesloten familiesysteem, waardoor de GI weinig zicht krijgt op de thuissituatie bij de moeder. Zorgelijk is dat er bij [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] nog steeds veel sprake is van schoolverzuim en zij geen sociale contacten hebben. Verder lijkt het gezin de contacten met de GI af te houden en niet direct volledige openheid te geven over cruciale zaken, zoals de zwangerschap van [voornaam minderjarige 2] .

Gelet op voornoemde zorgen is de kinderrechter van oordeel dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer, in het kader van een ondertoezichtstelling, nog steeds noodzakelijk is om meer zicht te krijgen op de thuissituatie bij de moeder en de schoolgang van de kinderen. Daarnaast moet worden bezien of er intensievere ondersteuning nodig is voor het gezin, zeker als het gaat om de begeleiding van [voornaam minderjarige 2] in verband met haar zwangerschap. Het is van belang dat de moeder zich inzet om de aangeboden hulp te aanvaarden en samen te werken met de GI. De moeder dient openheid van zaken te geven over dingen die gebeuren in het gezin.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 BW. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] verlengen voor de duur van een jaar.

Ten aanzien van het verzoek van de GI om [voornaam minderjarige 2] uit huis te plaatsen en op te vangen in een pleeggezin, overweegt de kinderrechter dat de GI dit verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. De omstandigheid dat de moeder de ouderrol niet op zich neemt door [voornaam minderjarige 2] zelf de te laten beslissen over het al dan niet in stand houden van haar zwangerschap - waarbij de moeder overigens een wat andere versie van het verhaal heeft - is daarvoor onvoldoende. Hoewel het zeer zorgelijk is dat [voornaam minderjarige 2] op haar jonge leeftijd zwanger is geraakt, is de kinderrechter er niet van overtuigd dat zij haar zwangerschap niet met de nodige (meer) intensieve gezinsondersteuning in de thuissituatie, in het bijzijn van haar moeder en zussen, kan volbrengen. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat er geen noodzaak is voor een uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] .

Uit het voorgaande volgt dat niet is voldaan aan het wettelijk criterium genoemd in artikel 1:265b, eerste lid, BW. De kinderrechter zal daarom het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] afwijzen.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] tot 1 juli 2021;

wijst af de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2020 door mr. A. Verweij, kinderrechter, in tegenwoordigheid van E.M.P. van de Kamp als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 4 juni 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.