Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:5000

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-06-2020
Datum publicatie
10-06-2020
Zaaknummer
ROT 20/2063
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het is een voorlopige voorziening waarbij het voordeel van de twijfel over het spoedeisend belang is gegeven en het inhoudelijke besluit ten aanzien van het schorsen van een WIA uitkering en toeslag in rechte stand kan houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/2063

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juni 2020 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam verzoekster] , te [woonplaats verzoekster] , verzoekster,

gemachtigde: mr. S. Karkache,

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: [naam verweerder] .

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de uitbetaling van verzoeksters uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en de uitbetaling van de toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) met ingang van

1 april 2020 geschorst.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Ook heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Vanwege de omstandigheden rond het Coronavirus is er geen fysieke zitting gehouden bij de rechtbank. Partijen zijn op 4 juni 2020 via skype/telefonisch gehoord. Hierbij zijn gehoord verzoekster en haar gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Verzoekster ontving een Wet WIA-uitkering en toeslag. Op 17 januari 2020 is er een re integratieplan voor verzoekster opgesteld. Verzoekster is op 30 januari 2020 uitgenodigd door het re-integratiebedrijf. Verzoekster is niet verschenen. Verweerder heeft navraag gedaan naar de reden daarvan. Uit een gespreksnotitie blijkt dat verzoekster heeft aangegeven dat zij niet meer hoefde te komen van haar advocaat en omdat er een bezwaarprocedure loopt. Verzoekster is vervolgens ook niet verschenen op een spreekuur van de arbeidsdeskundige op 11 maart 2020, waar zij voor was uitgenodigd bij brief van

26 februari 2020. Op 21 en 30 april 2020 was verzoekster niet bereikbaar voor het Werkbedrijf. Voor de telefonische afspraak op 21 april 2020 is een sms-bericht aan verzoekster gestuurd. Bij brief van 21 april 2020 is aan verzoekster gemeld dat zij op

30 april 2020 tussen 09.00 en 10.00 uur zou worden gebeld. Verzoekster was wederom niet te bereiken. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen

2. Verzoekster stelt dat zij afspraken heeft afgemeld. Verder is tijdens de telefonische zitting gesteld dat verzoekster sms-berichten niet zou hebben ontvangen en dat zij zeker wel bereid is om naar afspraken te komen. Verzoekster neemt alleen geen telefoontjes met een anoniem nummer op.

3. Indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.

4. Het spoedeisend belang heeft verzoekster ter zitting toegelicht in de zin dat zij de enige is met inkomen (te weten haar uitkering). Haar echtgenoot is nog bezig met het verkrijgen van een verblijfsstatus en mag geen werkzaamheden verrichten. Verzoekster heeft geen concrete en verifieerbare gegevens ten aanzien van het spoedeisend belang overgelegd, zoals betalingsachterstanden of inzicht in haar banktegoeden, maar, gelet op het gegeven dat verzoekster kostwinner is geeft de voorzieningenrechter verzoekster, mede gelet op het feit dat er ook nog kinderen in het spel zijn, wat de spoedeisendheid betreft het voordeel van de twijfel en zal de zaak inhoudelijk beoordelen.

5. In geschil is of verweerder, met toepassing van artikel 67, tweede lid, aanhef en onder c. van de Wet WIA, de betaling van de Wet WIA-uitkering en van de toeslag van verzoekster met ingang van 1 april 2020 terecht heeft geschorst wegens een gegrond vermoeden dat zij onvoldoende meewerkt aan een onderzoek, zoals zij dat verplicht is op grond van artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet WIA. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verweerder, om de volgende redenen.

5.1.

Verzoekster wist dat zij op gesprek moest komen bij de arbeidsdeskundige en/of dat het werkbedrijf contact met haar zocht. Zij heeft afspraken afgezegd, zo stelt zij. Dan moet zij op de hoogte geweest zijn van in ieder geval de afspraken van 30 januari 2020 en

11 maart 2020. Een geldige reden om niet te verschijnen is niet gebleken, anders dan dat verzoekster is afgegaan op haar advocaat, die heeft aangegeven dat meewerken niet hoeft zolang er een bezwaarprocedure loopt (wat echter de verplichting om aan onderzoek mee te werken niet schorst) en dat zij zelf van mening is vanwege haar psychische gesteldheid niet geschikt te zijn voor re-integratie (overigens zonder dat medische verklaringen zijn ingeleverd waaruit dat zou kunnen blijken).

5.2.

Tijdens de telefonische zitting is naar voren gekomen dat verzoekster bereid is om naar afspraken te komen en dat het misschien wenselijk is dat de gemachtigde van verzoekster als tussenpersoon fungeert en dat bijvoorbeeld de uitnodigingen tevens naar hem worden verstuurd zodat hij verzoekster erop kan wijzen.

6. Uit het voorgaande volgt dat in bezwaar het bestreden besluit naar verwachting in stand kan blijven, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. de Vries, griffier. De uitspraak is gedaan op 9 juni 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier is buiten staat De voorzieningenrechter is verhinderd te tekenen

griffier voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.