Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:4836

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-06-2020
Datum publicatie
08-06-2020
Zaaknummer
7726807
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding en ontruiming. Tussenvonnis. Uitlaten eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 7826807 \ CV EXPL 19-25390

uitspraak: 5 juni 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Havensteder,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V. te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde sub 1,

gemachtigde: voorheen mr. E. Kattestaart,

thans procederend in persoon,

2. [gedaagde 2] in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [naam persoon],

kantoorhoudende te [plaats] ,

gedaagde sub 2,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Havensteder’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding met producties van 23 mei 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 16 augustus 2019 waarin een comparitie van partijen is bepaald en de kantonrechter partijen in staat heeft gesteld om de bewindvoerder op te roepen;

  • -

    de brief met een productie van [gedaagde 1] van 5 september 2019;

  • -

    de diverse brieven van beide partijen, van september 2019 tot en met februari 2020, waarin zij eerst hebben verzocht de comparitie van partijen aan te houden en daarna diverse malen om aanhouding hebben verzocht in het kader van het beproeven van een minnelijke regeling;

  • -

    de brief van [gedaagde 2] van 23 december 2019;

  • -

    de akte uitlaten van Havensteder van 12 maart 2020;

  • -

    de schriftelijke reactie van [gedaagde 1] van 9 maart 2020, 10 april 2020 en 6 mei 2020.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[gedaagde 1] huurt sinds 24 maart 2015, op basis van een huurovereenkomst, van Havensteder de woning gelegen aan het adres [adres] te Rotterdam (hierna: het gehuurde).

2.2.

Op 10 oktober 2016 is de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen (WSNP) ten aanzien van [gedaagde 1] uitgesproken. [gedaagde 2] is thans benoemd tot de WSNP-bewindvoerder van [gedaagde 1] .

2.3.

Bij beschikking van 20 juni 2019 zijn de (toekomstige) goederen van [gedaagde 1] door de kantonrechter te Rotterdam onder bewind gesteld, wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden, en is Stichting LC Bewindvoering benoemd tot bewindvoerder.

3. De vordering

3.1.

Havensteder heeft (kort gezegd) gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de huurovereenkomst tussen Havensteder en [gedaagde 1] te ontbinden en [gedaagde 1] te veroordelen tot ontruiming van het gehuurde, [gedaagde 2] te veroordelen om het voorgaande te gehengen en te gedogen en [gedaagde 1] te veroordelen om aan Havensteder te betalen € 7.492,12 aan hoofdsom, € 5,98 aan rente en € 805,98 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 7.492,12 en € 856,01 per (gedeelte van een) maand dat [gedaagde 1] het gehuurde na 31 mei 2019 in gebruik zal houden.

3.2.

Aan haar vordering heeft Havensteder ten grondslag gelegd dat de huurprijs van het gehuurde € 856,01 per maand bedraagt en dat [gedaagde 1] een huurachterstand heeft laten ontstaan van € 7.492,12, berekend tot en met 30 april 2019. Deze tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst rechtvaardigt de gevorderde ontbinding en ontruiming.

4. Het verweer

4.1.

[gedaagde 1] heeft de vordering betwist en heeft daartoe (zakelijk weergegeven en voor zover van belang) het volgende aangevoerd. De huurprijs van het gehuurde bedraagt slechts € 653,01 per maand (inclusief servicekosten). In de gevorderde huurprijs van € 805,98 per maand is een voorschotbedrag van € 203,- aan warmtelevering I begrepen. Bij gebrek aan wetenschap betwist [gedaagde 1] dat zij een overeenkomst tot warmtelevering heeft gesloten met Havensteder. De gevorderde hoofdsom dient daarom € 6.506,17 lager te zijn. [gedaagde 1] stelt daarnaast dat de dagvaarding nietig is, aangezien niet een overeenkomst ter zake warmtelevering ten grondslag is gelegd aan het gevorderde bedrag.

4.2.

Omdat op 10 oktober 2016 de WSNP ten aanzien van [gedaagde 1] is uitgesproken, maken alle vorderingen die betrekking hebben op de periode voor oktober 2016 deel uit van de boedelschuld, zodat die vorderingen geen deel uit kunnen maken van de onderhavige procedure. Havensteder moet daarom niet ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van de afrekeningen over 2015 en 2016.

4.3.

De ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde dienen te worden afgewezen. Ten eerste heeft Havensteder namelijk niet gehandeld als goed huurder, omdat zij weet dat [gedaagde 1] is toegelaten tot de WSNP, maar onnodig lang heeft gewacht met dagvaarden en nagelaten heeft [gedaagde 2] te informeren. Ten tweede voedt [gedaagde 1] twee ernstig zieke kinderen op, voor wie een ontruiming ernstige gevolgen zou hebben. Ten derde heeft de rechtbank de WSNP die op [gedaagde 1] van toepassing is met zes maanden verlengd, om haar een kans te geven haar zaken op orde te krijgen, daar zou ontbinding en ontruiming aan in de weg staan. [gedaagde 1] voert verder aan dat zij reeds negen maanden € 75,- per maand aflost.

4.4.

De buitengerechtelijke incassokosten dienen te worden afgewezen. Havensteder heeft namelijk niet geprobeerd een procedure te voorkomen, aangezien zij heeft verzuimd [gedaagde 2] te informeren. De werkzaamheden van Havensteder dienen te worden aangemerkt als voorbereiding van de procedure, zodat hiervoor ex artikel 241 Rv, geen vergoeding kan worden gevorderd.

4.5.

De gevorderde rente dient als niet onderbouwd te worden afgewezen.

4.6.

Havensteder dient in de proceskosten te worden veroordeeld. Zij heeft namelijk een onjuiste voorstelling van zaken gegeven in de dagvaarding. [gedaagde 2] is bovendien rauwelijks gedagvaard.

4.7.

[gedaagde 2] heeft in zijn brief gesteld dat hij is benoemd tot bewindvoerder in het kader van de Faillisementswet en dat hij daarmee niet de wettelijk vertegenwoordiger van [gedaagde 1] is en dus niet namens haar zal optreden.

5. De beoordeling

5.1.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 16 augustus 2019 een comparitie van partijen bepaald. Op verzoek van partijen heeft deze comparitie van partijen geen doorgang gehad. Weliswaar heeft Havensteder zich bij akte uitgelaten over het door haar gewenste vervolg van de procedure, zij heeft echter nog niet gereageerd op het verweer van [gedaagde 1] . Daarom stelt de kantonrechter Havensteder in gelegenheid tot het nemen van een conclusie van repliek.

5.2.

Indien Havensteder een conclusie van repliek neemt, zal [gedaagde 1] in de gelegenheid worden gesteld om hier bij conclusie van dupliek op te reageren. De kantonrechter overweegt daarbij dat, zoals overwogen in het tussenvonnis van 16 augustus 2019, [gedaagde 1] in deze procedure dient te worden vertegenwoordigd door Stichting LC Bewindvoering. Aangezien [gedaagde 1] pas in de loop van deze procedure onder bewind is gesteld kan deze omstandigheid niet aan Havensteder worden tegengeworpen. De kantonrechter roept de bewindvoerder van [gedaagde 1] evenwel op om in de procedure te verschijnen en deze als formele procespartij, in plaats van [gedaagde 1] , over te nemen (ECLI:NL:HR:2014:525, r.o. 3.3.3. en 3.3.4.).

5.3.

In afwachting van de te nemen conclusies houdt de kantonrechter iedere beslissing aan.

6. De beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 2 juli 2020, teneinde Havensteder in de gelegenheid te stellen tot het nemen van een conclusie van repliek;

Deze conclusie van repliek dient in tweevoud ingestuurd te worden en uiterlijk de dag vóór genoemde rolzitting om 12.00 uur ter griffie ontvangen te zijn;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

33394