Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:482

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-01-2020
Datum publicatie
27-01-2020
Zaaknummer
C/10/582042 / HA ZA 19-836
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:1415, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelvonnis, akte niet dienen, Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Nu de rechtbank, gelet op wat blijkt uit de dagvaarding, vermoedt dat de bruikleenovereenkomst onder het bereik van de richtlijn valt en een beding bevat dat oneerlijk is in de hiervoor genoemde zin, zal zij daar onderzoek naar moeten doen. Zij zal daar dan ook de instructiemaatregelen voor nemen die in dit verband nodig zijn om de volle werking van de richtlijn te verzekeren. Partijen zullen, conform het beginsel van hoor en wederhoor, in de gelegenheid worden gesteld zich over het vorenstaande uit te laten en, in het geval van Alvast c.s., indien nodig, hun stellingen daaraan aan te passen. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de in de beslissing genoemde rol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2020/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/582042 / HA ZA 19-836

Vonnis van 22 januari 2020

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ALVAST B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelend te Rotterdam,

eiseressen,

advocaat mr. C.J.M. Stubenrouch te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. A. Rhijnsburger te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Alvast c.s. en [gedaagde] worden genoemd. Eisers zullen afzonderlijk worden aangeduid als Alvast respectievelijk de Gemeente.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 9 september 2019, met producties,

  • -

    de beslissing van de rolrechter dat aan [gedaagde] akte niet dienen is verleend, nu niet is geconcludeerd voor antwoord.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De Gemeente heeft leegstaande woon- en bedrijfsruimten in eigendom, welke zij in afwachting van verkoop/sloop/renovatie of andere ontwikkelingen tijdelijk om niet in gebruik aan derden wenst te geven. Voor leegstandsbeheer schakelt de Gemeente (onder meer) Alvast in.

2.2.

Alvast is als leegstandbeheerder gevolmachtigde van de Gemeente en heeft daartoe met de Gemeente een Raamovereenkomst bruikleenvolmacht gesloten. Alvast gaat op grond van deze Raamovereenkomst bruikleenovereenkomsten met derden aan met betrekking tot leegstaande ruimten die in eigendom toebehoren aan de Gemeente.

2.3.

Op 21 april 2011 heeft Alvast met [gedaagde] een dienstverleningsovereenkomst gesloten, met de bedoeling om voor [gedaagde] een leegstaand (woon)pand te zoeken voor tijdelijk gebruik/bewoning. Op grond van deze overeenkomst zou Alvast, tegen betaling van een vergoeding van aanvankelijk € 125,00 (en thans € 150,00) per maand, trachten een bruikleengever te vinden die bereid was om een tijdelijk leegstaand pand voor (on)bepaalde tijd om niet in bruikleen te geven (in afwachting van verkoop/verhuur/ renovatie/sloop). Op diezelfde datum heeft Alvast, in haar hoedanigheid van gevolmachtigde van de Gemeente, met [gedaagde] een Bruikleenovereenkomst woning (anti-kraak) (verder: de bruikleenovereenkomst) gesloten met betrekking tot het woonpand te Rotterdam aan de [adres] (verder ook: de woning). In de bruikleenovereenkomst staat onder andere:

“(…) In aanmerking nemende:

de eigenaar is eigenaar/beheerder van het pand en erf staande en gelegen te Rotterdam, [adres] , [postcode] , bestaande uit een woning, hierna te noemen “het Object”;

het Object staat/stond tijdelijk leeg in afwachting van verkoop, verhuur, renovatie, sloop of andere ontwikkeling(en);

de Bruikleengever wenst het Object aan de Bruiklener in – al dan niet gedeeltelijke – bruikleen te geven, om daarin tijdelijk verblijf te houden en zodoende leegstand te voorkomen;

de Bruiklener realiseert zich en verklaart zich ermee akkoord dat de bruikleenovereenkomst zal eindigen indien de Bruikleengever zulks met inachtneming van de bepalingen van de bruikleenovereenkomst te kennen geeft;

de Bruiklener realiseert zich en verklaart zich ermee akkoord dat hij geen beroep zal kunnen doen op huurbescherming; (…)

komen overeen:

Bruikleen

Artikel 1

De Bruikleengever geeft vanaf 2011-05-02 voor onbepaalde tijd en om niet het Object in - al dan niet gedeeltelijke - bruikleen aan de Bruiklener, en de Bruiklener neemt het Object vanaf 2011-05-02 voor onbepaalde tijd en om niet, van de Bruikleengever in – al dan niet gedeeltelijke – bruikleen aan.

(…)

Beëindiging van de overeenkomst

Artikel 14

1. Deze overeenkomst kan te allen tijde, zonder opgave van redenen, schriftelijk door de Bruikleengever en/of de Bruiklener worden opgezegd, met inachtneming van een opzegtermijn van 28 dagen. (…)

(…) 3. Op de dag waarop deze overeenkomst, door welke oorzaak en om welke reden dan ook, eindigt zal de Bruiklener het Object met al het zijne en met allen die zich van zijnentwege en/of met zijn goedvinden in of nabij het Object bevinden ontruimen en in goede staat en schoon achterlaten, onder afgifte aan de Bruikleengever van de op het slot (de sloten) passende sleutel(s). (…)

Boete

Artikel 15

Voor iedere dag dat bruiklener nalatig blijft aan het in artikel 14 lid 3 gestelde te voldoen (…) verbeurt de Bruiklener aan de Bruikleengever zonder voorafgaande ingebrekestelling een onmiddellijk opeisbare boete van € 250,-- (zegge: tweehonderdvijftig euro), onverminderd het recht van de Bruikleengever op volledige schadevergoeding, en onverminderd de overige rechten van de Bruikleengever. (…)”

2.4.

Bij brief van 8 april 2019 is de bruikleenovereenkomst – op verzoek van de Gemeente om zo de vrije beschikking te hebben voor verkoop van de woning – door Alvast opgezegd met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn van 28 dagen, derhalve tegen 6 mei 2019. Nadat vervolgens tussen Alvast en [gedaagde] is gecorrespondeerd, heeft de Gemeente bij brief van 9 mei 2019 aan Alvast aangedrongen op uitvoering van beëindiging van de bruikleenovereenkomst per 6 juni 2019.

3 Het geschil

3.1.

Alvast c.s. vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

I. een verklaring voor recht dat tussen partijen sprake is (geweest) van een bruikleenovereenkomst, die op rechtsgeldige wijze en tijdig is opgezegd en mitsdien met ingang van 6 juni 2019 is beëindigd met veroordeling van [gedaagde] om binnen een week na betekening van het vonnis de in bruikleen gehad hebbende bebouwde onroerende zaak (woonruimte), staande en gelegen aan de [adres] te Rotterdam, met al het hare en de haren en al diegenen die met en/of zonder toestemming van Alvast c.s. in de onroerende zaak verblijven volledig en behoorlijk te ontruimen en te verlaten onder afgifte van de sleutels en al hetgeen tot de onroerende zaak behoort ter vrije en algehele beschikking van Alvast c.s. te stellen, zo nodig met behulp van de sterke arm;

II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan Alvast c.s. (gezamenlijk) van de in de bruikleenovereenkomst opgenomen boete, zijnde het bedrag van € 250,00 (naar de rechtbank begrijpt: per dag) vanaf 6 juni 2019 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontruiming;

III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan Alvast van de vergoeding als bedoeld in de dienstverleningsovereenkomst tussen partijen, zijnde € 150,00 per maand voor iedere maand dat die vergoeding niet aan Alvast is voldaan tot het moment dat de woning zal zijn ontruimd;

IV. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, het salaris van de advocaat daaronder begrepen, en eventuele nakosten na het gewezen vonnis.

Subsidiair:

V. te verklaren voor recht dat tussen partijen een huurovereenkomst heeft bestaan met betrekking tot gebruik dat naar zijn aard slechts van korte duur is en dat [gedaagde] mitsdien op grond van artikel 7:232 lid 2 BW geen beroep toekomt op huurbescherming alsmede dat die overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd en is beëindigd met ingang van 6 juni 2019, zulks met veroordeling van [gedaagde] om binnen een week na betekening van het in deze te wijzen vonnis de in bruikleen gehad hebbende bebouwde onroerende zaak (woonruimte), staande en gelegen aan de [adres] te Rotterdam, met al het hare en de haren en al diegenen die met en/of zonder toestemming van Alvast c.s. in de onroerende zaak verblijven volledig en behoorlijk te ontruimen en te verlaten onder afgifte van de sleutels en al hetgeen tot de onroerende zaak behoort ter vrije en algehele beschikking van Alvast c.s. te stellen, zo nodig met behulp van de sterke arm;

VI. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan Alvast c.s. (gezamenlijk) van de in de bruikleenovereenkomst opgenomen boete, zijnde het bedrag van € 250,00 (naar de rechtbank begrijpt: per dag) vanaf 6 juni 2019 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontruiming;

VII. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan Alvast van de vergoeding als bedoeld in de dienstverleningsovereenkomst tussen partijen, zijnde € 150,00 per maand voor iedere maand dat die vergoeding niet aan Alvast is voldaan tot het moment dat de woning zal zijn ontruimd;

VIII. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de procedure, het salaris van de advocaat daaronder begrepen, en eventuele nakosten na het gewezen vonnis.

3.2.

[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd.

4 De beoordeling

4.1.

Ten aanzien van het (primaire) standpunt van Alvast c.s. dat tussen Alvast c.s. en [gedaagde] sprake is (geweest) van een bruikleenovereenkomst, oordeelt de rechtbank als volgt.

4.2.

Om een overeenkomst te kunnen kwalificeren als een bruikleenovereenkomst – en niet als een huurovereenkomst – is van belang dat er geen sprake is van een tegenprestatie voor het gebruik van de ruimte. Een vergoeding van kosten is niet noodzakelijkerwijs een tegenprestatie voor gebruik van de ruimte, zodat het enkele feit dat een vergoeding van kosten is overeengekomen nog niet maakt dat sprake is van huur en niet van bruikleen. Van bruikleen kan sprake zijn als de vergoeding een symbolisch karakter heeft. Ook indien een vergoeding is bedongen die alleen ziet op gebruikskosten of kosten van bemiddeling of beheer hoeft de overeenkomst niet noodzakelijkerwijs als huur te worden aangemerkt.

4.3.

Alvast c.s. hebben ter onderbouwing van hun standpunt dat sprake is van bruikleen, onder meer, het volgende gesteld. Er is geen sprake van een tegenprestatie zijdens bruikleennemer. [gedaagde] heeft met de Gemeente een bruikleenovereenkomst om niet. De bruikleenvergoeding van € 150,00 per maand, die is opgenomen in de dienstverleningsovereenkomst tussen Alvast en [gedaagde] , is geen tegenprestatie. De eigenaar van de woning, de Gemeente, kan – in tegenstelling tot Alvast voor de door haar verrichte diensten – op geen enkele wijze betaling van het bedrag van € 150,00 per maand afdwingen. De bruikleenvergoeding betreft een vergoeding van/bijdrage aan de door Alvast te maken/gemaakte beheerskosten die met de bruikleen gepaard gaan, zoals communicatie, eventuele incasso’s, bereikbaarheid bij calamiteiten, administratie, acquisitie en onderhoud. Het is geen vergoeding voor het gebruik van de ruimte. De bruikleenvergoeding ziet op de door de leegstandbeheerder te maken gebruikskosten en door de bruikleengever betaalde kosten voor nutsvoorzieningen en gemeentelijke belastingen. De stellingen van Alvast c.s. komen er derhalve, kort gezegd, op neer dat in de vergoeding geen component zit, die als tegenprestatie voor het gebruik van de woning kan worden aangemerkt.

4.4.

De hiervoor weergegeven stellingen van Alvast c.s. zijn niet door [gedaagde] weersproken, zodat in rechte moet worden uitgegaan van de juistheid daarvan. Deze stellingen rechtvaardigen de conclusie dat de overeenkomst kan worden gekwalificeerd als een bruikleenovereenkomst. Bij gebreke van verweer daartegen gaat de rechtbank er voorts van uit dat de overeenkomst rechtsgeldig is opgezegd en aldus is beëindigd. Dit brengt mee dat de hiervoor onder 3.1 sub I weergegeven primaire vordering toewijsbaar is. De rechtbank ziet aanleiding om de ontruimingstermijn te stellen op veertien dagen na betekening van dit vonnis. Het primair onder III gevorderde is eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat deze vordering alleen betrekking kan hebben op de maandelijkse termijnen vanaf het moment van beëindiging van de bruikleenovereenkomst (6 juni 2019) tot het moment dat de woning zal zijn ontruimd, indien en voor zover deze termijnen niet reeds door [gedaagde] (zullen) zijn betaald.

4.5.

Alvast c.s. vorderen primair onder II dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van de contractuele boete van € 250,00 (naar de rechtbank begrijpt: per dag) vanaf 6 juni 2019 tot aan de dag van de daadwerkelijke ontruiming. De rechtbank overweegt ten aanzien van die vordering het volgende.

4.6.

Het boetebeding waar Alvast c.s. een beroep op doen, houdt in dat [gedaagde] een boete van € 250,00 verschuldigd is voor iedere dag dat zij nalatig blijft tot – kort gezegd – ontruiming en oplevering over te gaan bij beëindiging van de bruikleenovereenkomst. Toewijzing van deze vordering zou betekenen dat [gedaagde] een bedrag van € 57.500,00 aan Alvast c.s. zal moeten betalen, nog te vermeerderen met een eventueel verder te verbeuren boete.

4.7.

Indien de bruikleenovereenkomst moet worden aangemerkt als een consumentenovereenkomst als bedoeld in Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (verder: de richtlijn), is de rechtbank verplicht om ambtshalve na te gaan of het boetebeding waarop Alvast c.s. een beroep doen, oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien dit het geval is, zal de rechtbank dat beding moeten vernietigen. Uit de stellingen van Alvast c.s. blijkt dat de Gemeente (en Alvast) rechtspersonen zijn die handelen in het kader van hun publiekrechtelijke (of privaatrechtelijke) bedrijfsactiviteit. Alvast c.s. hebben niet gesteld dat [gedaagde] – in het kader van de onderhavige overeenkomst – bedrijfs- of beroepsmatig handelt. Volgens artikel 3 lid 1 van de richtlijn wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, waarbij valt te denken aan bedingen die zijn opgenomen in een vooraf opgestelde standaardovereenkomst, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Het boetebeding dat tot doel of tot gevolg heeft ‘de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen’, dient te worden beschouwd als een oneerlijk beding in de zin van de richtlijn.

4.8.

Nu de rechtbank, gelet op wat blijkt uit de dagvaarding, vermoedt dat de bruikleenovereenkomst onder het bereik van de richtlijn valt en een beding bevat dat oneerlijk is in de hiervoor genoemde zin, zal zij daar onderzoek naar moeten doen. Zij zal daar dan ook de instructiemaatregelen voor nemen die in dit verband nodig zijn om de volle werking van de richtlijn te verzekeren. Partijen zullen, conform het beginsel van hoor en wederhoor, in de gelegenheid worden gesteld zich over het vorenstaande uit te laten en, in het geval van Alvast c.s., indien nodig, hun stellingen daaraan aan te passen. De zaak zal daartoe worden verwezen naar de in de beslissing genoemde rol.

4.9.

Volledigheidshalve merkt de rechtbank daarbij op dat indien [gedaagde] van deze gelegenheid gebruikt maakt, zij niet wordt toegelaten om bij deze gelegenheid alsnog van antwoord te dienen. De door partijen te nemen aktes dienen beperkt te blijven tot het onder 4.7 en 4.8 van dit vonnis overwogene.

4.10.

De rechtbank ziet aanleiding de hiervoor onder 4.4 bedoelde oordelen in de beslissing van dit vonnis op te nemen. Iedere verdere beslissing, waaronder de beslissing ten aanzien van de proceskosten, zal worden aangehouden tot het eindvonnis.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat tussen partijen sprake is (geweest) van een bruikleenovereenkomst, die op rechtsgeldige wijze en tijdig is opgezegd en mitsdien met ingang van 6 juni 2019 is beëindigd,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de in bruikleen gehad hebbende bebouwde onroerende zaak (woonruimte), staande en gelegen aan de [adres] te Rotterdam, met al het hare en de haren en al diegenen die met en/of zonder toestemming van Alvast c.s. in de onroerende zaak verblijven volledig en behoorlijk te ontruimen en te verlaten onder afgifte van de sleutels en al hetgeen tot de onroerende zaak behoort ter vrije en algehele beschikking van Alvast c.s. te stellen, zo nodig met behulp van de sterke arm,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Alvast van de vergoeding als bedoeld in de dienstverleningsovereenkomst tussen partijen, zijnde € 150,00 per maand voor iedere maand dat die vergoeding vanaf 6 juni 2019 niet aan Alvast zou zijn voldaan tot het moment dat de woning is ontruimd,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 19 februari 2020 voor het voor het nemen van een akte aan de zijde van beide partijen, zoals hiervoor overwogen in 4.7 en 4.8,

5.6.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Volker en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2020.

3242/1977/2221