Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:4679

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-05-2020
Datum publicatie
28-05-2020
Zaaknummer
C/10/582129 / HA ZA 19-856
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad. Onrechtmatig handelen door onder valse voorwendselen een bank ertoe te bewegen gelden uit hoofde van een financieringsovereenkomst ter hoogte van enkele miljoenen euro’s te storten als gevolg waarvan de bank substantiële schade heeft geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/582129 / HA ZA 19-856

Vonnis van 20 mei 2020

in de zaak van

de coöperatie

COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. F.J. Laagland te Eindhoven,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. L. Hennink te Rotterdam.

Partijen zullen hierna de Rabobank en [naam gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 21 december 2016, met producties 1 tot en met 16;

  • -

    de conclusie van antwoord d.d. 29 maart 2017, met producties 1 tot en met 15;

  • -

    de brief d.d. 26 april 2017 van de rechtbank, waarbij de comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de brief d.d. 24 juli 2017 van de rechtbank, met daarin opgenomen de zittingsagenda;

  • -

    de brief d.d. 9 augustus 2017 van mr. Laagland, met verzoek om de procedure aan te houden;

  • -

    de brief d.d. 14 augustus 2017 van de rechtbank, waarin de procedure wordt verwezen naar de parkeerrol;

  • -

    het B-6 formulier d.d. 4 september 2019 van mr. Laagland met verzoek om de doorgehaalde zaak weer op te brengen;

  • -

    de akte overleggen en uitlating producties d.d. 18 september 2019 van de Rabobank met producties 17 tot en met 26;

  • -

    de brief d.d. 8 oktober 2019 van de rechtbank, met bepaling van de datum voor de comparitie van partijen;

  • -

    de antwoordakte d.d. 16 oktober 2019 van [naam gedaagde] , met producties 16, 17 en 18;

  • -

    het B-8 formulier d.d. 13 januari 2020 van mr. Hennink, met producties 19, 20 en 21;

  • -

    de brief d.d. 13 januari 2020 van mr. Hennink, met producties 22 tot en met 26;

  • -

    het faxbericht d.d. 20 januari 2020 van mr. Hennink, met producties 27 tot en met 30;

  • -

    de akte overlegging producties d.d. 27 januari 2020 van de Rabobank, met producties 27 tot en met 29;

  • -

    de spreekaantekeningen d.d. 27 januari 2020 van mrs. Laagland en Huisman;

  • -

    de pleitnotities d.d. 27 januari 2020 van mr. Hennink;

  • -

    het proces-verbaal van de op 27 januari 2020 gehouden comparitie van partijen;

  • -

    de brief d.d. 12 februari 2020 van mr. Laagland met opmerkingen over het proces-verbaal;

  • -

    de brief d.d. 17 februari 2020 van mr. Hennink met opmerkingen over het proces-verbaal.

1.2.

Tenslotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Op of omstreeks 5 oktober 2014 is tussen Rabobank De Liemers U.A., de rechtsvoorgangster van de Rabobank (hierna als zodanig aangeduid) enerzijds en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Red Dragon B.V., gevestigd te Duiven anderzijds (hierna: Red Dragon) een financieringsovereenkomst gesloten. Deze financieringsovereenkomst had betrekking op een door Red Dragon op te zetten horecaonderneming in Duiven (hierna: het horecaproject). Volgens de overeenkomst zou er in totaal € 8.000.000 worden geïnvesteerd in het horecaproject, waarvan € 4.900.000 zou worden gefinancierd door Red Dragon met beschikbaar eigen vermogen en (achtergestelde) leningen van [naam stichting] . Rabobank zou financiering verstrekken voor de resterende € 3.100.000.

2.2.

Red Dragon heeft ingevolge de financieringsovereenkomst aan de Rabobank een aantal zekerheden verstrekt, waaronder het recht van eerste hypotheek op “grond (..), kadastraal bekend als sectie [sectie] nummer(s) [sectienummer] , Duiven” en op het door Red Dragon te bouwen horecapand aan het adres [adres 1] .

2.3.

Ten tijde van het sluiten van de financieringsovereenkomst bestond het bestuur van Red Dragon uit de heren [naam 1] (hierna: [naam 1] ), [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . Enig aandeelhouder van Red Dragon was sinds 8 oktober 2014 [naam stichting] .

2.4.

[naam gedaagde] was sinds 16 oktober 2012 enig bestuurder van [naam stichting] en trad tevens op als registeraccountant van Red Dragon. [naam gedaagde] had van 2013 tot medio 2017 een affectieve relatie met [naam 1] en woonde met hem samen.

2.5.

De heer [naam 5] (hierna: [naam 5] ) was als de accountmanager van de Rabobank voor Red Dragon het eerste aanspreekpunt met betrekking tot de financieringsovereenkomst voor het horecaproject.

2.6.

Op 18 november 2014 om 7.19 uur stuurt [naam gedaagde] een e-mail aan [naam 5] met de volgende tekst:

“Beste [naam 5] ,

Bijgaand het budgetbestand welke aansluit met 7,4 mio budget. Ik heb tevens voor je de facturen van Kreeft ingescand. Inmiddels heb je van [naam 1] ook de omgevingsvergunning gekregen. Zijn er naast het passeren van de grond nog openstaande punten? Zo nee, wanneer kan gebruik gemaakt gaan worden van het bouwdepot?

(..)

Met vriendelijke groet,

[naam gedaagde]

2.7.

Het bijgevoegde budgetbestand bevatte facturen op naam van Bouwbedrijf Kreeft B.V. (hierna: Bouwbedrijf Kreeft) over de periode 31 juli 2014 tot en met 20 oktober 2014 voor een totaal bedrag van € 4.786.829,36. De facturen zijn gericht aan Red Dragon ter attentie van [naam 1] .

2.8.

Op 18 november 2014 om 09.01 uur reageert [naam 5] als volgt per e-mail aan [naam gedaagde] :

Hallo [naam gedaagde] ,

Dank voor jouw mail. Ik heb [naam 6] gevraagd om de laatste check te doen en de door jou aangeleverde informatie te beoordelen. Naast de facturen heb ik ook de betaalbewijzen nodig van de door de Stichting reeds verrichte betalingen. Deze betaalbewijzen zullen dus ook aan moeten sluiten bij het bestand. Kan je mij de kopie rekeningafschriften van de Stichting nog mailen waarop de betalingen vermeld staan?

Verder zullen we een procedure moeten afspreken t.a.v. het uitboeken uit het bouwdepot.

Tot 4,9 mio wordt door de Stichting betaald. Hier zitten we bijna aan. Ik stel voor dat de eerstvolgende factuur nog door de Stichting wordt betaald (eventueel partieel) en dat het restant dan uit depot betaald wordt. (..)

m.vr.gr. [naam 5] ”

2.9.

[naam gedaagde] stuurt op 20 november 2014 de volgende e-mail aan de heer [naam 5] , met in de c.c. de heer [naam 6] en [naam 1] :

Beste [naam 5] ,

Bijgaand ontvang je de bankafschriften van [naam stichting] inzake de betalingen voor Red Dragon BV. Mocht je hier nog vragen over hebben hoor ik dit graag.

Inzake het bouwdepot zal ik de nog te betalen facturen paraferen.

(..)

Inzake de bankafschriften van Red Dragon BV zou ik het adres graag willen wijzigen naar [adres 2] . Zo houd ik alles omtrent betalingen bij elkaar. Kun je daar zorg voor dragen?

Ook zou ik die rekening willen koppelen aan de stichting rekening in Rotterdam voor wat betreft internetbankieren. Moet ik hiervoor weer bij Rotterdam zijn?

Ik hoor graag wanneer jullie het dossier compleet hebben.

Groeten,

[naam gedaagde]

2.10.

Als bijlage bij deze e-mail zijn de “bankafschriften van [naam stichting] inzake de betalingen voor Red Dragon” meegezonden. Dit betreft documenten met de naam “ABN-AMRO Bank NV” en geadresseerd aan “[naam stichting] , [adres 2]”. Op de documenten staat telkens een betaling vermeld aan Bouwbedrijf Kreeft met verwijzing naar een factuurnummer. Deze betalingen hebben betrekking op de periode van 27 augustus 2014 toe en met 29 oktober 2014 en belopen een bedrag van € 4.786.829,36.

2.11.

De door [naam gedaagde] aan de Rabobank op 18 en 20 november 2014 verzonden documenten (“facturen en betaalbewijzen/bankafschriften”) zijn vervalst en onjuist.

2.12.

Op 18 december 2014 heeft de Rabobank een bedrag van € 3.000.000 gestort op het op naam van Red Dragon geopende bouwdeposito.

2.13.

Per 24 december 2014 is [naam gedaagde] enig bestuurder van Red Dragon.

2.14.

Op of omstreeks 16 oktober 2015 is een aanvullende financieringsovereenkomst gesloten tussen de Rabobank enerzijds en Red Dragon, [naam stichting] en de besloten vennootschap Menalei B.V. (hierna: Menalei B.V.) anderzijds, waarbij de Rabobank een aanvullend krediet heeft verstrekt van € 200.000.

2.15.

De Rabobank heeft vanaf begin 2016 schriftelijk en telefonisch gecommuniceerd met [naam gedaagde] over het feit dat Red Dragon zich volgens de Rabobank niet hield aan afspraken, zoals neergelegd in de financieringsovereenkomst.

2.16.

Bij brief d.d. 2 september 2016 heeft de Rabobank de financieringsrelatie met Red Dragon, [naam stichting] en Menalei B.V. opgezegd tegen 19 september 2016. Zij schrijft aan [naam gedaagde] onder meer:

“Geachte mevrouw [naam gedaagde] ,

Onder verwijzing naar onder meer onze brief dd. 18 augustus 2016 en e-mails dd. 14 april en 19 mei 2016 informeren wij u als volgt.

Onze bank verstrekte aan de vennootschappen [naam stichting] , Menalei B.V. en Red Dragon B.V. gezamenlijk (hoofdelijk) onderstaande financieringen.

a. blijkens overeenkomst [nummer 1] dd. 5 oktober 2014 een lineaire lening met een hoofdsom tot een bedrag van € 2.300.000;

b. blijkens overeenkomst [nummer 2] dd. 5 oktober 2014 een lineaire lening met een hoofdsom tot een bedrag van € 700.000.

c. blijkens overeenkomst [nummer 3] dd. 5 oktober 2014 een krediet in rekening-courant tot een bedrag van € 100.000.

d. blijkens overeenkomst [nummer 4] dd. 16 oktober 2015 een krediet in rekening-courant tot een bedrag van € 200.000.

(..)

De bank stelt u hiermee zowel als bestuurder als in privé aansprakelijk voor alle schaden en kosten welke voor de bank voortvloeien uit uw handelen, waaronder, maar niet uitsluitend, het omleiden van debiteurenbetalingen. Wij roepen u op deze strafbare handelingen te staken en het geleden nadeel voor de bank weg te nemen.

(..)

De bank heeft inmiddels het vertrouwen verloren dat uw' onderneming op termijn haar financiële verplichtingen jegens de bank zal kunnen hervatten. Deze omstandigheid vormt op zichzelf staand aanleiding om de financiering op te eisen.

(..)

Het is om bovenstaande redenen dat de bank de u verstrekte financiering opeist tegen 19 september 2016.

Momenteel kan uw schuld dienaangaande als volgt worden gespecificeerd:

1. uit hoofde van lening nummer [nummer 1]

- restant-hoofdsom € 2.197.776

- lopende rente vanaf 01 -09-2016 tot en met de

voldoening p.m.

- boeterenten p.m.

2. uit hoofde van lening nummer [nummer 2]

- restant-hoofdsom € 633.333

- lopende rente vanaf 01 -09-2016 tot en met de

voldoening p.m.

- boeterenten p.m.

3. uit hoofde van rekening-courant nummer [nummer 3]

- debetsaldo € 130.094

- lopende rente en kosten p.m.

4. uit hoofde van rekening-courant nummer [nummer 4]

- debetsaldo € 200.000

- lopende rente en kosten p.m.

5. Buitengerechtelijke incassokosten p.m.

totaal te voldoen € 3.161.203

te vermeerderen met de vooralsnog p.m. gestelde posten =========

(..)

Indien en voor zover de hiervoor gespecificeerde vordering van de bank niet is voldaan per uiterlijk 19 september 2016 en tussen ons geen andersluidende nadere afspraak is overeengekomen in bovenbedoelde zin, constateert de bank nu voor alsdan verzuim. Voor de bank vormt geconstateerd verzuim aanleiding de gestelde zekerheidsrechten te executeren.

(..)

2.17.

Bij vonnis d.d. 6 december 2016 van de Rechtbank Gelderland is Red Dragon in staat van faillissement verklaard.

2.18.

Op 7 december 2016 zijn door de Rabobank ten laste van [naam gedaagde] diverse conservatoire derdenbeslagen en een conservatoir beslag op de onroerende zaak aan de [adres 2] gelegd.

2.19.

Bij overeenkomst van verkoop onroerend goed d.d. 23 februari 2017 is het onroerend goed op het adres [adres 1] , waarop ten behoeve van de Rabobank een recht van eerste hypotheek was gevestigd, door de curator verkocht voor een bedrag van € 1.705.000 (exclusief b.t.w.). De Rabobank heeft voorts op of omstreeks 11 oktober 2018 haar hypotheekrecht op een perceel in Duiven uitgewonnen voor een bedrag van € 59.075.

2.20.

Bij vonnis van 10 juli 2019 van de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, onder zaaknummer/rolnummer C/05/324373 / HZ ZA 17-372, in de zaak tussen de curator en [naam gedaagde] , is voor recht verklaard dat [naam gedaagde] haar taak als bestuurder van Red Dragon in de periode van drie jaren voorafgaande aan het faillissement kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld in de zin van artikel 2:248 lid 1 BW en dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement van Red Dragon is. [naam gedaagde] is daarbij ook veroordeeld tot betaling aan de curator van - kort samengevat - de schulden in het faillissement van Red Dragon verminderd met een bedrag van € 1.000.000. [naam gedaagde] heeft hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld.

2.21.

Bij brief van 30 augustus 2019 heeft [naam 5] aan mr. Laagland het volgende geschreven:

“Op uw verzoek treft u onderstaand de opgave aan van onze restvordering op bovenstaande cliënt [Red Dragon].

Totaal obligo vóór uitwinning € 3.356.023,12

Totaal uitgewonnen zekerheden € 1.739.814,00

Restant obligo per afwikkeldatum 28-11-2018 € 1.616.209,12

- wettelijke rente vanaf 28-11-18 t/m de voldoening p.m.

- buitengerechtelijke incassokosten p.m.

-----------------

Totale nog openstaande vordering € 1.616.209,12 + p.m.

te vermeerderen met de vooralsnog p.m. gestelde posten”

2.22.

Bij uitspraak d.d. 13 september 2019 van de Accountantskamer (ECLI:NL:TACAKN:2019:60) is bij wijze van tuchtmaatregel in de zin van artikel 2 lid 1 onder e Wtra, de inschrijving van [naam gedaagde] als accountant in de registers doorgehaald. [naam gedaagde] heeft hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld.

2.23.

In het vonnis overweegt de Accountantskamer onder meer:

De Accountantskamer is gelet op wat hiervoor is overwogen van oordeel dat in voldoende mate vaststaat dat betrokkene verschillende onjuiste documenten ter beschikking heeft gesteld van [bank 1] om daarmee een financiering van € 3.100.000,- te kunnen verkrijgen. Betrokkene heeft aldus niet eerlijk en oprecht gehandeld en het accountantsberoep ernstig in diskrediet gebracht.

3. Het geschil

3.1.

De Rabobank vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [naam gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de Rabobank van een schadevergoeding van € 1.800.000, althans een bedrag dat gelijk is aan het restant van de hoofdsommen van de financieringen (de restschuld van Red Dragon aan de Rabobank), althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de verschuldigde handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW, te berekenen vanaf 19 september 2016, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening;

2. [naam gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de Rabobank van een bedrag van € 4.872,54, bestaande uit de door de Rabobank tot heden gemaakte kosten in verband met de conservatoire beslagen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW te berekenen vanaf veertien dagen na betekening van het in deze kwestie te wijzen vonnis, tot aan de dag van algehele voldoening;

3. [naam gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de Rabobank van een bedrag van € 6.775, zijnde de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW te berekenen vanaf veertien dagen na betekening van het in deze kwestie te wijzen vonnis, tot aan de dag van algehele voldoening;

4. [naam gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen de kosten voor de advocaat van de Rabobank, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het in deze kwestie te wijzen vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening;

5. [naam gedaagde] te veroordelen, indien niet binnen veertien dagen na betekening tot vrijwillige voldoening aan het te wijzen vonnis is voldaan, aan de Rabobank te voldoen aan nakosten € 131, zonder betekening van het in deze kwestie te wijzen vonnis, te verhogen met € 68, ingeval dit vonnis wel is betekend.

3.2.

Bij akte van 18 september 2019 heeft de Rabobank haar vordering per gelijke datum verminderd tot een bedrag van € 1.616.209,12.

3.3.

[naam gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de Rabobank in haar vorderingen, althans haar deze te ontzeggen, met veroordeling van de Rabobank in de kosten van de procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

De Rabobank legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [naam gedaagde] zowel persoonlijk als in haar hoedanigheid van bestuurder van Red Dragon jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld (artikel 6:162 BW). Zij stelt daartoe tegen de achtergrond van de vaststaande feiten - kort weergegeven - het volgende.

4.2.

[naam gedaagde] is persoonlijk aansprakelijk omdat zij door valse facturen en valse rekeningafschriften over te leggen aan de Rabobank heeft bewerkstelligd dat de Rabobank de financieringen heeft verstrekt. Van [naam gedaagde] mag, zeker als registeraccountant, worden verwacht dat zij voor verzending van de valse facturen en bankafschriften kennis zou hebben genomen van de inhoud van en bijlagen bij de e-mails van 18 en 20 november 2014. De hoedanigheid van het zijn van registeraccountant werkt dan ook als een verzwarende omstandigheid voor [naam gedaagde] . Nu de geldleningen van de Rabobank aan Red Dragon voor een groot deel niet zullen worden terugbetaald, lijdt de Rabobank daardoor schade. Bij een juiste voorstelling van zaken zou de Rabobank de financieringen niet hebben verstrekt.

4.3.

[naam gedaagde] is als bestuurder van Red Dragon aansprakelijk omdat zij in die hoedanigheid onder valse voorwendselen actief heeft bewerkstelligd dat de Rabobank de financieringen aan Red Dragon heeft verstrekt én heeft bewerkstelligd dat Red Dragon haar verplichtingen jegens de Rabobank niet kon nakomen, onder meer door debiteurenbetalingen van Red Dragon weg te sluizen naar haar privébankrekening. Aldus valt haar als bestuurder, mede gelet op haar verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een ernstig verwijt te maken. De Rabobank heeft daardoor de schade geleden waarvan zij in deze procedure vergoeding vordert.

4.4.

[naam gedaagde] betwist de stellingen die de Rabobank aan haar vorderingen ten grondslag legt. Samengevat stelt zij dat haar niet bekend was dat de facturen en bankafschriften vervalst waren en dat zij deze valse documenten niet opzettelijk aan de Rabobank heeft verstrekt. Zij stelt verder dat de valse documenten niets van doen hebben met de verstrekking van de financiering nu de financieringsovereenkomst van eerdere datum is. Zij was in geen enkele hoedanigheid betrokken bij de totstandkoming van deze overeenkomst. Voorts stelt zij dat de Rabobank in de persoon van [naam 5] op het moment van het daadwerkelijk uitbetalen van het verstrekte krediet wist dat de documenten vals waren en de Rabobank zich desondanks niet uit het horecaproject heeft teruggetrokken. Van wegsluizen van gelden naar haar eigen bankrekening waardoor Red Dragon haar verplichtingen jegens de Rabobank niet kon nakomen is geen sprake. Zij heeft zowel in haar hoedanigheid van bestuurder als in haar hoedanigheid van natuurlijk persoon niet onrechtmatig gehandeld.

4.5.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4.6.

Krachtens de financieringsovereenkomst van 5 oktober 2014 diende aanvankelijk door Red Dragon een bedrag van € 4.900.000 aan eigen middelen op een bankrekening bij de Rabobank te worden gestort. Door de Rabobank is gesteld en door [naam gedaagde] onvoldoende weersproken, dat later in oktober 2014 tussen de Rabobank en Red Dragon, bij monde van [naam 1] , ter sprake is gekomen dat het bedrag van € 4.900.000 door Red Dragon al was besteed aan onder meer de prefab bouwwerkzaamheden met betrekking tot het bedrijfspand. Daaruit volgde de nadere afspraak tussen partijen dat Red Dragon aan de gestelde voorwaarde ten aanzien van de inbreng aan eigen middelen kon voldoen door aan te tonen dat zij haar eigen bijdrage van € 4.900.000 ook daadwerkelijk ten behoeve van het te financieren horecaproject had voldaan.

4.7.

Om te bewijzen dat namens Red Dragon het bedrag van omstreeks € 4.900.000 reeds in het horecaproject was geïnvesteerd als eigen bijdrage zijn door [naam gedaagde] op 18 november 2014 en 20 november 2014 vanaf haar computer en met [naam gedaagde] als afzender vervalste facturen en bankafschriften per e-mail aan de Rabobank ter attentie van [naam 5] verstuurd. De facturen, geadresseerd aan Red Dragon en afkomstig van Bouwbedrijf Kreeft, belopen in totaal een bedrag van € 4.786.829,36. De bankafschriften op naam van ABN AMRO zijn alle geadresseerd aan [naam stichting] en de vermelde bedragen corresponderen met de factuurbedragen. Op basis van de aan de Rabobank verstrekte stukken is deze op 18 december 2014 tot daadwerkelijke verstrekking van de financiering voor een bedrag van € 3.000.000 aan Red Dragon overgegaan en in het verlengde hiervan vervolgens op 16 oktober 2015 ook tot verstrekking van een aanvullend krediet van € 200.000. Hieruit volgt dat de stelling van [naam gedaagde] , dat de valse documenten niets van doen hebben gehad met het verlenen van de financiering door de Rabobank, onjuist is. Het aantonen door Red Dragon dat zij haar eigen bijdrage had geïnvesteerd in het horecaproject was immers een voorwaarde voor het verkrijgen van financiering onder de financieringsovereenkomst.

4.8.

[naam gedaagde] heeft niet betwist dat zij de twee e-mails heeft verzonden, maar wel dat zij op het moment van verzending van de e-mails ervan op de hoogte was dat de facturen en bankafschriften vals waren. Zij voert aan dat zij alleen als doorgeefluik fungeerde en dat [naam 1] de e-mails had klaargezet in haar computer. De rechtbank is van oordeel dat [naam gedaagde] deze onaannemelijke stellingen in het licht van de vaststaande feiten onvoldoende heeft toegelicht. Zoals door de Accountantskamer in de uitspraak van 13 september 2019 ook reeds is overwogen, verwijst [naam gedaagde] in de e-mail van 18 november 2014 expliciet naar de inhoud van het bijgevoegde budgetbestand. Bovendien staat in de e-mail te lezen dat zij de facturen heeft ingescand. Hieruit kan in de gegeven omstandigheden worden afgeleid dat zij bekend was met de inhoud van de bijlagen bij de e‑mail en dat zij niet alleen als doorgeefluik fungeerde.

4.9.

Ten aanzien van de bankafschriften overweegt de rechtbank dat uit de e-mail van 20 november 2014 aan de Rabobank uitdrukkelijk volgt dat [naam gedaagde] de bankafschriften van de [naam stichting] inzake betalingen voor Red Dragon stuurt. Deze bankafschriften waren afkomstig van de ABN AMRO Bank N.V. en corresponderen met de bedragen die op de facturen staan vermeld. Niet in geschil is dat [naam stichting] nooit een bankrekening heeft aangehouden bij de ABN AMRO Bank N.V. en [naam gedaagde] moet hiermee, als enig bestuurder van [naam stichting] , ook van op de hoogte zijn geweest. Daarnaast heeft [naam gedaagde] verklaard dat op de enige bankrekening die de Stichting had, nooit veel geld stond.

4.10.

Het moet daarom voor [naam gedaagde] , mede ook omdat zij destijds als registeraccountant van Red Dragon inzicht had in de administratie van Red Dragon, direct duidelijk zijn geweest dat de stukken in onderlinge samenhang bezien vals waren. Daarbij weegt ook mee dat [naam gedaagde] in zijn algemeenheid als registeraccountant geacht moet worden over financiële en administratieve kennis en dienovereenkomstig inzicht te beschikken. Dat brengt ook met zich dat, zelfs indien aangenomen zou worden dat zij niet naar de bijlagen heeft gekeken, het met deze achtergrond voor haar rekening en risico komt dat zij vóór verzending van de e-mails van de inhoud van de bijlagen geen kennis heeft genomen.

4.11.

De verklaring van [naam gedaagde] dat zij alleen maar op de verzendknop heeft gedrukt, nadat [naam 1] de e-mails had klaargezet, is evenzeer uiterst onaannemelijk op grond van het volgende. [naam gedaagde] heeft verklaard dat [naam 1] toegang had tot haar e‑mailaccount en de e-mails had klaargezet voor verzending. [naam gedaagde] heeft echter geen verklaring gegeven voor de reden waarom juist zij dan op de verzendknop diende te drukken in plaats van [naam 1] . Deze had, nu hij immers toegang had tot haar account, ook zelf de e-mails uit naam van [naam gedaagde] kunnen versturen.

4.12.

De rechtbank komt op basis van deze omstandigheden tot de slotsom dat [naam gedaagde] moet hebben geweten dat de facturen en de bankafschriften die zij op 18 respectievelijk 20 november 2014 aan de Rabobank stuurde, vals waren. Daarmee heeft [naam gedaagde] de Rabobank onder valse voorwendselen ertoe weten te bewegen de gelden uit hoofde van de financieringsovereenkomst ter hoogte van € 3.000.000 in het bouwdeposito te storten. Daarmee heeft zij jegens de Rabobank onrechtmatig gehandeld.

4.13.

De door [naam gedaagde] niet voldoende onderbouwde stelling dat zij zich enkele dagen na het versturen van de e-mails realiseerde dat de facturen en bankafschriften vals waren en [naam 5] van de Rabobank daar onmiddellijk van op de hoogte heeft gesteld doet hier niet aan af. Deze stelling is door de Rabobank uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist en ook overigens acht de rechtbank deze stelling gelet op de overige vaststaande feiten uiterst onaannemelijk. Als immers al aangenomen zou moeten worden dat [naam gedaagde] [naam 5] over de vervalsingen zou hebben geïnformeerd, had het op haar weg gelegen (zeker gezien haar achtergrond als registeraccountant) om een dergelijk ernstig feit te documenteren, mede ook om haar eigen positie in te dekken. Daarvan is niets gebleken en [naam gedaagde] heeft ten tijde van de comparatie ook uitdrukkelijk verklaard dat zij zelf hierover niets schriftelijk heeft vastgelegd. Ook is niet gebleken dat van de kant van de Rabobank een schriftelijke reactie is gevolgd op haar schokkende mededeling dat sprake was van fraude bij het door Red Dragon uitvoering geven aan de financieringsovereenkomst. Dat had zonder meer, en met name ingeval van een bank die op het punt staat een bedrag van € 3.000.000 te gaan financieren, voor de hand gelegen.

4.14.

Daarnaast valt haar stelling niet te rijmen met het feit dat de Rabobank, in de kennelijke wetenschap dat er gefraudeerd is onder de financieringsovereenkomst, zonder verdere opmerkingen of voorbehouden tot uitbetaling van een bedrag van € 3.000.000 is overgegaan en in aanvulling daarop op 16 oktober 2015 een aanvullend krediet voor een bedrag van € 200.000 heeft verstrekt. Het is ondenkbaar dat de Rabobank enig bedrag zou hebben uitbetaald indien zij zou hebben geweten van de bij het aanvragen van de financiering gepleegde fraude. Rabobank had daar geen enkel belang bij. Een individuele medewerker van Rabobank evenmin. [naam gedaagde] heeft ook geen plausibele verklaring verstrekt voor de door haar gestelde feitelijke gang van zaken, hetgeen wel op haar weg lag.

4.15.

De rechtbank hecht in dit verband ook waarde aan de verklaring van [naam gedaagde] ter zitting dat zij met [naam 1] samenwoonde van 2013 tot medio 2017, “toen alles aan het licht kwam”. Deze verklaring valt niet goed te begrijpen in relatie tot haar stellingen dat zij in november 2014 er al achter kwam dat de door haar verzonden documenten vals waren en zij de Rabobank, althans [naam 5] , hier volledig over had ingelicht.

4.16.

Ook de onaannemelijke stelling van [naam gedaagde] dat [naam 5] zich ten opzichte van de Rabobank heeft stil gehouden over de valse facturen en valse bankafschriften is niet voldoende onderbouwd en overigens ook door de Rabobank gemotiveerd betwist. Als al aangenomen zou moeten worden dat [naam 5] op de hoogte was gesteld en een en ander vervolgens geheim wilde houden, hetgeen de rechtbank - zoals aangegeven - onaannemelijk voorkomt, had van [naam gedaagde] mogen worden verwacht (mede gezien haar achtergrond als registeraccountant) dat zij zelfstandig andere betrokkenen bij de Rabobank, zoals de directie, over deze ernstige fraude had geïnformeerd. [naam gedaagde] heeft echter geen enkele verklaring gegeven voor het feit dat zij dit niet heeft gedaan, hetgeen wel op haar weg had gelegen.

4.17.

[naam gedaagde] heeft tevens aangevoerd dat na de betaling van het bedrag van € 3.000.000 op 18 december 2014, de Rabobank heeft geëist dat in verband met de ontdekking van de fraude, zij als bestuurder van Red Dragon zou moeten gaan fungeren in plaats van het tot dan toe vierkoppige bestuur. Ingevolge die gestelde eis is zij, volgens haar stellingen, op 24 december 2014 als enig bestuurder van Red Dragon aangetreden. [naam gedaagde] heeft deze stellingen, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Rabobank, niet voldoende onderbouwd. De rechtbank acht deze gestelde gang van zaken ook niet goed denkbaar. Het was immers juist [naam gedaagde] die als registeraccountant en bestuurder van de aandeelhouder [naam stichting] de valse documenten bij de Rabobank had ingediend om uitbetaling onder de financieringsovereenkomst voor een bedrag van € 3.000.000 te verkrijgen. [naam gedaagde] miskent in dit verband dat de Rabobank er geen enkel belang bij had om onder die omstandigheden te eisen dat juist [naam gedaagde] als nieuwe en ook nog als enig bestuurder van Red Dragon zou worden aangesteld. De Rabobank heeft dan ook gesteld dat deze bestuurswissel niet haar instemming had. De Rabobank heeft die stelling onderbouwd met de als productie 22 overgelegde brief van de heer [naam 5] aan [naam gedaagde] van 25 februari 2015, waarin [naam 5] aan [naam gedaagde] schrijft dat de Rabobank verrast was door de bestuurswissel. Dat de Rabobank (onplezierig) verrast was ligt ook in de rede. Drie van de vier vertrokken bestuursleden beschikten immers over de voor de realisatie van het project noodzakelijke horecaervaring, terwijl daar ingeval van [naam gedaagde] juist geen sprake van was.

4.18.

Op grond van het hierboven overwogene komt de rechtbank tot het oordeel dat [naam gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door onder valse voorwendselen de Rabobank ertoe te bewegen tot uitbetaling van de kredietgelden onder de met Red Dragon gesloten financieringsovereenkomsten (van 5 oktober 2014 en 16 oktober 2015) over te gaan. De rechtbank acht zonder meer aannemelijk dat de Rabobank, zoals zij gesteld heeft, dat niet zou hebben gedaan als zij van de valsheid van de facturen en bankafschriften op de hoogte was geweest. [naam gedaagde] dient aldus de door de Rabobank geleden schade te vergoeden. De beoordeling van hetgeen is gesteld met betrekking tot de bestuurdersaansprakelijkheid van [naam gedaagde] kan op grond hiervan verder onbesproken blijven.

Hoogte schade

4.19.

De Rabobank heeft bij akte d.d. 18 september 2019 gesteld dat haar schade op dat moment een bedrag ter hoogte van € 1.616.209,12 bedraagt, onder verwijzing naar de hiervoor onder 2.21 geciteerde brief. Gelet op de inhoud van deze brief, in samenhang bezien met de hiervoor onder 2.16 geciteerde brief van 2 september 2016, begrijpt de rechtbank dat in het gevorderde bedrag van € 1.616.209,12 reeds rente is begrepen tot aan 28 november 2018. [naam gedaagde] heeft de hoogte van voornoemd schadebedrag onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid hiervan. De vordering van de Rabobank zal dan ook voor dit bedrag worden toegewezen.

Rente

4.20.

De Rabobank heeft tevens vergoeding gevorderd van de verschuldigde handelsrente ex artikel 6:119a BW, althans de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de toewijsbare hoofdsom. Nu het geen handelsvordering betreft, maar een vordering tot schadevergoeding gegrond op onrechtmatige daad, is de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW niet van toepassing. De rechtbank zal daarom de gevorderde wettelijke rente toewijzen met inachtneming van het navolgende.

4.21.

De rechtbank begrijpt de hiervoor onder 2.21 geciteerde brief aldus dat de Rabobank wettelijke rente over het gevorderde bedrag van € 1.616.209,12 wenst te vorderen vanaf 28 november 2018. [naam gedaagde] heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW zal worden toegewezen over de hoofdsom vanaf 28 november 2018.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.22.

De Rabobank heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van het bedrag van € 6.775. Anders dan [naam gedaagde] heeft aangevoerd, heeft de Rabobank voldoende gesteld en onderbouwd dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht, bestaande uit het voeren van correspondentie met de toenmalige rechtsbijstandsverzekeraar van [naam gedaagde] . Dat deze correspondentie tot niets heeft geleid, doet daar niet aan af. De buitengerechtelijke incassokosten zullen als gevorderd worden toegewezen conform de staffel Buitengerechtelijke Incasso Kosten (BIK), te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis.

Beslagkosten

4.23.

De Rabobank vordert de veroordeling van [naam gedaagde] in de beslagkosten. Deze vordering is op grond van artikel 706 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 1.042,54 voor verschotten en € 3.211 voor salaris advocaat (1 rekest × € 3.211), te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis.

4.24.

[naam gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Rabobank worden begroot op:

- dagvaarding € 82,83

- griffierecht € 3.275,00

- salaris advocaat € 9.633,00 (4,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 12.990,83

4.25.

De wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de kosten zal worden toegewezen vanaf 14 dagen na de dag waarop dit vonnis wordt gewezen.

4.26.

De nakosten zullen worden begroot zoals hierna omschreven.

4.27.

Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [naam gedaagde] om aan de Rabobank te betalen een bedrag van € 1.616.209,12 (één miljoen zeshonderdzestienduizend tweehonderdnegen euro en twaalf eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW daarover met ingang van 28 november 2018 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [naam gedaagde] in de buitengerechtelijke incassokosten, tot op heden begroot op € 6.775,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [naam gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 4.253,54, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de Rabobank tot op heden begroot op € 12.990,83, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt [naam gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. M. Witkamp en mr B.J.R van Tongeren en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2020.

3217/1729/2054