Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:4666

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-05-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
18/4328
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend tbv horeca voor beperkte opening in museumpand. Woon - en leefklimaat. Nadere voorschriften.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 18/4328

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser,

gemachtigde: mr. A. van ‘t Laar,

en

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. E.A. van Dommelen

Als derde -belanghebbende heeft aan het geding deelgenomen [naam stichting], vergunninghoudster, gemachtigde: mr. H. Barendregt.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het toestaan van avondhoreca op de locatie [naam locatie] te Dordrecht.

Bij besluit van 10 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2019. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door mr. M.J.A. Verhees. Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam persoon] en door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Vergunninghoudster beheert een zeventiende-eeuws pand aan de [naam locatie] in Dordrecht, dat in gebruik is als huismuseum (hierna: het museumpand). Vergunninghoudster heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het in strijd met het bestemmingplan toestaan van avondhoreca in het museumpand.

2. Verweerder heeft de omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 6.5 aanhef en onder c van de bestemmingsplanvoorschriften die een binnenplanse afwijking van de gebruiksregels van het bestemmingsplan mogelijk maakt. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden inhoudende dat deze vorm van horeca-activiteiten geldt voor maximaal twee avonden per week tot 23:00 uur en dat hiervan uitsluitend gebruik mag worden gemaakt door gezelschappen en ten behoeve van bijeenkomsten.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweer het bezwaar van eiser onder aanvulling van de motivering ongegrond verklaard. Verweerder heeft een aantal aanvullende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden:

- het is niet toegestaan dat meer dan 32 museumbezoekers deelnemen aan de horeca-activiteit;

- de vergunde horeca-activiteit vindt te allen tijde plaats in de Maaszaal (ook wel de Maaskamer genoemd) die zich op de begane grond bevindt;

- ten aanzien van het voorschrift dat de vergunde horeca-activiteit ten hoogste tweemaal per week plaatsvindt, dient te worden toegevoegd: middeling kan niet worden toegepast;

- de vergunninghouder houdt een registratie bij ten aanzien van de vergunde horeca-activiteiten. Hierin wordt onder meer de datum, het aantal deelnemers en het begin- en eindtijdstip van de horeca-activiteiten vermeldt. Vergunninghouder is verplicht om op verzoek van het college inzage te verschaffen in het register;

- het westelijke raam in de Maaskamer dient tijdens de horeca-activiteiten gesloten te blijven;

- het terras mag voor de activiteiten niet worden gebruikt.

standpunt eiser

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Eiser betwist dat is voldaan aan de in artikel 6.5, aanhef onder c, sub 2 van de bestemmingsplanregels opgenomen binnenplanse afwijkingsvoorwaarden. Tevens betwist eiser dat ontheffing is verleend voor het niet kunnen voldoen aan de parkeereisen. Voorts stelt eiser dat niet is voldaan is aan de eis van een goede ruimtelijke ordening; de geluidshinder en de parkeeroverlast staan hier aan de weg. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eiser.

bestemmingsplan

5. Van toepassing is het bestemmingsplan “Historische Binnenstad” (2011). Het pand [naam locatie] is gelegen binnen het Beschermd Stadsgezicht op gronden met de bestemming “Gemengd-I”. Verweerder stelt dat de bestemming dienstverlening in strijd is met artikel 6.4 aanhef en onder b, nu Horeca-1, als bedoeld in artikel 6.1 onder d, niet is toegestaan.

Op grond van artikel 1, lid 32, van de planregels wordt onder horeca verstaan het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en/of spijzen, voor gebruik ter plaatse en/of nachtverblijf, onder horeca wordt mede verstaan een afhaalwinkel/-centrum. In deze regels zijn de hierna te noemen klassen/categorieën van bedrijven te onderscheiden:

Horeca-1: een horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag en in de avond verstrekken van dranken en etenswaren en/of het bieden van nachtverblijf, zoals een café, een restaurant, een croissanterie, een snackbar, een koffiehuis, een hotel.

Horeca-2: een horecabedrijf dat voor het goed functioneren ook ’s nachts geopend moet zijn, en dat tevens een groot aantal bezoekers aantrekt, zoals een discotheek, dancing, nachtclub.

Op grond van artikel 6.5 aanhef en onder c, kan verweerder met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.4 onder b voor het toestaan van Horeca-1 in panden als:

1. ter plaatse van een horecaschakelpunt: indien dit een positieve bijdrage levert aan het functioneren van die plek;

2. langs de toeristische route indien dit een positieve bijdrage levert aan het functioneren van de toeristische route.

Op grond van artikel 6.5 onder d, wordt de omgevingsvergunning in ieder geval geweigerd indien:

1. er geen sprake is van een in de karakteristiek van het gebied passende functie;

2. door grootte en/of het aantal van de betreffende functies het karakter van het gebied in onevenredige mate wordt aangetast; of

3. de woon- en leefsituatie in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze negatief wordt beïnvloed.

Alvorens te beslissen omtrent een verzoek om een omgevingsvergunning wordt de Adviesraad voor Detailhandel gehoord.

beleidsregels parkeren bij nieuwbouwprojecten Dordrecht

6. Op grond van het eerste lid van artikel C wordt de parkeerbehoefte van een nieuwbouwproject berekend op basis van de parkeernormen en, indien sprake is van een combinatie van functies binnen het project, aanwezigheidspercentages. Het college hanteert hierbij de meest recente landelijke parkeerkencijfers van het CROW.

In het vijfde lid van artikel C is bepaald dat het college als uitgangspunt hanteert dat het aantal parkeerplaatsen dat dient te worden gerealiseerd gelijk is aan de berekende behoefte van het nieuwbouwproject zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, vermeerderd met het aantal te compenseren parkeerplaatsen zoals bedoeld in het vierde lid van dit artikel.

Op grond van het eerste lid onder d van artikel D kan het college (gedeeltelijke) ontheffing verlenen van de plicht tot realisatie van het in artikel C lid 5 bedoelde aantal parkeerplaatsen indien het een kleinschalige ontwikkeling betreft, dat wil zeggen een nieuwbouwproject waarvoor op basis van het bepaalde in artikel C niet meer dan drie parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd.

oordeel van de rechtbank

discretionaire bevoegdheid

7. De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan behoort in dit geval tot de bevoegdheid van het college, waarbij het college beleidsvrijheid heeft en de rechter de beslissing terughoudend moet toetsen, dat wil zeggen zich moet beperken tot de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de omgevingsvergunning te verlenen.

parkeerontheffing

8. Vaststaat dat niet voldaan kan worden aan het vijfde lid van artikel C van de toepasselijke beleidsregels ‘parkeren bij nieuwbouwprojecten’. Tussen partijen is in geschil of voor het parkeren een ontheffing is verleend overeenkomstig het eerste lid onder d van artikel D van de Beleidsregels. Eiser stelt dat niet het geval is omdat in het primaire besluit alleen staat dat een omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit planologisch afwijken ingevolge artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wabo. De rechtbank stelt vast dat in het primaire besluit tevens staat vermeld dat verweerder voorts heeft besloten om de daarbij benodigde afwijking te verlenen zoals benoemd in de activiteitengebonden bijlage. Bijlage B bij het primaire besluit vermeldt onder het kopje ‘Motivering afwijken’ als tweede subkopje ‘Beleidsregels parkeren’ dat:

‘De parkeerbehoefte is 4,00 parkeerplaatsen. Zonder het bezoek komt dit uit op 0,80. [naam locatie] is gelegen in de Historische Binnenstad van Dordrecht. Hier is sprake van gereguleerd gebied ten aanzien van het parkeren. Bezoekers parkeren daarom kort op straat of in parkeergarages. Het bezoek wordt daarom doorgaans niet meegenomen in de parkeereis.

De conclusie is dat op grond van artikel C lid 5 van de ‘Beleidsregels parkeren bij nieuwbouwprojecten’ het plan niet voldoet aan de parkeernormen. Volgens de hierna volgende overwegingen is het echter wel mogelijk om af te wijken van het bepaalde in lid 1 en 2 van artikel 5.3 van de Partiële herziening regeling parkeren in bestemmingsplannen Dordrecht:

a. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit: of

b. voor zover op een andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

Gelet op de 0,80 parkeerbehoefte in combinatie met twee avonden per week, is het alleszins redelijk is om medewerking te verlenen aan het bovenstaande artikel’.

9. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het primaire besluit gelezen in combinatie met pagina acht van bijlage B bij het primaire besluit, dat verweerder ontheffing heeft verleend voor het niet kunnen voldoen aan artikel C lid 5 van de Beleidsregels. Deze grond kan daarom niet slagen.

ondergeschikt onderdeel van het bestemmingsplan

10. Eiser stelt dat de onderhavige omgevingsvergunning het mogelijk maakt dat het betreffende pand aan [naam locatie] in de toekomst volledig wordt gebruikt voor bedrijfsmatige horeca-1 door de verleende vergunning telkens te verruimen. Eiser verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4690) waarin de Afdeling in een beroep tegen het door de raad vastgesteld bestemmingsplan “Historische Binnenstad” ten aanzien van het perceel [naam perceel] heeft overwogen dat de functiewijziging gelet op de ruimtelijke gevolgen die bedrijfsmatige horeca kan hebben niet valt aan te merken als een ondergeschikt onderdeel van het plan waarvoor aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid kan worden gegeven van dat plan af te wijken. De raad heeft het plan volgens de Afdeling daarom in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de Afdeling in haar uitspraak van 15 augustus 2012 inderdaad delen van het bestemmingsplan heeft vernietigd, echter niet artikel 6.5 of het deel betreffende de [naam locatie] . Gelet hierop is verweerder bevoegd om met toepassing van artikel 6.5 van de planvoorschriften een omgevingsvergunning te verlenen.

11. Verweerder heeft voor wat betreft de vrees van eiser dat het bestreden besluit de deur openzet voor nog meer horeca-activiteiten in het pand, kunnen overwegen dat voor zover vergunninghoudster of haar rechtsopvolgster in de toekomst meer of andere horeca-activiteiten willen ontplooien, opnieuw vergunning aangevraagd moet worden en opnieuw getoetst moet worden of van de mogelijkheid tot afwijken van het bestemmingsplan gebruik gemaakt kan worden. Voor wat betreft de door eiser gestelde opeenstapeling van horeca-activiteiten merkt de rechtbank op dat eiser ter zitting heeft meegedeeld dat hij geen hinder ondervindt van de daghoreca (de high-tea). Volgens vergunninghoudster worden er inmiddels geen high-tea’s meer georganiseerd.

positieve bijdrage aan het functioneren van de toeristische route

12. In artikel 6.5 aanhef en onder c onder 2 van de planvoorschriften is als voorwaarde voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunning opgenomen dat de horeca een positieve bijdrage levert aan het functioneren van de toeristische route. De toeristische route betreft het ‘Rondje Dordt’, dat is een drie kilometer lange wandeling door de historische binnenstad van Dordrecht. Onderweg zijn verschillende monumenten te bezoeken waaronder het [naam monument] . In de toelichting bij het bestemmingsplan (pagina 33) staat onder meer dat ‘de toeristische route slingert door een deel van de historische binnenstad en het is niet onlogisch dat die route op onderdelen wordt ondersteund door horeca, maar dan wel door horeca bedoeld voor de bezoekers/gebruikers van die route.’

Eiser betoogt dat er geen relatie bestaat tussen de vergunde avondactiviteiten en een positieve bijdrage aan het functioneren van de toeristische route omdat er geen verband is tussen de bezoekers die in de avond voor een diner komen, en de deelnemers aan de toeristische route. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat de horecafunctie wel een positieve bijdrage levert nu de (ondersteunende) horeca naar verwachting het museum aantrekkelijker maakt en daarmee dus ook de toeristische route. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt kunnen stellen dat voor het voldoen aan de voorwaarde het niet noodzakelijk is dat het museum (en de horeca) zich alleen maar richt op bezoekers die de (gehele) toeristische route volgen, een bezoek aan alleen het museum volstaat ook.

strijd met een goede ruimtelijke ordening

13. Eiser stelt dat de vergunning geweigerd had moeten worden omdat sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening nu de woon- en leefsituatie in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze negatief wordt beïnvloed ten gevolge van geluidsoverlast en parkeerhinder. Verweerder heeft hier onvoldoende rekening mee gehouden.

parkeeroverlast

14. Verweerder heeft eerst ter zitting vermeld dat metingen van de parkeerdruk in de avond in september 2019 hebben uitgewezen dat er nog ruimte is nu uit deze metingen is gebleken dat de parkeerdruk 60% - 85% bedraagt. Eiser voert terecht aan dat verweerder dit gegeven tardief heeft ingebracht, nu eiser hierop ter zitting niet adequaat kan reageren.

Dat zoals eiser ter zitting heeft gesteld de beleidsregels ‘parkeren bij nieuwbouwprojecten’ niet van toepassing zijn nu deze beleidsregels alleen gelden voor bouwen, kan de rechtbank niet volgen nu onder nieuwbouwproject volgens de begripsbepalingen in de beleidsregels ook de wijziging van een functie wordt verstaan. Verweerder heeft de parkeerbehoefte op basis van de aanvraag met aftrek van het bezoekersparkeren op 0,80 parkeerplaatsen vastgesteld. Verweerder heeft daarbij naar het oordeel van de rechtbank terecht alleen de Maaskamer als oppervlakte meegeteld nu daar de diners zullen worden gehouden. Verder heeft verweerder gewezen op de aanwezigheid van een parkeergarage op 850 meter afstand. Voorts heeft verweerder onweersproken gesteld dat het de vaste gedragslijn van verweerder is dat bij aanvragen die betrekking hebben op het centrum van Dordrecht, zoals het museumpand, het aandeel bezoekersparkeren niet wordt meegeteld. Gelet daarop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen overwegen dat de toename van de parkeerdruk niet zodanig is dat sprake zal zijn van een zodanige extra parkeerdruk als gevolg van de toename van het gebruik volgens het bestreden besluit, dat verweerder daartoe in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten. Gelet daarop had het op de weg van eiser gelegen de door hem gestelde parkeeroverlast, mede omdat de beoogde doelgroep geen gebruik zal maken van de parkeergarage, nader te onderbouwen.

geluidsoverlast

15. Eiser stelt dat de geluidshinder van komende en gaande bezoekers in het geheel niet is beoordeeld. Het is volgens eiser een feit van algemene bekendheid dat horecagelegenheden overlast veroorzaken door vertrekkende bezoekers, zeker indien bezoekers tegelijkertijd zullen vertrekken zoals hier het geval is. Verweerder heeft evenmin rekening gehouden met de geluidsoverlast die wordt veroorzaakt door de (koel)wagens en het gebruik van mobiele apparatuur en opslagcapaciteit omdat de keuken niet geschikt is voor het bereiden van grote diners.

16. De rechtbank stelt vast dat eiser, onder verwijzing naar het Activiteitenbesluit, geen beroepsgrond heeft aangevoerd tegen hetgeen verweerder in het bestreden besluit heeft gesteld inzake mogelijke contactgeluidhinder. Inzake de door eiser al in bezwaar aangevoerde vrees voor hinder als gevolg van het stemgeluid van komende en vertrekkende bezoekers op de openbare weg en van het geluid van de (koel)wagen van de catering die producten moet in- en uitladen, heeft verweerder in het bestreden besluit geen standpunt ingenomen. Gelet daarop is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond. Het bestreden besluit komt in aanmerking voor vernietiging. De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

17. Verweerder heeft bij zijn besluit van belang kunnen achten dat de Adviesraad voor de Detailhandel heeft geconcludeerd dat de avondhoreca in het museum een goede aanvulling is op het culturele en toeristische aanbod in de stad en geen bezwaar heeft tegen de plannen.

Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting nader gemotiveerd waarom volgens hem geen geluidsoverlast van vertrekkende bezoekers en van de cateraar valt te verwachten. Verweerder wijst erop dat het gaat het om maximaal twee avonden in de week en dat bezoekers gemaand zullen worden om niet luidruchtig te vertrekken. Verweerder verwacht daarnaast dat er niet veel geluidsoverlast zal zijn door dichtslaande autoportieren, claxonneren, wegrijden en keren van auto’s, omdat veel bezoekers hun auto in de parkeergarage zullen zetten of met het openbaar vervoer zullen komen. De aanvoer van het diner zal in beginsel tussen 17:00 uur en 18:00 uur plaatsvinden en de cateraar moet het pand om 23:00 uur hebben verlaten. De auto van de cateraar blijft niet staan en is ook niet nodig als extra koelwagen. Verweerder heeft er voorts op gewezen dat de drie diners die in anderhalf jaar tijd hebben plaatsgevonden niet tot klachten van omwonenden hebben geleid.

18. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat de door verweerder in zijn verweerschrift en ter zitting aangevoerde motivering niet om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te kunnen laten nu deze, voor zover hier van belang, is gebaseerd op de enkele verwachting van verweerder omtrent het gedrag van vergunninghoudster, van de cateraar en van vertrekkende bezoekers. Verweerder heeft ten onrechte niet onderzocht of het nodig en wenselijk is hierover nadere voorschriften aan de vergunning te verbinden. Naar de rechtbank ter zitting heeft begrepen kan vergunninghoudster zich verenigen met de door verweerder verwachte gedragingen. Gelet daarop zal de rechtbank in het kader van een finale geschilbeslechting met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf in de zaak voorzien door de volgende nadere voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden:

- de aanvoer van de benodigdheden voor het diner door de cateraar zal in beginsel tussen 17.00 uur en 18.00 uur plaatsvinden;

- het vervoermiddel waarmee de cateraar benodigdheden voor het diner aanvoert zal niet worden gebruikt om ter plaatse tijdens het diner geparkeerd te blijven staan om er producten of benodigdheden uit te halen en ernaar toe te brengen en zal niet dienen als koelruimte ter plaatse;

- de cateraar moet het pand om 23.00 uur hebben verlaten;

- de vergunninghouder dient zich ervoor in te zetten dat bezoekers niet luidruchtig vertrekken en, als hun auto in de omgeving staat geparkeerd, niet met deuren van hun

auto’s slaan en rustig wegrijden.

19. proceskosten in bezwaar

Op grond van het tweede lid van artikel 7:15 van de Awb worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Volgens vaste rechtspraak is van herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid van de Awb alleen sprake indien het besluit, waartegen het bezwaar is gericht, wordt gewijzigd wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. Door het verbinden van een aantal nadere voorschriften aan de omgevingsvergunning als bedoeld in het advies van de bezwaarschriftencommissie is naar het oordeel van de rechtbank het primaire besluit gewijzigd voor wat betreft het rechtsgevolg. Nu de herroeping plaatsvindt omdat volgens verweerder de vergunning nadere restrictieve voorschriften behoeft is het besluit naar het oordeel van de rechtbank herroepen wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Het bestreden besluit is daarom voor zover het verzoek van eiser van eiser om vergoeding van de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, is afgewezen, in strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. De rechtbank ziet ook daarom aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen voor zover verweerder heeft geweigerd de proceskosten in bezwaar te vergoeden. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat verweerder alsnog de kosten van de bezwaarprocedure aan eiser dient te vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- ( 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

20. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover de onder 18 genoemde voorschriften niet aan de omgevingsvergunning zijn verbonden en voor het gedeelte waarin de proceskosten in bezwaar worden afgewezen;

- voorziet zelf in de zaak door aan het bestreden besluit de onder 18 genoemde voorschriften te verbinden;

- voorziet zelf in de zaak door verweerder te veroordelen in de proceskosten in bezwaar tot een bedrag van € 1.050,-;

- bepaalt dat deze uitspraak, voor zover de rechtbank zelf in de zaak voorziet, in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

-- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van

€ 1.050,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, rechter, in aanwezigheid van mr. Y.F.J. Fransen, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 27 mei 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

de griffier is buiten staat de rechter is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.