Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:4382

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-05-2020
Datum publicatie
18-05-2020
Zaaknummer
8175516 CV EXPL 19-50030
Rechtsgebieden
Ondernemingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid; turboliquidatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0171
OR-Updates.nl 2020-0214
JIN 2020/119 met annotatie van Torenbosch, J.R.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8175516 CV EXPL 19-50030

uitspraak: 15 mei 2020

vonnis in verzet van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid AA Schroefpalen B.V.,

gevestigd te Nijmegen,

eiseres,

gedaagde in verzet,

gemachtigde: mr. A. van Woerkom,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

eiser in verzet,

gemachtigde: mr. R. Odekerken.

Partijen zullen hierna ‘AA Schroefpalen’ en ‘ [gedaagde] ’ worden genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de inleidende dagvaarding van 5 juli 2019, met producties;

- het verstekvonnis van 31 juli 2019;

- de verzetdagvaarding (aan te merken als de conclusie van antwoord), met producties;

- het vonnis van 25 november 2019, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 11 februari 2020;

- de akte van [gedaagde] , met producties;

- de antwoordakte van AA Schroefpalen, met producties.

1.2.

[gedaagde] is door de kantonrechter niet in de gelegenheid gesteld te reageren op de door AA Schroefpalen bij antwoordakte overgelegde producties, aangezien deze producties niet bepalend zijn voor de uitkomst van deze procedure.

1.3.

De uitspraak van dit vonnis is nader bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

[gedaagde] was bestuurder en enig aandeelhouder van de besloten vennootschap [naam bouwbedrijf] (hierna: [naam bouwbedrijf] ). [naam bouwbedrijf] hield zich onder meer bezig met de uitoefening van een bouw- en aannemingsbedrijf.

2.2.

Op 4 april 2017 is tussen AA Schroefpalen als aannemer en [naam bouwbedrijf] als opdrachtgeefster een overeenkomst tot aanneming van werk tot stand gekomen. Bij factuur van 20 juni 2017 heeft AA Schroefpalen een bedrag van € 7.225,50 OB verlegd aan [naam bouwbedrijf] in rekening gebracht bij wijze van eindafrekening in verband met het niet kunnen uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden.

2.3.

Tussen partijen is een geschil over de eindafrekening ontstaan, dat door AA Schroefpalen op 8 februari 2018 ter beslechting is voorgelegd aan de Raad van Arbitrage voor de Bouw.

2.4.

Bij deurwaardersexploot van 9 april 2018 is [naam bouwbedrijf] door de Raad van Arbitrage voor de Bouw opgeroepen tot het indienen van een memorie van antwoord.

2.5.

Bij scheidsrechterlijk vonnis van 13 december 2018 is [naam bouwbedrijf] bij verstek veroordeeld tot betaling aan AA Schroefpalen van:

- een bedrag van € 5.335,20 OB verlegd, vermeerderd met rente tegen het wettelijk handelsrentepercentage welk percentage wordt verhoogd met 2 vanaf 19 oktober 2017 tot de dag van algehele voldoening;

- een bedrag van € 3.440,- ter verrekening van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien betaling niet is verricht binnen 14 dagen na de datum van het vonnis;

- een bedrag van € 800,28 ter verrekening van de buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente indien betaling niet is verricht binnen 14 dagen na de datum van het vonnis;

- een bedrag van € 131,- ter verrekening van de nakosten, vermeerderd met € 68,- in geval van betekening.

2.6.

[naam bouwbedrijf] is op 16 mei 2018 ontbonden. Op 17 mei 2018 is in het handelsregister geregistreerd dat de ontbonden rechtspersoon [naam bouwbedrijf] is opgehouden te bestaan omdat met ingang van 16 mei 2018 geen bekende baten meer aanwezig zijn.

2.7.

Een uitdraai van de jaarrekeningen van [naam bouwbedrijf] uit het handelsregister d.d. 29 januari 2019 vermeldt over het boekjaar 2018 een werkkapitaal van € 396.821,-.

2.8.

Een uitdraai van de jaarrekeningen van [naam bouwbedrijf] uit het handelsregister d.d. 26 augustus 2019 vermeldt over het boekjaar 2018 een negatief werkkapitaal van - € 2.213,-.

2.9.

AA Schroefpalen heeft [gedaagde] bij e-mailbericht van 5 februari 2019 persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van hetgeen [naam bouwbedrijf] aan haar verschuldigd is.

2.10.

[gedaagde] heeft aansprakelijkheid bij e-mailbericht van 17 februari 2019 afgewezen.

3. Het geschil

3.1.

AA Schroefpalen heeft bij inleidende dagvaarding gevorderd dat [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van:

I. hetgeen blijkt uit het scheidsrechterlijk vonnis d.d. 13 december 2018, zijnde de in deze door AA Schroefpalen geleden schade, te weten:

  1. € 5.335,20 OB verlegd, vermeerderd met de wettelijke handelsrente + 2% vanaf 19 oktober tot de dag van voldoening;

  2. € 3.440,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2018 tot de dag van algehele voldoening;

  3. € 800,28, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 december 2018 tot de dag van algehele voldoening;

  4. € 199,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2019 tot de dag van algehele voldoening;

II. de buitengerechtelijke kosten primair overeenkomstig de wet Normering buitengerechtelijke incassokosten, zijnde € 863,72, subsidiair een in goede justitie te bepalen bedrag;

met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

AA Schroefpalen heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] als bestuurder van [naam bouwbedrijf] onrechtmatig jegens AA Schroefpalen heeft gehandeld (art. 6:162 BW). Door niet tot behoorlijke vereffening van [naam bouwbedrijf] over te gaan, heeft [gedaagde] bewerkstelligd dat de vordering van AA Schroefpalen niet werd voldaan, terwijl hiervoor wel de middelen beschikbaar waren en [gedaagde] wist dat AA Schroefpalen een (gepretendeerde) vordering op de vennootschap had. Er is sprake van betalingsonwil. [gedaagde] kan van zijn handelen een ernstig verwijt worden gemaakt. Daarnaast heeft [gedaagde] zich als enig aandeelhouder van de ontbonden vennootschap onrechtmatig bevoordeeld althans hij is door zijn handelwijze onrechtmatig verrijkt ten koste van AA Schroefpalen (art. 6:212 BW).

3.3.

Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van AA Schroefpalen integraal toegewezen en is [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten.

3.4.

[gedaagde] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van AA Schroefpalen alsnog worden afgewezen.

3.5.

Daartoe voert [gedaagde] het volgende aan. [gedaagde] betwist dat hij als bestuurder van [naam bouwbedrijf] onrechtmatig jegens AA Schroefpalen heeft gehandeld of zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt. [gedaagde] ontkent dat er ten tijde van de ontbinding baten waren. Vanwege de afwezigheid van baten heeft hij [naam bouwbedrijf] geliquideerd middels een turboliquidatie. [gedaagde] betwist daarnaast dat sprake is van causaliteit tussen de gestelde onrechtmatigheid en de schade. Het arbitraal vonnis dateert van ver na de ontbinding van de vennootschap.

4. De beoordeling

4.1.

AA Schroefpalen heeft bij antwoordakte de grondslag van haar vordering aangevuld, in die zin dat zij (meer) subsidiair art. 2:249 BW aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd (aansprakelijkheid voor misleidende jaarstukken). [gedaagde] heeft niet meer op de aanvulling van de grondslag kunnen reageren. [gedaagde] is daardoor niet in zijn belangen geschaad, omdat aan de beoordeling van de (meer) subsidiaire grondslag niet wordt toegekomen.

4.2.

De vraag ligt ter beantwoording voor of [gedaagde] als bestuurder van [naam bouwbedrijf] onrechtmatig heeft gehandeld door over te gaan tot een turboliquidatie als bedoeld in art. 2:19 lid 4 BW, dat wil zeggen een liquidatie zonder vereffening. AA Schroefpalen stelt dat zij daardoor niet meer in staat is het tussen haar en [naam bouwbedrijf] gewezen scheidsrechterlijk vonnis te executeren.

4.3.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat alleen een rechtspersoon zelf aansprakelijk is voor haar schulden. Voor persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder naast de rechtspersoon kan aanleiding bestaan indien de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon zijn wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt en daardoor aan de wederpartij schade berokkent, terwijl dit handelen of nalaten ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de rechtspersoon tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758, Ontvanger/Roelofsen). Van een dergelijk persoonlijk ernstig verwijt zal in het algemeen geen sprake zijn als sprake is van betalingsonmacht van de rechtspersoon. Dit zal echter wel het geval zijn wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden die wijzen op betalingsonwil aan de zijde van de bestuurder.

4.4.

Op grond van art. 2:19 lid 4 BW is voor turboliquidatie vereist dat baten ontbreken ten tijde van de ontbinding. Niet langer is in geschil dat de uitdraai van de jaarrekeningen van [naam bouwbedrijf] uit het handelsregister d.d. 29 januari 2019, waarin sprake is van een werkkapitaal over het boekjaar 2018 van € 396.821,-, door een fout van de Kamer van Koophandel onjuiste gegevens bevat betreffende de liquidatiebalans van [naam bouwbedrijf] per 16 mei 2018. Partijen zijn het erover eens dat uitgegaan dient te worden van de door de boekhouder van [naam bouwbedrijf] op 11 februari 2019 nogmaals aan de Kamer van Koophandel toegezonden liquidatiebalans. Daarin staat een negatief werkkapitaal per datum ontbinding vermeld van - € 2.213,-.

4.5.

AA Schroefpalen stelt dat [naam bouwbedrijf] ten tijde van haar ontbinding nog baten had, althans dat sprake is van verdwenen baten. In dat verband heeft AA Schroefpalen er tijdens de mondelinge behandeling op gewezen dat uit de door [gedaagde] bij verzetdagvaarding in het geding gebrachte jaarrekening 2018 blijkt dat het gestort aandelenkapitaal is verminderd van € 18.000,- per 31 december 2017 naar € 2,- per 16 mei 2018. [gedaagde] heeft betoogd dat het aandelenkapitaal al op 14 april 2014 is verlaagd, ten tijde van een bij de notaris doorgevoerde statutenwijziging. Het door de verlaging van het aandelenkapitaal vrijgekomen vermogen heeft [gedaagde] naar hij stelt in 2014 opgenomen en aangewend in de afhandeling van privéproblemen. Om een of andere reden is dat echter niet eerder dan in 2018 in de boeken verwerkt, aldus [gedaagde] . [gedaagde] heeft zijn stelling dat het aandelenkapitaal reeds in 2014 is verminderd en dat het vrijgekomen vermogen reeds toen door hem is opgenomen niet van een concrete onderbouwing voorzien. Daarmee heeft [gedaagde] de stelling van AA Schroefpalen dat [naam bouwbedrijf] ten tijde van haar ontbinding nog baten had, althans dat sprake is van verdwenen baten, onvoldoende gemotiveerd betwist. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het gestorte aandelenkapitaal van [naam bouwbedrijf] van € 18.000,- bij de ontbinding van de vennootschap is vrij gekomen. Dat betekent dat er ten tijde van het ontbindingsbesluit sprake moet zijn geweest van baten die, in geval van vereffening, aangewend hadden kunnen worden om schuldeisers te voldoen. Gesteld noch gebleken is dat er naast AA Schroefpalen nog andere schuldeisers waren. De vordering van AA Schroefpalen had indien er was vereffend dan ook volledig kunnen worden voldaan. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van betalingsonwil. Hiervan kan [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt gemaakt worden. Dit levert een onrechtmatige daad op jegens AA Schroefpalen.

4.6.

Het verweer van [gedaagde] dat de causaliteit tussen de onrechtmatige daad en de schade ontbreekt, omdat het scheidsrechterlijk vonnis dateert van na de ontbinding van de vennootschap, wordt verworpen. Ter zitting heeft [gedaagde] betoogd dat tijdens de procedure bij de arbiter, namelijk op 5 mei 2018, namens [naam bouwbedrijf] aan AA Schroefpalen het aanbod is gedaan tot betaling van € 4.000,- tegen finale kwijting. Hieruit volgt reeds dat sprake was van een voor [naam bouwbedrijf] kenbare aanspraak van AA Schroefpalen. [gedaagde] had als bestuurder van [naam bouwbedrijf] ermee rekening moeten houden dat AA Schroefpalen een door de arbiter vastgestelde vordering op de vennootschap zou krijgen.

4.7.

De slotsom is dat [gedaagde] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk is voor de door AA Schroefpalen geleden schade. Nu [gedaagde] tegen de hoogte van de gevorderde schadevergoeding geen verweer heeft gevoerd, is de vordering toewijsbaar overeenkomstig de beslissing in het verstekvonnis.

4.8.

Nu [gedaagde] de verschuldigdheid en hoogte van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet heeft betwist, is ook die vordering toewijsbaar overeenkomstig de beslissing in het verstekvonnis.

4.9.

Het verstekvonnis zal op grond van het vorenstaande worden bekrachtigd.

4.10.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het verzet worden verwezen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

bekrachtigt het op 31 juli 2019 tussen partijen gewezen verstekvonnis;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de verzetprocedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van AA Schroefpalen vastgesteld op € 540,- aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punt x tarief € 360,-);

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Kruisdijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

546