Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:4380

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-05-2020
Datum publicatie
18-05-2020
Zaaknummer
C/10/582058 / HA ZA 19-843
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Pleziervaartuigenverzekering. Toepasselijkheid polisvoorwaarden. Algemene voorwaarden. Kernbedingen. Het schip van eiser is vol water gelopen omdat hij na de demontage van de waterpomp de afsluiter van de watergesmeerde schroefaslager niet had dichtgedraaid. Moet het binnentreden van water als gevolg van het niet dichtdraaien van de afsluiter van de watergesmeerde schroefaslager worden aangemerkt als een plotselinge, onvoorziene van buitenkomende schadeoorzaak als bedoeld in artikel 28 sub 14 van de polisvoorwaarden? Uitleg polisvoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/582058 / HA ZA 19-843

Vonnis van 13 mei 2020

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] , Duitsland,

eiser,

advocaat mr. H.J. Tulp te Drachten,

tegen

de naamloze vennootschap

ALLIANZ NEDERLAND GROEP N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

advocaat mr. M.R. Lauxtermann te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Allianz genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 29 augustus 2019, met producties 1-12;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1-5;

  • -

    de oproepingsbrief van de rechtbank van 4 december 2019 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

- een akte uitlating tevens overlegging producties (13-16) alsmede wijziging van eis van [eiser] ;

- een akte uitlating en overlegging producties (6-9) van Allianz;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 maart 2020, en de daaraan gehechte spreek-/pleitaantekeningen van beide partijen;

  • -

    een brief van 3 april 2020 namens [eiser] met een reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiser] was eigenaar van het motorjacht Van der Heijden 1350 Exclusive welk motorjacht [eiser] heeft gekocht van de heer [naam persoon] (hierna [naam persoon] ).

2.2.

Ten behoeve van het motorjacht Van der Heijden heeft [eiser] op aanraden van [naam persoon] via Datacombinatie Yacht Verzekeringen B.V. (hierna: Datacombinatie), gevolmachtigd verzekeringsagent van Allianz, bij Allianz een aansprakelijkheidsverzekering voor pleziervaartuigen afgesloten. De op de verzekering betrekking hebbende stukken zijn op 28 april 2016 door Datacombinatie naar het mailadres van [naam persoon] verstuurd.

In deze mail staat - voor zover van belang - geschreven:

“Geachte heer [naam persoon] , Zoals met dhr. [eiser] besproken betreft u bijgaand ook zijn offerte aan.”

In de kop van de e-mail staat vermeld dat als bijlagen bij de e-mail zijn gevoegd:

“Offerte [naam pdf bestand] (Uitgebreid): aanvraagformulier en opzegkaartje.pdf”

2.3.

[eiser] is sinds omstreeks 27 juli 2016 eigenaar van een ander motorjacht, type Smelne Vlet 1300 OK (hierna: het schip).

2.4.

Teneinde een aansprakelijkheidsverzekering voor dit schip af te sluiten, heeft [eiser] op 28 juli 2016 een aanvraagformulier ingevuld en ondertekend en aan Datacombinatie toegezonden. Bij het gedeelte op het aanvraagformulier waar een keuze kan worden gemaakt voor de gewenste dekking heeft [eiser] ‘wie vorher!’ vermeld.

2.5.

Per e-mail van 28 juli 2016 is door Datacombinatie bevestigd dat het schip bij Allianz is verzekerd. Datacombinatie heeft vervolgens per e-mails van dezelfde datum de polis met polisnummer [nummer polis] (hierna: de polis), de polisvoorwaarden NU2015-01B (hierna: de polisvoorwaarden) en een factuur aan [eiser] toegezonden.

2.6.

De onder 2.4 en 2.5 weergegeven correspondentie is verstuurd en ontvangen via het e-mailadres van Smelne Yachtcenter, waar het schip destijds lag.

2.7.

De verzekeringsovereenkomst tussen [eiser] en Allianz is per 27 juli 2016 tot stand gekomen. Het schip was daarmee verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid en [eiser] genoot een uitgebreide cascodekking.

2.8.

Op de polis is vermeld dat op de verzekeringsovereenkomst tussen partijen onder meer de polisvoorwaarden en clausule 70500 Preventie (hierna: de clausule) van toepassing zijn.

2.9.

De polisvoorwaarden luiden - voor zover relevant - als volgt:

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

(…)

12. Van buitenkomende schadeoorzaken

Tot schade leidende onverwachte, bijzondere, buitengewone en onvoorziene gebeurtenissen die niets met de aard of de kwaliteit van uw boot te maken hebben en welke gebeurtenissen een oorsprong hebben die liggen buiten het verzekerd object. Een van buitenkomende schadeoorzaak is bijvoorbeeld overstroming, brand, diefstal, aanvaring, schipbreuk, verontreiniging, ongedierte.

(…)

Dekkingen

(…)

Artikel 28. Uitgebreid Casco.

Binnen het op het polisblad vermelde dekkingsgebied is het verzekerd object Uitgebreid

verzekerd voor schade door: Casco

(…)

14. Plotselinge, onvoorziene van buitenkomende schadeoorzaken Wel

2.10.

Medio oktober 2018 heeft [eiser] , terwijl het schip zich in het schiphuis van jachtwerf De Drait in Drachten bevond, de waterpomp van de motor van het schip gedemonteerd teneinde deze te laten reviseren.

2.11.

Op 29 oktober 2018 constateerden medewerkers van jachtwerf De Drait dat het schip was gezonken. Het schip bleek vol water te zijn gelopen omdat [eiser] na de demontage van de waterpomp de afsluiter van de watergesmeerde schroefaslager niet had dichtgedraaid waardoor een open verbinding met het oppervlaktewater was ontstaan.

2.12.

[eiser] heeft de schade aan het schip gemeld bij Datacombinatie.

2.13.

In opdracht van Datacombinatie heeft Vijzelaar Expertise op 8 november 2018 een expertiserapport opgesteld. Vijzelaar Expertise heeft de schade op dat moment begroot op € 80.000,00. Het rapport van Vijzelaar Expertise bevat, naast een bevestiging van de onder 2.11 genoemde schade-oorzaak, de volgende toelichting:

“Verzekerde is een ervaren watersporter en heeft altijd zelf zijn eigen vaartuigen onderhouden. Dit mede gezien zijn technische achtergrond. Desgevraagd verklaarde verzekerde er geen weet van gehad te hebben dat zich op het watergesmeerde lager een afsluiter bevond en er van uitgegaan te zijn dat met het dicht draaien van de koelwaterafsluiter het vaartuig veilig en waterdicht was.”

2.14.

Datacombinatie heeft [eiser] op 15 november 2018 bericht dat Allianz de schade niet vergoedt onder de door [eiser] bij haar afgesloten aansprakelijkheidsverzekering.

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat:

a. voor zover de clausule en de polisvoorwaarden bedingen in algemene voorwaarden bevatten, [eiser] zich terecht heeft beroepen op vernietiging daarvan;

b. voor zover de clausule en de polisvoorwaarden kernbedingen bevatten, deze geen deel uitmaken of hebben uitgemaakt van de rechtsverhouding tussen [eiser] en Allianz uit hoofde van de polis;

c. Allianz gehouden is tot het verlenen van dekking onder de polis ter zake van het schadegeval en derhalve de kosten van herstel dient te vergoeden aan [eiser] dan wel, te zijner keuze, rechtstreeks aan de partij aan wie [eiser] het herstel van de schade zal opdragen;

II. Allianz veroordeelt om, binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, aan te vangen met de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de polis en deze vervolgens voortvarend af te ronden;

III. Allianz veroordeelt om, binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, aan [eiser] een bedrag te betalen ter zake van vergoeding van andere schade ad € 12.673,39, welk bedrag dient te worden verhoogd met de na 29 augustus 2019 te vervallen kosten;

IV. Allianz veroordeelt tot vergoeding, binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, van de wettelijke rente over de onder I. (de rechtbank leest: I sub c) en III. vast te stellen schadebedragen vanaf 29 oktober 2018 tot aan de dag der algehele betaling;

V. Allianz veroordeelt tot vergoeding, binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 1.575,00, althans € 1.500,00;

VI. Allianz veroordeelt in de kosten van het geding, alsmede de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na-)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na-)kosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

[eiser] legt - zeer kort samengevat - aan zijn vordering ten grondslag dat hij bij Allianz is verzekerd voor de schade die aan het schip is ontstaan en dat Allianz op grond van de polis gehouden is deze schade te vergoeden.

3.3.

Allianz voert verweer, dat strekt tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad in de kosten van de procedure, vermeerderd met rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van het geschil van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

Tegen de wijziging van eis is door Allianz geen bezwaar gemaakt. De rechtbank acht de wijziging van eis ook niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. De rechtbank zal dan ook recht doen op de vordering zoals die na wijziging van eis is komen te luiden.

4.2.

Om voor vergoeding van schade op grond van een verzekeringsovereenkomst in aanmerking te komen, dient het voorval dat tot de schade heeft geleid onder de overeengekomen (dekkings)bepalingen van deze verzekeringsovereenkomst te vallen.

[eiser] stelt dat de door hem geleden schade gedekt is onder de verzekeringsovereenkomst.

Allianz betwist primair dat er sprake is van een onder de verzekeringsovereenkomst gedekte schadegebeurtenis; het zinken van het schip als gevolg van het niet dichtdraaien van de afsluiter van de watergesmeerde schroefaslager valt, aldus Allianz, niet onder één van de in artikel 28 van de polisvoorwaarden specifiek omschreven dekkingsomschrijvingen en evenmin onder de meer algemeen omschreven dekkingsomschrijving als bedoeld in artikel 28 sub 14 (schade door een plotselinge, onvoorziene van buitenkomende schadeoorzaak) of onder artikel 31 (schade door eigen gebrek). Subsidiair stelt zij dat sprake is van een dekkingsuitsluiting als bedoeld in onder andere artikel 18 sub 3 van de polisvoorwaarden en de clausule, nu [eiser] onvoldoende zorg voor de verzekerde zaak heeft betracht.

4.3.

In reactie op het verweer van Allianz heeft [eiser] aangevoerd dat aan Allianz geen beroep toekomt op de polisvoorwaarden en de clausule. [eiser] onderbouwt dit als volgt.

Ofwel de polisvoorwaarden betreffen bedingen in algemene voorwaarden, zoals [eiser] stelt, in welk geval geldt dat deze algemene voorwaarden niet aan [eiser] ter hand zijn gesteld en [eiser] zich terecht heeft beroepen op vernietigbaarheid hiervan.

Ofwel de polisvoorwaarden betreffen kernbedingen, zoals Allianz stelt, in welk geval geldt dat [eiser] daarmee niet uitdrukkelijk akkoord is gegaan zodat hij om die reden niet aan deze bedingen is gebonden. Aldus resteert, volgens [eiser] , een algemene afspraak tussen partijen dat er casodekking is. Voor het geval partijen toepasselijkheid van de polisvoorwaarden wel zijn overeengekomen, stelt [eiser] zo begrijpt de rechtbank, dat er dekking is op grond van artikel 28 sub 14 van de polisvoorwaarden omdat het binnentreden van water als gevolg van het niet dichtdraaien van de afsluiter van de watergesmeerde schroefaslager moet worden aangemerkt als een plotselinge, onvoorziene van buitenkomende schadeoorzaak.

Toepasselijkheid polisvoorwaarden

4.4.

Gelet op de standpunten van partijen dient eerst te worden beoordeeld of er sprake is van een onder artikel 28 sub 14 van de polis gedekte schadegebeurtenis. Alvorens toe te komen aan beantwoording van deze vraag, zal moeten worden vastgesteld of deze dekkingsbepaling in de polisvoorwaarden van toepassing is op de tussen partijen geldende verzekeringsovereenkomst.

4.5.

Niet in geschil is dat de polisvoorwaarden, waaronder artikel 28 sub 14, zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen. De polisvoorwaarden moeten derhalve worden aangemerkt als algemene voorwaarden, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestatie aangeven voor zover deze bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd (artikel 6:231, aanhef en onder a, BW).

4.6.

Artikel 28 sub 14 van de polisvoorwaarden maakt onderdeel uit van de dekkingsomschrijving van de verzekering. Bij een verzekeringsovereenkomst behoort de dekkingsomschrijving (onder meer) tot de kern van de prestatie van de verzekeraar, hier Allianz, jegens de verzekerde, hier [eiser] . Dit betekent dat dit artikel, evenals de voor de uitleg hiervan noodzakelijke begripsomschrijving in artikel 1 sub 12 én de andere bepalingen die betrekking hebben op de dekkingsomschrijving, is aan te merken als een kernbeding. Bovendien is het beding naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk en begrijpelijk geformuleerd. Het betreft hier dus geen algemene voorwaarde. Het beroep van [eiser] op vernietigbaarheid van deze bepaling omdat de algemene voorwaarden niet ter hand zijn gesteld, faalt derhalve.

Indien en voor zover [eiser] zich met een beroep op de (analoge) toepassing van richtlijn 93/13/EEG op het standpunt heeft bedoeld te stellen dat de dekkingsbepaling in artikel 28 sub 14 een oneerlijk beding is in de zin van deze richtlijn en daarom buiten beschouwing moet worden gelaten, faalt dat beroep om dezelfde reden. Uit artikel 4 lid 2 van voornoemde richtlijn volgt immers dat de beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen geen betrekking heeft op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs of vergoeding en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd.

4.7.

Nu vaststaat dat artikel 28 sub 14 moet worden aangemerkt als een kernbeding, is daarmee nog niet gezegd dat Allianz op dit beding een beroep toekomt. Voor de toepasselijkheid daarvan is vereist dat Allianz bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst er vanuit mocht gaan dat [eiser] de inhoud van dit beding kende of behoorde te kennen en dat hij dit heeft willen aanvaarden. Als dat niet het geval is, kan er in beginsel niet gerechtvaardigd op worden vertrouwd dat met dit beding is ingestemd en is het beding niet overeengekomen. Een overeenkomst komt immers tot stand door aanbod en aanvaarding daarvan, hetgeen moet worden beoordeeld aan de hand van de wilsvertrouwensleer zoals neergelegd in de artikelen 3:33 en 3:35 BW.

4.8.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht Allianz er gerechtvaardigd op vertrouwen dat [eiser] heeft ingestemd met (onder meer) artikel 28 sub 14 van de polisvoorwaarden en dat dit beding derhalve is overeengekomen tussen partijen. Daartoe acht de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden van belang.

[eiser] heeft een paar maanden vóór het afsluiten van de in deze zaak aan de orde zijnde verzekeringsovereenkomst via Datacombinatie een aansprakelijkheidsverzekering voor pleziervaartuigen bij Allianz afgesloten voor een ander schip, de Van der Heijden . De op de verzekeringsovereenkomst van voornoemd schip betrekking hebbende stukken, waaronder het aanvraagformulier én de polisvoorwaarden, zijn - op verzoek van [eiser] - per e-mail (zie rechtsoverweging 2.2) aan [naam persoon] toegestuurd. [eiser] heeft, zo kan worden opgemaakt uit zijn verklaring ter comparitie, het aanvraagformulier ingevuld. Nu dit aanvraagformulier samen met (onder meer) de polisvoorwaarden als bijlage was gevoegd bij een en dezelfde mail gaat de rechtbank ervan uit dat [eiser] deze polisvoorwaarden ook heeft ontvangen (anders dan [eiser] in zijn brief in reactie op het proces-verbaal stelt), maar dat hij deze, zoals hij ter comparitie heeft verklaard, niet heeft gelezen omdat deze voor hem niet belangrijk waren. Uit deze feiten en omstandigheden volgt dat het de eigen keuze van [eiser] is geweest om geen kennis te nemen van de polisvoorwaarden, zodat niet aan Allianz kan worden tegengeworpen dat [eiser] , zoals hij thans stelt, deze niet kende.

Enkele maanden nadat [eiser] de Van der Heijden bij Allianz had verzekerd, wenste hij voor het schip waarover het in deze procedure gaat eveneens via Datacombinatie een aansprakelijkheidsverzekering voor pleziervaartuigen af te sluiten. Op dat moment is hem door Datacombinatie via het e-mailadres van Smelne Yachtcenter waar het schip zich op dat moment bevond, een offerte en een aanvraagformulier toegezonden. [eiser] heeft op dit aanvraagformulier d.d. 28 juli 2016 bij het gedeelte waar een keuze kan worden gemaakt voor de gewenste dekking “wie vorher!” vermeld en dit aanvraagformulier is - op zijn verzoek - via het e-mailadres van Smelne Yachtcenter naar Datacombinatie gestuurd. Allianz mocht er, gelet op de omstandigheid dat [eiser] slechts enkele maanden voordien ook bij haar een aansprakelijkheidsverzekering voor pleziervaartuigen had afgesloten, vanuit gaan dat [eiser] de inhoud van de voorwaarden op basis waarvan die verzekering was afgesloten, kende en dat hij door het gebruik van de woorden “wie vorher!” bedoelde een verzekeringsovereenkomst op basis van dezelfde voorwaarden af te sluiten. Allianz heeft vervolgens - zoals onbetwist tussen partijen vaststaat - ten behoeve van [eiser] een verzekeringsovereenkomst afgesloten op basis van dezelfde polisvoorwaarden als de eerder afgesloten verzekering, namelijk NU2015-01B, en op 28 juli 2016 zijn de op deze verzekering betrekking hebbende stukken ten behoeve van [eiser] naar het e-mailadres van Smelne Yachtcenter gezonden en zijn de polisvoorwaarden ook per brief aan het huisadres van [eiser] gezonden. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] nadien Datacombinatie of Allianz heeft bericht dat een en ander niet goed door Allianz was begrepen en dat het nooit de bedoeling van [eiser] is geweest om op basis van deze voorwaarden een verzekeringsovereenkomst aan te gaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat op basis van aanbod en aanvaarding tussen partijen een verzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen, waarvan artikel 28 sub 14 in ieder geval onderdeel uitmaakt.

4.9.

De stelling van [eiser] dat de polisvoorwaarden, anders dan (rechtstreekse) e-mailcorrespondentie, het aanvraagformulier en het schadeformulier, niet in het Duits aan hem zijn toegestuurd en dat om die reden toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, brengt evenmin met zich dat artikel 28 sub 14 buiten toepassing gelaten moet worden. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] de bepalingen in de polisvoorwaarden niet heeft begrepen omdat zij in het Nederlands waren opgesteld. Met de vermelding “wie vorher!” op het aanvraagformulier wekte [eiser] bovendien de indruk dat voor hem de inhoud en strekking van deze bepalingen helder was.

Uitleg artikel 28 sub 14

4.10.

Het voorgaande in aanmerking nemende, dient vervolgens te worden beoordeeld of Allianz, zoals [eiser] stelt en Allianz betwist, op grond van artikel 28 sub 14 van de polisvoorwaarden gehouden is de schade te vergoeden die [eiser] stelt te hebben geleden als gevolg van het zinken van het schip.

4.11.

Tussen partijen is in geschil is of het binnentreden van water als gevolg van het niet dichtdraaien van de afsluiter van de watergesmeerde schroefaslager moet worden aangemerkt als een plotselinge, onvoorziene van buitenkomende schadeoorzaak als bedoeld in artikel 28 sub 14. Het komt derhalve aan op de uitleg van deze bepaling alsmede op de uitleg van artikel 1 sub 12 waarin een omschrijving is gegeven van hetgeen moet worden verstaan onder ‘van buitenkomende schadeoorzaken’. Hierbij is van belang de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan voornoemde bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de zogenoemde Haviltex-maatstaf). Wanneer het, zoals in dit geval, gaat om polisvoorwaarden waarover door partijen niet pleegt te worden onderhandeld, is de uitleg daarvan met name afhankelijk van objectieve factoren, zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel en van de in voorkomend geval bij de polisvoorwaarden behorende toelichting (HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793, (Chubb/Dagenstaed)). Voorts geldt in dit verband dat het een verzekeraar vrij staat om de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen. Dat brengt voor de verzekeraar ook de vrijheid mee om daarbij - op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van voormelde objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar is - binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten of omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet, dan wel onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht bij elkaar liggen (HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9435, (Winterthur/Jansen).

4.12.

Het binnentreden van water als gevolg van het niet dichtdraaien door [eiser] van de afsluiter van de watergesmeerde schroefaslager kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een plotselinge, onvoorziene van buitenkomende schadeoorzaak. De rechtbank licht dit als volgt toe. Blijkens artikel 1 sub 12 van de polisvoorwaarden moet onder van buitenkomende schadeoorzaken worden verstaan “tot schade leidende onverwachte, bijzondere, buitengewone en onvoorziene gebeurtenissen die niets met de aard of de kwaliteit van het schip te maken hebben en welke gebeurtenissen een oorsprong hebben die liggen [de rechtbank leest: ligt] buiten het verzekerd object”. Als voorbeelden hiervan worden in genoemd artikel genoemd: overstroming, brand, diefstal, aanvaring, schipbreuk, verontreiniging, ongedierte. Het binnentreden van water in het schip is in deze zaak, zoals [eiser] ook erkent, een logisch en voorzienbaar gevolg van het niet dichtdraaien van de zich in het schip bevindende afsluiter van de watergesmeerde schroefaslager door [eiser] . Dit betreft dus niet een plotselinge, onvoorziene en van buitenkomende oorzaak, die op enige manier gelijk kan worden gesteld met een van de in artikel 1 sub 12 genoemde voorbeelden. Dit wordt niet anders, zoals [eiser] stelt, doordat hij er niet van op de hoogte was dat het schip was uitgerust met een watergesmeerde schroefaslager omdat dit een systeem is dat niet vaak voorkomt.

4.13.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat artikel 28 sub 14 van de polisvoorwaarden geen dekking biedt voor de schade van [eiser] . Nu niet is gesteld of gebleken dat er op basis van enig ander artikel uit de polisvoorwaarden dekking bestaat voor de door [eiser] geleden schade, concludeert de rechtbank dat er geen dekking is. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de beoordeling van het (subsidiaire) verweer van Allianz dat sprake is van een dekkingsuitsluiting als bedoeld in onder andere artikel 18 sub 3 van de polisvoorwaarden en de clausule (onvoldoende zorg voor de verzekerde zaak door [eiser] ) en de in dit verband door [eiser] ingenomen standpunten.

Redelijkheid en billijkheid

4.14.

Voor zover [eiser] (onder randnummer 53 van de dagvaarding) heeft willen betogen dat de weigering van Allianz om dekking onder de polis te verlenen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, volgt de rechtbank [eiser] niet in zijn betoog. Zoals reeds hiervoor overwogen, staat het een verzekeraar vrij om bij het afsluiten van een verzekering de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen. De enkele stelling van [eiser] dat de schadegebeurtenis het verstrekkende en onevenredige gevolg heeft dat hij de rest van zijn leven in een huurhuis moet wonen en rond moet komen van zijn pensioen, is, hoe zeer de rechtbank zich het verdriet en de zorgen hierover bij [eiser] kan voorstellen, onvoldoende om te oordelen dat de weigering van Allianz om dekking onder de polis te verlenen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Slotsom

4.15.

De vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

Proceskosten

4.16.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Allianz worden begroot op:

- griffierecht € 1.992,00

- salaris advocaat € 2.148,00 (2,0 punten × tarief € 1.074,00)

Totaal € 4.140,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Allianz tot op heden begroot op € 4.140,00, waaronder begrepen een bedrag van € 2.148,00 als het aan de advocaat van Allianz toekomende salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2020.

[3078/1582]