Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:4336

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-04-2020
Datum publicatie
15-05-2020
Zaaknummer
C/10/586166 / JE RK 19-3488
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

afwijzing verzoek machtiging uithuisplaatsing ten tijde van Corona.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaakgegevens: C/10/586166 / JE RK 19-3488

datum uitspraak: 15 april 2020

beschikking uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht, hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam kind] , geboren op [geboortedatum kind] 2006 te [geboorteplaats kind] , hierna te noemen [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] , hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

mr. G.E. VAN DER POLS, hierna te noemen de bijzondere curator, kantoorhoudende te Rotterdam.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 22 januari 2020 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- het faxbericht van de bijzondere curator, mr. G.E. van der Pols, van 6 maart 2020;

- de briefrapportage van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, hierna te noemen de GI, van 25 maart 2020;

- de briefrapportage van de bijzondere curator van 9 april 2020.

Op 15 april zou de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandelen. Vanwege het beleid van de Raad voor de Rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de kinderrechter de betrokkenen telefonisch gehoord. De kinderrechter is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden – op dit moment voldoende is om tot een goed oordeel te komen en zal daarom een beslissing nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

De kinderrechter heeft, in aanwezigheid van de griffier, op 15 april 2020 tegelijkertijd telefonisch gehoord:
- de moeder,

- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam vertegenwoordiger] ,

- een vertegenwoordigster van de GI, [naam vertegenwoordigster] ,

- de bijzondere curator, mr. G.E. van der Pols.

Voorafgaand en apart heeft de kinderrechter telefonisch gehoord:

- [naam kind] .

De feiten
Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de moeder.

[naam kind] verblijft wisselend bij zijn moeder, tante en broer [naam] . De bij beschikking van 22 januari 2020 verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] is niet ten uitvoer gelegd.

Bij beschikking van 3 december 2019 is [naam kind] onder toezicht gesteld tot 3 december 2020.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 22 januari 2020 een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 22 april 2020. Het verzoek omtrent het overig verzochte is aangehouden.
Bij die beschikking heeft de kinderrechter tevens mr. G.E. van der Pols tot bijzondere curator benoemt teneinde [naam kind] te vertegenwoordigen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Het (aangehouden) verzoek en het standpunt van de Raad

De Raad heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verzocht voor de duur van een jaar. Thans resteert de periode tot 3 december 2020.

De Raad handhaaft het verzoek en licht het als volgt toe. Uit het verleden blijkt dat [naam kind] is gebaat bij een gestructureerde omgeving. [naam kind] heeft geen groot sociaal netwerk. Het netwerk dat hij heeft, bevindt zich in Rotterdam en daar wil [naam kind] aan vasthouden. [naam kind] verdient het dat er een accommodatie wordt gezocht die bij hem past. De Raad gaat dan ook graag mee in de wens van [naam kind] om in de buurt van Rotterdam te worden geplaatst. Om die reden adviseert de Raad om [naam kind] in een uitwijkhuis te plaatsen, zodat hij op korte termijn overgeplaatst kan worden naar een gezinshuis. De plaatsing in het gezinshuis dient ter overbrugging van de periode tot hij naar een kamertrainingscentrum kan, waar verder aan de zelfstandigheid van [naam kind] kan worden gewerkt.

Het standpunt van de GI

De GI steunt het verzoek van de Raad. [naam kind] heeft een overlevingsmechanisme opgebouwd en hij ondermijnt het gezag van volwassenen. In eerste instantie leek het noodzakelijk om [naam kind] te behandelen. Om die reden wilde de GI [naam kind] op een behandelgroep bij Harreveld plaatsen, alwaar hij ook vaardigheden kan leren. De jeugdbeschermer realiseert zich dat Harreveld ver weg is van de familie van [naam kind] . Echter, dichterbij is geen passende plek gevonden. Nu het niet meer noodzakelijk lijkt om [naam kind] te behandelen kan er naar andere plekken worden gekeken. Een uitwijkhuis is geen passende oplossing, omdat [naam kind] daar maar drie maanden kan blijven. Na drie maanden moet dan opnieuw worden gezocht naar een plek voor de lange termijn. Het advies van de GI is om [naam kind] voor een termijn van vijf maanden te plaatsen bij Harreveld, zodat hij tot rust kan komen en binnen die periode een passende plek voor de lange termijn kan worden gezocht.

Het standpunt van de belanghebbenden

De moeder is het niet eens met een uithuisplaatsing van [naam kind] bij Harreveld, omdat de afstand tot zijn familie dan te groot is. Totdat er een passende plek is voor [naam kind] kan hij bij de moeder blijven wonen.

De bijzondere curator heeft ter zitting naar voren gebracht dat [naam kind] graag contact met zijn familie wil behouden en dat hij daarom naar een passende plek in (de buurt van) Rotterdam zou willen. Volgens [naam kind] sluit de beschikbare plek bij Harreveld niet aan bij zijn zelfstandigheid. Een plek bij Prokino is mogelijk een passende oplossing. Het is alleen onbekend of hier een plek beschikbaar is. De bijzondere curator adviseert de kinderrechter om het verzoek af te wijzen, zodat eerst in overleg kan worden gezocht naar een passende plek voor [naam kind] en dan pas de machtiging voor die plek wordt afgegeven.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er nog steeds ernstige zorgen over [naam kind] bestaan. [naam kind] heeft in de afgelopen jaren veel wisselingen van opvoeders en verblijfplaatsen gekend. Op dit moment verblijft [naam kind] wisselend bij de moeder, de tante of de broer [naam] . Dit is onrustig en geeft hem niet de mogelijkheid om zijn school en sport structureel te volgen. [naam kind] is gebaat bij een stabiele plek voor de langere termijn, hetgeen onder meer blijkt uit het rapport van de bijzondere curator.

Op dit moment is de bij beschikking van 22 januari 2020 gegeven machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder niet ten uitvoer gelegd. De kinderrechter is van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing wel noodzakelijk is, maar ook – net als [naam kind] , de moeder, de bijzonder curator en de Raad – dat een plaatsing bij Harreveld niet passend is voor [naam kind] . De kinderrechter is dan ook van oordeel dat een plaatsing aldaar niet in het belang van [naam kind] kan worden geacht (artikel 1:265b, eerste lid, BW). Het is van belang dat [naam kind] de kans krijgt om in een stabiele omgeving in (de buurt van) Rotterdam te laten zien wat hij zelfstandig kan.

Nu gebleken is dat er op dit moment geen geschikte plek is voor [naam kind] rest de kinderrechter niets anders dan het verzoek van de Raad af te wijzen. De kinderrechter verzoekt de GI dringend op zoek te gaan naar een passende plek voor [naam kind] .

De beslissing

De kinderrechter:

wijst af het verzoek van de Raad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2020 door mr. K.J. van den Herik, kinderrechter, in tegenwoordigheid van V. Beenakker als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 24 april 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.