Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:4295

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-05-2020
Datum publicatie
17-07-2020
Zaaknummer
4598921 CV EXPL 15-9203
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade na arbeidsongeval. Voorlopige voorziening (223 Rv): afgewezen: hoogte schade nog te onduidelijk. Uitlaten deskundigenonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0550
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 4598921 CV EXPL 15-9203

uitspraak: 14 mei 2020

vonnis in het incident ex artikel 223 Rv van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende in [woonplaats eiser] ,

eiser in de hoofdzaak en eiser in het incident,

gemachtigde: mr. M.J.E.C. Camps,

tegen

[gedaagde] , h.o.d.n. [handelsnaam],

wonende in [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde in de hoofdzaak en verweerder in het incident,

gemachtigde: mr. M.T. Spronck.

Partijen worden hierna “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ” genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    de dagvaardingen van 4 november 2015, tevens inhoudende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv, met producties;

  • -

    de aantekeningen op de rol dat partijen met elkaar in onderhandeling zijn;

  • -

    de akte overlegging nadere stukken tevens vermeerdering van eis en provisionele vordering ex artikel 223 Rv;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van antwoord in het incident, met producties;

  • -

    de rolbeslissing van 12 december 2019;

  • -

    het faxbericht van mr. Camps van 24 december 2019 dat de procedure jegens gedaagden 1 tot en met 3 (vennootschap onder firma U.B.M. Uitzendbureau Multiservice, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Heremethe B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Starkov B.V.) wordt ingetrokken;

  • -

    de brief van mr. R.G. Degenaar, gemachtigde van gedaagden 1 tot en met 3, van
    30 december 2019 waarin wordt ingestemd met doorhaling van de procedure jegens gedaagden 1 tot en met 3;

  • -

    het tussenvonnis van 30 januari 2020 waarin een comparitie van partijen wordt bepaald;

  • -

    de brief van de rechtbank van 18 maart 2020 waarin partijen wordt verzocht zich schriftelijk uit te laten over de manier waarop de zaak verder wordt behandeld, in verband met het coronavirus;

  • -

    de brief van mr. Spronck van 23 maart 2020 en het faxbericht van mr. Camps van
    14 april 2020 waarin partijen mededelen er de voorkeur aan te geven schriftelijk verder te procederen.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op vandaag.

2. De vaststaande feiten

2.1.

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , is met ingang van 2 juni 2014 als timmerman tewerkgesteld bij [gedaagde] , via een uitzendbureau. Hij werkte 24 uur per week bij [gedaagde] en zijn salaris bedroeg € 11,- bruto per uur, te vermeerderen met onder andere wachtdagcompensatie en reiskosten.

2.2.

Op 30 juli 2014 is [eiser] een bedrijfsongeval overkomen, doordat hij tijdens schiethamerwerkzaamheden van een trapje is gevallen. [eiser] heeft letsel aan zijn linker enkel/voet opgelopen (osteochondraal laesie).

2.3.

Interpolis, de aansprakelijkheidsverzekeraar van [gedaagde] , heeft op 18 november 2015 aansprakelijkheid voor het bedrijfsongeval erkend namens [gedaagde] . In de periode 2014 tot en met 2018 heeft Interpolis in totaal een bedrag van € 45.481,- aan [eiser] betaald aan voorschotten op schadevergoeding.

2.4.

In opdracht van [eiser] en Interpolis (namens [gedaagde] ) heeft een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden door arbeidsdeskundig bureau Radar. In het rapport van Radar van 14 april 2016 (productie 21 bij akte) staat, voor zover relevant, het volgende:

“[…]U vraagt mij ook rekening te houden met de ziekte van de echtgenote. Geobjectiveerde gegevens met betrekking tot haar belastbaarheid ontbreken.

[…]

De door betrokkene en zijn echtgenote gestelde inbreng in huishoudelijke taken in de situatie voor en sinds datum ongeval kan ik niet beoordelen.[…]

[…]

Voor datum ongeval

In de situatie voor datum ongeval was er geen sprake van externe huishoudelijke hulp. Alle (in het gezin) voorkomende huishoudelijke taken werden door betrokkene en zijn echtgenote verricht. Naar opgaaf van beide echtelieden nam betrokkene circa 80% van alle voorkomende taken voor zijn rekening, in combinatie met zijn werk in loondienst. Het aandeel van de echtgenote in huishoudelijke taken bedroeg circa 20%.

Sinds datum ongeval

[…]

Aan de hand van de informatie die ik hierover van betrokkene en zijn echtgenote verkreeg constateer ik dat er feitelijk sprake is van een andere taakverdeling. Mijn gesprekspartners gaven aan dat het aandeel van de echtgenote in huishoudelijke taken sinds datum ongeval circa 80% bedraagt. Binnen de mogelijkheden van zijn kunnen neemt betrokkene de resterende 20% voor zijn rekening.

[…]

Woonsituatie

Het gezin bewoont vanaf augustus 2011 de huidige huurwoning. Het betreft een rijtjeswoning. […]

Opleiding en arbeidsverleden

[…] Betrokkene beschikt over het diploma lts metselen en timmeren. Van 1995 – 2009 werkte hij als timmerman bij Lymbouw B.V. Nadat het dienstverband met deze werkgever eindigde ontving hij een WW-uitkering en kwam in aanmerking voor een omscholing tot ICT medewerker. Ondanks een afgegeven baangarantie deed hij in deze beroepsrichting geen werkervaring op. Van 2012 tot 2014 (datum ongeval) werkte hij bij meerdere werkgevers als timmerman. Werkende- en werkzoekende periodes wisselden elkaar af waarin betrokkene een WW- of WWB-uitkering ontving.

[…]”

2.5.

Verzekeringsarts A. van Gorsel van het UWV heeft op 25 mei 2016 een verzekeringsgeneeskundige rapportage opgesteld in het kader van de wet WIA (productie 8 bij akte). Hierin staat, voor zover relevant, het volgende:

“[…] Op grond van eigen onderzoek en anamnese werd een FML [ktr: Functionele Mogelijkheden Lijst] per ewt [ktr: einde wachttijd] opgesteld met psychische en fysieke (nek en linkerenkel sparende) beperkingen.

Psychische beperkingen gelden t.a.v. niet teveel deadlines, piekbelasting. Niet teveel conflicten. Vanwege doofheid rechter oor kan hij gesprekken in een lawaaiige omgeving moeizaam volgen. Verder beperking t.a.v. geen directe trillingen op nek/ rechterarm/linkerenkel. Geen zware beschermende middelen voor nek/linkerenkel.

Kan geen lange afstanden rijden, niet fietsen. […]

Er gelden beperkingen voor linkerenkel, die ook bij EZWB [ktr: eerstejaars Ziektewet-beoordeling] zijn aangegeven. Beperking in zwaar tillen/dragen, zware lasten hanteren, lopen, trappen lopen, duwen en trekken, klimmen, staan, geknield en/of gehurkt actief zijn. Vanwege nekklachten zijn er tevens beperkingen in reiken, werken met toetsenbord, frequent buigen, duwen en trekken, zwaar tillen/dragen, frequent lichte voorwerpen hanteren, frequent zware lasten hanteren, hoofdbewegingen maken, gebogen en/of getordeerd actief zijn, boven schouderhoogte actief zijn, het hoofd in een bepaalde stand houden tijdens werk.

[…]

3.2

Prognose functionele mogelijkheden

De verwachting is dat de medische situatie niet wezenlijk zal veranderen t.a.v. linkerenkel. Voor de nekklachten is hij nog onder behandeling.

De verwachting is dat de functionele mogelijkheden niet wezenlijk zullen veranderen t.a.v. de linkerenkel. Nek is nog in behandeling. […]”

2.6.

Arbeidsdeskundige L.C. Beks van het UWV heeft op 2 juni 2016 een rapport opgesteld in het kader van de beoordeling van het verzoek om een IVA-uitkering (productie 8 bij akte). Hierin staat, voor zover relevant, het volgende:

“De mate van arbeidsongeschiktheid van de heer [eiser] is vastgesteld op 100,00%.

Voordat hij ziek werd, werkte de heer [eiser] als timmerman bij uitzendbureau Multiservice voor 31,95 uur per week.

Het geïndexeerde uurloon bedraagt € 13,30.

Door fysieke klachten kan hij dit werk niet meer doen. Met name de beperkingen qua staan, lopen, knielen/ of hurken en tillen/dragen maken hem ongeschikt voor deze werkzaamheden.

De heer [eiser] zijn geen passende arbeidsmogelijkheden te duiden.

Ik heb geen voorbeelden van functies kunnen vinden die hieraan voldoen.

Het loonverlies ten opzichte van het eigen werk is daarom 100%. Daarom is de heer [eiser] voor 80-100% arbeidsongeschikt.

[…]

Er geldt geen beperking ten aanzien van het aantal te werken uren.

Er heeft overleg plaats gehad met de verzekeringsarts d.d. 02-06-2016:

Het overleg ging over het al dan niet aan de orde zijn van een IVA-uitkering.

Ik heb aangegeven dat cliënt louter op basis van beperkingen veroorzaakt door de li-enkel geen passende arbeidsmogelijkheden te duiden zijn.

[…]

De heer [eiser] heeft recht op een WIA-uitkering”

2.7.

[eiser] ontvangt een IVA-uitkering, aangevuld met een bijstandsuitkering, en staat onder bewind.

2.8.

Orthopedisch chirurg prof. dr. C.M. van Dijk (hierna: orthopeed Van Dijk) heeft [eiser] onderzocht. In zijn orthopedische expertise van 28 december 2016 (productie 13 bij akte) schrijft hij, voor zover relevant, het volgende:

“ […] Van de voorgeschiedenis valt te vermelden dat betrokkene voor het onderhavige ongeval nooit eerder enkelklachten had. Wel rond 2000 een meniscusoperatie. In december 2015 is een nekhernia geconstateerd waarvoor betrokkene 2x 20 mg oxycodon gebruikt. Daarnaast vermeldt de medische voorgeschiedenis v.a. 2012 een pseudoradiculair syndroom lumbaal weer opgelaaid in 12-2014.

[…]

Diagnose:

Posttraumatisch klein centraal osteochondraaldefect talusrol links als gevolg van een ongeval d.d. 30-07-2014. Een arthroscopie d.d. 04-03-2015 heeft geen verbetering gegeven. Betrokkene ervaart een functionele beperking t.a.v. staan en lopen. Betrokkene loopt met 2 elleboogskrukken. Bij onderzoek is er een beperkte enkelfunctie zowel actief als passie dorso/plantairflexie 0/0/30 t.o.v. rechts 20/0/40. Daarnaast is er sprake van een sterk antalgisch looppatroon. Er is geen atrofie noch op onderbeens- noch op bovenbeensniveau. Geen aanwijzing van trofische stoornissen.

Beperkingen:

[…]

Dit betekent klasse 1 graad E = 3% invaliditeit van de onderste extremiteit. Dit is 1% voor de gehele mens. Er is geen beperking t.a.v. zitten. Een lichte beperking t.a.v. staan en lopen. Een lichte beperking t.a.v. traplopen, klimmen en klauteren. Een matige beperking t.a.v. knielen, kruipen en hurken. Een lichte beperking t.a.v. tillen en dragen. Geen ongevalsgerelateerde beperkingen t.a.v. rug, nek of anderszins bovenste extremiteiten.

[…]

Er is nog geen eindtoestand bereikt. Er is enkele dagen geleden een CT-scan vervaardigd en door de behandelend orthopeed wordt gesproken van een mogelijke arthrodese [ktr: vastzetten van het enkelgewricht].

[…] Indien er sprake zou zijn van een arthrodese van de enkel dan zou dit, mits in neutrale positie, leiden tot een 10% invaliditeit van de onderste extremiteit (tabel 16-2 op blz. 508 klasse 1 graad C). Middels de grade modifiers zou dit dan in het gunstigste geval kunnen teruglopen tot 7 of 8 % invaliditeit van de onderste extremiteit.

[…]

Er bestonden voor het ongeval bij betrokkene geen klachten van de enkel en betrokkene heeft aangegeven nooit eerder een ongeval met de enkel te hebben doorgemaakt.

[…]

Het is niet aannemelijk dat er klachten zouden zijn geweest, het ongeval d.d. 30-07-2014 wegdenkend.[…]”

2.9.

Verzekeringsarts mevrouw M.M.F. Timmerhuis (hierna: verzekeringsarts Timmerhuis) heeft [eiser] onderzocht. In haar rapport van 17 juli 2018 (productie 14 bij akte) schrijft zij, voor zover relevant, het volgende:

“[…] Betrokkene krijgt om de 3 maanden intra-articulaire injecties. Hij draagt een artrodesekoker aan de linker enkel. Desondanks belast hij het linkerbeen weinig, waarschijnlijk door een bijkomend pijnsyndroom en/of in combinatie met een depressie/stressstoornis.

Er is reden beperkingen te duiden voor belasting van de linkerenkel.

Toelichting FML

Ik zie op dit moment nog geen reden betrokkene te beperken voor persoonlijk functioneren , omdat ten eerste niet duidelijk is of het ongevalsgevolg is. Dit betekent niet dat ik dit afwijs, maar dat ik het voorlopig parkeer. Er is wel een wederzijdse beïnvloeding. De pijnklachten van de enkel zorgt voor psychische klachten en vice versa.

Ik sluit niet uit dat de psychische begeleiding de belastbaarheid van de enkel gunstig beïnvloed omdat met een artrodesekoker het linkerbeen meer belast mag worden.

Ten aanzien van sociaal functioneren waren er pre-existente beperkingen. Betrokkene is doof aan het rechter oor. Betrokkene kan moeilijk omgaan met conflicten en heeft een beperkte coping.

Wat betreft vervoer kan betrokkene slechts korte afstanden rijden met een automatische transmissie door de enkelproblematiek.

Wat betreft aanpassing aan fysieke omgevingseisen is betrokkene beperkt voor trillingsbelasting op het rechter been. Op dit moment heb ik geen aanleiding beperkingen te duiden voor de nek, omdat daar geen problemen zijn. In het verleden is daar wel sprake geweest van cervicobrachialgie, waardoor het UWV beperkingen duidde voor beschermende middelen. Dit is een ongevalsvreemde beperking.

Wat betreft dynamische handelingen […]. Het opleidingsniveau en de leescapaciteit van betrokkene is zeer laag. Een arbeidsdeskundige dient dit zonodig wel mee te wegen als hij kijkt voor passende functies. Betrokkene is niet beperkt voor buigen, maar wel beperkt voor duwen, trekken, tillen en dragen vanwege het feit dat hij dan zijn voet schrap moet zetten en ook niet de voet kan flecteren, wat bij duwen en trekken wel moet geschieden. Betrokkene kan ongeveer 10 kilogramforce duwen en trekken. Betrokkene kan hetzelfde gewicht dragen. Betrokkene is niet beperkt voor het frequent hanteren van lichte voorwerpen. Hij kan niet ongeveer een uur per dag zware lasten hanteren.

Betrokkene is sterk beperkt voor lopen en gebruikt daarbij ook krukken. Betrokkene is sterkt beperkt voor lopen tijdens werk. Betrokkene is beperkt voor trap lopen, omdat hij toch een keer per dag zonodig op zolder kan komen.

Er is geen medische verklaring en noodzaak om op de knieën de trap op te gaan. Betrokkene is sterk beperkt voor klimmen en betrokkene kan niet hurken en kan slechts met het goede rechter been knielen.

Ten aanzien van statische houdingen is betrokkene beperkt voor staan: hij kan ongeveer een kwartier staan. Betrokkene kan ongeveer twee uur verdeeld over de dag met periodes van 5 minuten aaneengesloten staan tijdens werk. Betrokkene kan niet geknield of gehurkt actief zijn.

Strikt genomen is er geen reden tot het aannemen van een extra urenbeperking, omdat er geen sprake is van neurologische, psychiatrische of energetisch beperkende aandoeningen. Het slaappatroon overdag is geen medische essentie, maar vloeit voort uit gewenning en/of verveling. […]”

2.10.

[eiser] is in behandeling bij Psyq in Breda, onder andere bij gz-psycholoog
R. Brand (hierna: psycholoog Brand). Deze schrijft in een brief van 5 april 2019 (productie 11 bij akte) aan de medisch adviseur van [eiser] , J.A. Ribbens, het volgende:

“[…] Het betreft een 40-jarige man die zich aanmeldt met trauma gerelateerde klachten na een bedrijfsongeval, waarbij patiënt letsel heeft opgelopen aan zijn enkel. Patiënt rapporteert nachtmerries en herbelevingen, slaapproblemen, concentratieproblemen, prikkelbaarheid en somberheidsklachten. De klachten hebben een sterk negatieve invloed op patiënt zijn functioneren en patiënt ervaart problemen met het accepteren van de lichamelijke beperkingen als gevolg van het trauma. Classificerend is er sprake van een PTSS en een depressieve stoornis. […]”

Psycholoog Brand schrijft in zijn brief ook dat [eiser] verschillende medicijnen gebruikt.

2.11.

Partijen hebben overeenstemming bereikt over een psychiatrische expertise door psychiater drs. F.A.M. Klijn , werkzaam bij het UMC in Utrecht.

2.12.

Partijen zijn op 7 juni 2019 per e-mail (productie 1 bij conclusie van antwoord) overeengekomen dat Interpolis/ [gedaagde] een aanvullend voorschot van € 10.000,- op de persoonlijke schade van [eiser] betaalt en een aanvullend voorschot van € 7.500,- aan buitengerechtelijke kosten.

3. Het geschil in de hoofdzaak

3.1.

[eiser] heeft – na vermeerdering van eis – (samengevat) gevorderd:

primair:

  1. voor recht te verklaren dat [eiser] 100% arbeidsongeschikt is sinds het bedrijfsongeval;

  2. voor recht te verklaren dat er volledig causaal verband ex artikel 6:98 BW bestaat tussen het bedrijfsongeval van 30 juli 2014 en de 100% arbeidsongeschiktheid thans bij [eiser] , omdat er geen reden is, het bedrijfsongeval weggedacht, aan te nemen dat [eiser] dan ook schade zou hebben gehad en werkloos zou zijn gebleven;

subsidiair:

3. te bepalen dat psychiater dr. Klijn van het UMC Utrecht een voorlopig deskundigenonderzoek start naar de psychische schade bij [eiser] sinds en door het ongeval en de gevolgen daarvan, op kosten van Interpolis;

meer subsidiair:

4. te bepalen dat de arbeidsdeskundigen van Radar de totaalbehoefte aan huishoudelijke hulp en het verlies aan zelfwerkzaamheid en de schadepost verhuisbehoefte c.q. aanschaf van een traplift verder in kaart dienen te brengen, vanaf datum ongeval tot het 75e levensjaar van [eiser] , onder vermelding van wat uit de openbare middelen van de gemeente Breda (WMO-voorzieningen) is te verwachten;

5. voor recht te verklaren dat de totaalschade van [eiser] nu bedraagt € 421.731,- + p.m. en belastinggarantie en aan [eiser] toegekend dient te worden, rekening houdend met nog nader in te vullen pm-schadeposten, waarvoor de ad-onderzoekingen van Radar bepalend zullen zijn, welke totaalschade is onder te verdelen in onder andere:

- € 7.093,- + € 9.070,- + p.m. aan huishoudelijke hulp/verplaatste schade tot

1 januari 2019;

- een nader vast te stellen bedrag aan verlies zelfwerkzaamheid vanaf datum ongeval tot 1 januari 2019;

- € 2.000,- + p.m. aan toekomstige medische kosten + p.m. aan behoefte huishoudelijke arbeid en het verlies zelfwerkzaamheid vanaf 1 januari 2019 tot aan het 75e levensjaar van [eiser] ;

- € 2.583,18 aan gehandicaptenparkeerplaats tot aan het 75e levensjaar van [eiser] ;

- kosten van een verhuizing wegens blijvende immobiliteit dan wel de aanschaf van een traplift;

- € 360.975,- aan verlies arbeidsvermogen inclusief fiscale component vanaf datum ongeval tot aan de AOW-leeftijd van [eiser] ;

- € 40.000,- aan smartengeld;

- de wettelijke rente over de schadevergoeding vanaf de datum van het ongeval;

- € 31.617,25 aan buitengerechtelijke kosten (advocaat en medicus), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf opeisbaarheid;

- € 2.987,49 aan kosten van Rekenbureau NRL, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf datum opeisbaarheid;

6. het verstrekken van een schriftelijke belastinggarantie binnen vier weken na betekening eindvonnis, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag;

7. te bepalen dat het door Interpolis betaalde voorschotbedrag van € 45.381,- in mindering strekt op de gevorderde bedragen;

8. Interpolis [ktr: bedoeld zal zijn [gedaagde] ] te veroordelen tot betaling van de proceskosten, inclusief nakosten, te vermeerderen met de rente over de nakosten.

3.2.

[eiser] baseert zijn vordering op de aansprakelijkheid van [gedaagde] als (materieel) werkgever (artikel 7:658 lid 2 BW). [eiser] stelt in dit verband dat aan hem een arbeidsongeval is overkomen terwijl hij werkzaamheden uitvoerde in de uitoefening van het bedrijf van [gedaagde] , waardoor hij schade lijdt.

3.3.

[gedaagde] heeft – kort gezegd – de hoogte van de vordering betwist en heeft geconcludeerd tot afwijzing daarvan. Subsidiair heeft [gedaagde] aangevoerd dat er psychiatrisch onderzoek zal moeten worden verricht, vervolgens aanvullend verzekeringsgeneeskundig onderzoek en opvolgend arbeidsdeskundig onderzoek.

4. Het geschil in het incident

4.1.

[eiser] heeft gevorderd dat aan hem bij provisioneel vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een eenmalig voorschot op zijn totaalschade wordt toegekend van € 50.000,- netto, althans enig ander redelijk bedrag.

4.2.

[eiser] stelt dat de bevoorschotting met € 45.481,- op de totaalschade achterblijft. Hij voert hiervoor aan dat hij in de financiële problemen is gekomen na het ongeval van 2014 en door een malafide bewindvoerder en dat hij met zijn gezin met drie kinderen van € 80,- per week moet leven en van de voedselbank moet eten. Door aanvullende bevoorschotting met € 50.000,- kan [eiser] uit de bewindvoering komen en weer vrij over zijn geld beschikken.

4.3.

[verweerder] heeft – samengevat – als verweer aangevoerd dat met de betaling van (inmiddels) € 55.481,- aan voorschotten op de vergoeding van de persoonlijke schade van [eiser] zowel de materiële schade, de immateriële schade en de eventuele arbeidsvermogensschade van [eiser] tot heden ruimschoots is gecompenseerd.

5. De beoordeling

Ontvankelijkheid

5.1.

De goederen van [eiser] zijn onder bewind gesteld. In het centraal curatele- en bewindregister staat niet vermeld wanneer het bewind is ingesteld. Op grond van artikel 1:441 lid 1 BW vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. Hieruit volgt dat de vordering had moeten worden ingesteld door de bewindvoerder, voor zover ten tijde van de dagvaarding al sprake was van bewind, dan wel had moeten worden overgenomen door de bewindvoerder. Dit is niet gebeurd, zodat [eiser] in beginsel niet-ontvankelijk is in zijn vordering. De kantonrechter ziet echter aanleiding om [eiser] in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen door alsnog bij akte hetzij een bewijs van instemming van de bewindvoerder met het voeren van deze procedure, hetzij een machtiging van de kantonrechter over te leggen.

5.2.

Voor het geval de bewindvoerder instemt met het (verder) voeren van deze procedure, dan wel voor zover [eiser] alsnog een machtiging van de kantonrechter voor het (verder) voeren van deze procedure overlegt, wordt alvast het volgende overwogen.

In het incident

5.3.

[eiser] heeft voldoende processueel belang bij de incidentele vordering op grond van artikel 223 Rv. De gevraagde voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdvordering en is gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven. Derhalve moet worden beoordeeld of een afweging van de materiële belangen van partijen de gevorderde maatregel rechtvaardigt. Bij een voorziening in de vorm van betaling van een geldsom is dat in verband met het restitutierisico meestal alleen het geval indien de vordering tot het beloop van het gevorderde voorschot voldoende vaststaat of op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld.

5.4.

Uit het als productie 17 bij akte overgelegde schadeoverzicht is af te leiden dat een deel van de schade betrekking heeft op de psychische problematiek van [eiser] , waaronder een deel van het bedrag van € 40.000,- aan smartengeld. Partijen zijn het er in beginsel over eens dat er nog psychiatrisch onderzoek moet plaatsvinden om te kunnen vaststellen wat de psychische gevolgen van het ongeval voor [eiser] zijn. Pas daarna kan worden bepaald of er sprake is van psychische schade als gevolg van het ongeval en zo ja, hoe groot deze schade is. In het kader van de gevraagde voorlopige voorziening staat op dit moment dan ook niet voldoende vast dat [eiser] psychische schade lijdt als gevolg van het ongeval, althans niet in de mate die hij stelt, zodat er geen aanleiding bestaat nu een (aanvullend) voorschot op de vergoeding van psychische schade toe te kennen.

5.5.

Het grootste deel van de gevorderde schadevergoeding, € 360.975,-, bestaat uit een vergoeding voor het verlies aan arbeidsvermogen. Uit de rapporten van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts van het UWV is af te leiden dat sprake is van beperkingen aan de linkerenkel van [eiser] die maken dat [eiser] volledig arbeidsongeschikt is in de zin van de WIA. [verweerder] heeft hiertegen aangevoerd dat bij [eiser] sprake is van andere medische problemen die ook zonder ongeval tot arbeidsongeschiktheid voor het maatgevende werk van timmerman geleid zouden kunnen hebben.

5.6.

De regels die gelden voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de WIA zijn niet gelijk aan de normen waaraan een vordering vanwege verlies aan verdienvermogen als gevolg van een onrechtmatige daad moet worden getoetst. Bij de beoordeling van de mate van verlies aan arbeidsvermogen is relevant dat orthopeed Van Dijk de invaliditeit van het linkerbeen van [eiser] in zijn rapport heeft vastgesteld op 3% of 7% tot 10% als wordt overgegaan tot arthrodese. Voorts is van belang dat uit de overgelegde stukken is af te leiden dat [eiser] (in ieder geval in het verleden) te kampen heeft gehad met andere medische klachten, te weten een recidiverend lumbaal pseudoradiculair syndroom vanaf 2012 en een nekhernia sinds december 2015. Deze klachten zouden van invloed kunnen zijn op het verdienvermogen van [eiser] . Ook hiernaar moet nog nader onderzoek worden gedaan. Tot slot geldt ook voor het bepalen van het verlies aan verdienvermogen dat er eerst duidelijkheid moet komen over het gestelde verband tussen de psychische problemen van [eiser] en het ongeval. Dit alles leidt tot de conclusie dat op dit moment niet op eenvoudige wijze kan worden vastgesteld wat het verlies aan verdienvermogen is dat verband houdt met het ongeval.

5.7.

[verweerder] , althans diens verzekeraar, heeft inmiddels een bedrag van € 45.481,- dan wel € 55.481,- aan voorschotten op de vergoeding van de persoonlijke schade aan [eiser] betaald. Bij de huidige stand van zaken staat onvoldoende vast dat de schade die [verweerder] als gevolg van het ongeval van 30 juli 2014 aan [eiser] moet vergoeden hoger zal zijn dan het bedrag dat op dit moment al is uitgekeerd en dit kan binnen het kader van dit incident ook niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld. De gevorderde provisionele vordering zal daarom worden afgewezen indien en voor zover de bewindvoerder instemt met het (verder) voeren van deze procedure dan wel indien en voor zover de kantonrechter [eiser] machtigt om verder te procederen.

5.8.

[eiser] zal in dat geval als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in het incident worden veroordeeld. Aangezien het verweer in het incident grotendeels samenvalt met het verweer in de hoofdzaak, worden de proceskosten in het incident vastgesteld op nihil.

In de hoofdzaak

5.9.

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] lijdt als gevolg van het ongeval van 30 juli 2014. Als uitgangspunt voor de vaststelling van de schade geldt dat [eiser] zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis achterwege was gebleven. Zoals in het incident al is overwogen, dient eerst vast komen te staan wat de fysieke en psychische beperkingen van [eiser] zijn als gevolg van het ongeval. Vervolgens zal moeten worden vastgesteld wat de schade is die [eiser] hierdoor lijdt. Zoals partijen hebben aangevoerd, zal om te beginnen een psychiatrisch onderzoek moeten plaatsvinden, zodat kan worden beoordeeld wat de psychische gevolgen van het ongeval voor [eiser] zijn. Mogelijk zal daarna nog een verzekeringsgeneeskundig onderzoek moeten plaatsvinden om de fysieke beperkingen als gevolg van het ongeval vast te kunnen stellen. Wanneer deze informatie compleet is, is wellicht nog onderzoek door een arbeidsdeskundige nodig. Pas dan zal vastgesteld kunnen worden wat de uitgangspunten moeten zijn voor de uiteindelijke berekening van de schade van [eiser] .

5.10.

De kantonrechter is voornemens om allereerst een psychiatrisch deskundigenbericht te gelasten. Partijen zijn het eens over de te benoemen deskundige, te weten psychiater drs. F.A.M. Klijn , werkzaam bij het UMC. Uit proceseconomisch oogpunt zullen partijen, vooruitlopend op de instemming van de bewindvoerder dan wel de machtiging van de kantonrechter, alvast in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over de aan de te benoemen deskundige voor te leggen vragen, bij voorkeur nadat zij daarover onderling overleg hebben gehad en zo mogelijk overeenstemming hebben bereikt. Partijen wordt in overweging gegeven om aansluiting te zoeken bij de zogenoemde IWMD-vraagstelling.

5.11.

In de gegeven omstandigheden, te weten de aansprakelijkheid van [gedaagde] voor de gevolgen van het arbeidsongeval, wordt aanleiding gezien om te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundige door (de verzekeraar van) [gedaagde] moet worden betaald.

5.12.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6. De beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rolzitting van 11 juni 2020 voor het nemen van een akte door [eiser] waarin hij hetzij een bewijs van instemming van zijn bewindvoerder met deze procedure overlegt, hetzij een machtiging van de kantonrechter voor het voeren van de onderhavige procedure;

en, in het geval dat [eiser] instemming van zijn bewindvoerder heeft dan wel een machtiging van de kantonrechter om de procedure voort te zetten:

in het incident:

houdt iedere verdere beslissing aan;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 11 juni 2020 voor het nemen van een akte na tussenvonnis door beide partijen waarin zij zich uitlaten als bedoeld in rechtsoverweging 5.10;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

424