Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:4183

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-04-2020
Datum publicatie
08-05-2020
Zaaknummer
C/10/584296 / JE RK 19-3203 & C/10/594223 / JE RK 20-907
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging ondertoezichtstelling en vervanging gecertificeerde instelling. Gewezen t.t.v. corona-maatregelen.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/584296 / JE RK 19-3203 & C/10/594223 / JE RK 20-907

datum uitspraak: 14 april 2020

beschikking verlenging ondertoezichtstelling en vervanging gecertificeerde instelling

in de zaken van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

en

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI JBRR, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2014 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,

[naam minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2016 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:


- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 30 oktober 2019 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

- de brief van de GI JBRR van 31 maart 2020, ingekomen bij de griffie op 1 april 2020;

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI JBRR van 31 maart 2020, ingekomen bij de griffie op 1 april 2020;

- de brief met bijlagen van de Raad van 3 april 2020, ingekomen bij de griffie op 7 april 2020.

De mondelinge behandeling van de verzoeken was gepland op 14 april 2020. Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. De kinderrechter heeft de volgende personen telefonisch, in een zogenoemde conference call, gehoord, in aanwezigheid van de griffier:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. E.J. Coxon,

- de vader,

- een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam vertegenwoordigster 1] ,

- een vertegenwoordigster van de GI JBRR, mw. [naam vertegenwoordigster 2] .

Omdat het maximum aantal personen waarmee in een conference call kan worden gesproken vijf is, is besloten de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering (hierna: de GI LdH) niet te horen, mede omdat de GI LdH nog niet betrokken is bij het gezin.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij de moeder.

Bij beschikking van 30 oktober 2019 zijn [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 30 april 2020. Het overig verzochte is aangehouden.

De verzoeken

C/10/584296 / JE RK 19-3203
De Raad heeft een ondertoezichtstelling verzocht voor de duur van een jaar. Thans resteert het aangehouden deel, te weten een verdere ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden.

C/10/594223 / JE RK 20-907

De GI JBRR heeft verzocht om haar te vervangen door de GI LdH, gevestigd te Rotterdam.

De standpunten

De Raad heeft het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Er is geen uitvoering gegeven aan de ondertoezichtstelling. De GI JBRR zou de zaak vanwege een integriteitskwestie overdragen aan de GI LdH, maar dit is niet gebeurd. De zorgen die er waren ten tijde van de zitting van 30 oktober 2019 zijn daardoor nog onverminderd aanwezig.

De GI JBRR heeft haar verzoek gehandhaafd en bevestigd wat de Raad naar voren heeft gebracht. Een ex-partner van de vader is werkzaam bij de GI JBRR, daarom wil de GI JBRR geen uitvoering geven aan de ondertoezichtstelling. Er heeft het afgelopen half jaar geen hulpverlening plaatsgevonden. Het gezin is nog niet aangemeld voor hulpverlening. De GI JBRR denkt dat de inzet van Kinderen uit de Knel en het omgangshuis passend kunnen zijn, maar vraagt zich wel af of dat op dit moment mogelijk is in combinatie met de traumabehandeling die [voornaam minderjarige 1] volgt.

Namens en door de moeder is gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. Er is naar voren gebracht dat het openbaar ministerie heeft besloten om de moeder niet strafrechtelijk te vervolgen naar aanleiding van de aangifte die de vader tegen haar heeft gedaan. De strafvervolging naar aanleiding van de aangifte van de moeder tegen de vader wordt wel voortgezet. Het is voor de moeder lastig om de vader te bereiken wanneer zij zijn toestemming nodig heeft ten behoeve van praktische zaken rondom de kinderen.

De vader heeft te kennen gegeven het eens te zijn met voortzetting van de ondertoezichtstelling. De vader wil graag zijn kinderen weer zien. Daarnaast ervaart hij moeilijkheden wanneer hij bijvoorbeeld de psychologische rapportages van [voornaam minderjarige 1] wil inzien, omdat de moeder hier geen toestemming voor geeft. De vader heeft benadrukt dat de beschuldigingen van de moeder niet waar zijn.

De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat in deze zaak telefonisch horen voldoende is om tot een goed oordeel te komen over de verzoeken en zal daarom een beslissing nemen, zonder verdere mondelinge behandeling.

Uit de overgelegde stukken en wat telefonisch naar voren is gebracht is gebleken dat de situatie nagenoeg ongewijzigd is ten aanzien van de situatie ten tijde van de beschikking van 30 oktober 2019. Er is nog altijd sprake van ernstige echtscheidingsproblematiek tussen de ouders. Zij zijn niet in staat om met elkaar te communiceren en zij wantrouwen elkaar als ouder. Omdat de vader een relatie heeft gehad met een werknemer van de GI JBRR, was de GI JBRR voornemens om de zaak over te dragen aan de GI LdH. Dit is echter niet gebeurd, waardoor er feitelijk geen uitvoering is gegeven aan de ondertoezichtstelling en [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] nog altijd ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderrechter acht deze gang van zaken zeer kwalijk en is van oordeel dat zo spoedig mogelijk passende hulpverlening moet worden ingezet.

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengen voor de resterende duur van zes maanden.

Gelet op geschetste omstandigheden dient de GI JBRR te worden vervangen door de GI LdH. Aangezien de kinderen heel jong zijn en zij al lange tijd geen contact hebben met hun vader, benadrukt de kinderrechter dat het van groot belang is dat er zo spoedig mogelijk een jeugdbeschermer vanuit de GI LdH beschikbaar is die met de ouders aan de slag gaat.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] tot 30 oktober 2020;

vervangt de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond door de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gevestigd te Rotterdam;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2020 door mr. M.J.M. Marseille, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.F. Verhaart als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 24 april 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.