Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2020:4177

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2020
Datum publicatie
12-05-2020
Zaaknummer
KTN-8063295_30042020
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

huur; ontbinding en ontruiming; aanbod nieuwe huurovereenkomst; huurprijsverhoging; gebreken; schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 8063295 \ CV EXPL 19-6367

uitspraak: 30 april 2020

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] , gemeente [gemeente 1] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. W.W.H. de With,

tegen

1. [gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats gedaagden] , gemeente [gemeente 2] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

gemachtigde: mr. L.A. Jansen.


Eiseres wordt hierna ook aangeduid als “ [eiseres] ” en gedaagden als “ [gedaagde 1] ”, “ [gedaagde 2] ” en gezamenlijk als “ [gedaagde 1] c.s.”.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit het volgende:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 19 september 2019, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 28 november 2019 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

  • -

    de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door [gedaagde 1] c.s. in het geding gebrachte productie;

  • -

    de akte van [gedaagde 1] c.s.;

  • -

    de aantekening dat op 3 januari 2020 de mondelinge behandeling is gehouden.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Uitgegaan wordt van de volgende feiten:

  1. Tussen partijen is per 1 mei 1997 een huurovereenkomst tot stand gekomen voor de woning aan de [adres] te Puttershoek, gemeente Hoeksche Waard (hierna: het gehuurde), tegen een bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van laatstelijk € 1.150,- per maand.

  2. Op 29 januari 2018 heeft Seton B.V. loodgieter & dakbedekkingsbedrijf (hierna: Seton)

schriftelijk het volgende verklaard:
Na een dak-inspectie zijn wij tot de volgende bevindingen gekomen:

Het dak is +/- 23 jaar oud en vertoont veel craquelé in de toplaag en er is in diverse dakbanen krimp waargenomen. Deze naden zijn afgekit, waardoor er misschien een tijdelijke lekkage voorkomen is.

Verder is de lekkage van de lichtkoepel in de badkamer op een onprofessionele wijze gerepareerd, maar is wel dicht.

De lekkage van de mechanische afzuiging boven het bad is door middel van kit dichtgemaakt. Dit is 2 weken dicht geweest, maar is weer gaan lekken, wat niet verwonderlijk is.

Om ernstige lekkages in de nabije toekomst te voorkomen is een renovatie van het dak op korte termijn gewenst.

3. Op 24 december 2018 is door Seton een noodreparatie uitgevoerd aan het dak. Op dezelfde datum heeft Seton een offerte opgesteld voor het uitvoeren van werkzaamheden aan het dak voor een bedrag van € 8.220,- ex btw.

4. In een eerdere procedure met zaaknummer 643208 \ CV EXPL 17-7972 is [gedaagde 1] c.s. bij vonnis van 29 maart 2018, waartegen door geen van partijen hoger beroep is ingesteld, veroordeeld tot betaling van de huurachterstand tot en met de maand januari 2018 van € 4.600,- met rente en (proces)kosten uiterlijk binnen één maand na het vonnis. [gedaagde 1] c.s. heeft het totaalbedrag van € 7.464,73 op 30 april 2018 (onder protest) betaald.

5. Omstreeks maart 2019 is het dak van het gehuurde gerepareerd door Seton, waarmee de lekkage is verholpen.

6. Op 10 april 2019 heeft [naam persoon] (hierna: [naam persoon] ) de waterschade in woonkamer, gang en badkamer begroot op een bedrag van € 7.865,- inclusief btw.

7. Bij rapport van 11 april 2019 heeft de door de opstalverzekeraar van [eiseres] ingeschakelde expert van CED Claims Management/Expertise (hierna: CED) de (verzekerde) schade begroot op € 3.600,-.

8. Op 4 mei 2019 heeft [gedaagde 1] c.s. een klachtbrief verzonden aan [eiseres] waarin hij haar heeft verzocht binnen 6 weken de genoemde gebreken te laten herstellen door aannemer [naam persoon] (hierna: [naam persoon] ) en binnen 7 dagen op de brief te reageren.

9. Bij brief van 5 juni 2019 heeft [eiseres] aan [gedaagde 1] c.s. een nieuwe huurovereenkomst aangeboden en aangezegd dat de maandelijkse huurprijs met ingang van 1 juli 2019 zou worden verhoogd met € 50,- per maand tot een bedrag van € 1.200,- vanwege de recente verbeteringen bestaande uit de plaatsing van een nieuwe CV-ketel en de renovatie van het dak. [gedaagde 1] c.s. is daarbij verzocht om uiterlijk 17 juni 2019 schriftelijk mede te delen of hij kon instemmen met de nieuwe overeenkomst. [gedaagde 1] c.s. heeft hier niet op gereageerd.

10. Bij aangetekende brief van 20 juni 2019 aan zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] heeft [eiseres] de huurovereenkomst, met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden, opgezegd per 31 december 2019. De brieven zijn door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geweigerd en ongeopend retour gekomen.

11. Bij deurwaardersexploot van 1 juli 2019 heeft [eiseres] de eerder aangetekend verzonden brief aan [gedaagde 1] c.s. van 20 juni 2019 aan [gedaagde 1] c.s. laten betekenen. Daarbij is [gedaagde 1] c.s. een termijn van 6 weken gegeven om schriftelijk mede te delen of hij zou instemmen met beëindiging van de huurovereenkomst.

3. De vordering, de grondslag en het verweer

In conventie:

3.1

[eiseres] heeft gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de huurovereenkomst te beëindigen en in goede justitie de datum te bepalen waarop de huurovereenkomst zal eindigen, met veroordeling van [gedaagde 1] c.s. om, na betekening van dit vonnis, op deze datum het gehuurde, met al de hunnen en al het hunne, te ontruimen en te verlaten en door overgave der sleutels ter vrije en algehele beschikking van [eiseres] te stellen, met machtiging van [eiseres] om zo nodig zelf die ontruiming te doen bewerkstelligen met behulp van justitie en politie, zulks op kosten van [gedaagde 1] c.s.;

  2. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om aan [eiseres] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen:

a. een bedrag van € 2.450,- en de verschenen rente tot en met 16 september 2019 van € 18,20;

b. de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 17 september 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

c. een bedrag van € 367,50 inclusief btw aan buitengerechtelijke kosten;

[gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen om aan [eiseres] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen de krachtens de huurovereenkomst verschuldigde huurtermijnen van € 1.200,- per maand, te rekenen vanaf 1 oktober 2019 tot aan de datum van beëindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde en waarbij een ingetreden maand als een volle maand wordt gerekend;

[gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis.

3.2

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiseres] aan haar eis het volgende ten grondslag gelegd. [gedaagde 1] c.s. is uit hoofde van de overeenkomst gehouden tot betaling van de verschuldigde huur. Bij brieven van 17 mei 2019 en 5 juni 2019 is een huurverhoging van € 50,- per maand aangezegd. Daarnaast is een nieuwe huurovereenkomst aangeboden. De reden hiervoor was gelegen in recente verbeteringen, de plaatsing van een nieuwe CV-ketel, de renovatie van het dak en het feit dat de huur al vijf jaar lang niet was verhoogd. Nu [gedaagde 1] c.s. niet binnen de gestelde termijnen heeft gereageerd met betrekking tot de aangeboden nieuwe huurovereenkomst respectievelijk niet heeft ingestemd met de verzochte beëindiging van de huurovereenkomst, verzoekt [eiseres] de kantonrechter ex artikel 7:272 BW een datum vast te stellen waarop de huurovereenkomst zal eindigen.

3.3

[gedaagde 1] c.s. heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Op hetgeen hij in dit kader heeft aangevoerd, zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan.

In reconventie:

3.4

[eiser] c.s. heeft – na wijziging en vermeerdering van eis – gevorderd om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [verweerster] te veroordelen om aan hem, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen een bedrag van € 13.485,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2019, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;

  2. [verweerster] te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze niet binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis zijn voldaan.

3.5

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] c.s. aan zijn eis het volgende ten grondslag gelegd. Als gevolg van een lekkage is schade ontstaan in het gehuurde. [verweerster] dient deze schade te herstellen, maar heeft ondanks hier verschillende malen op te zijn gewezen niet gereageerd. [eiser] c.s. verzoekt dan ook om vergoeding van de door hem geleden schade. [eiser] c.s. beschikt niet over een inboedelverzekering. Nu de lekkage het gevolg is van het niet tijdig uitvoeren van noodzakelijk onderhoud door [verweerster] , waarmee zij bekend was en hetgeen haar kan worden toegerekend, dient zij deze schade te vergoeden.

3.6

[verweerster] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Op hetgeen zij in dit kader heeft aangevoerd, zal – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil worden ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil

In conventie

4.1

[eiseres] heeft allereerst gevorderd een datum vast te stellen waarop de huurovereenkomst tussen partijen zal eindigen, nu zij de overeenkomst heeft opgezegd omdat [gedaagde 1] c.s. niet heeft ingestemd in een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst met betrekking tot dezelfde woonruimte en [gedaagde 1] c.s. haar niet binnen zes weken heeft bericht dat hij met de beëindiging instemt. Partijen zijn het erover eens dat sprake is van geliberaliseerde woonruimte, zodat deze vordering – ook, indien zoals hier het geval is, het aanbod (mede) ziet op een wijziging van de huurprijs – op grond van artikel 7:272 lid 2 BW jo. 7:274 lid 1 sub d BW toewijsbaar is indien sprake is van een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst.

Daarvan is sprake. Geen van partijen beschikt over de oude huurovereenkomst van mei 1997, zodat [eiseres] er een gerechtvaardigd belang bij heeft de huurovereenkomst schriftelijk vastgelegd te hebben. [gedaagde 1] c.s. heeft bezwaar gemaakt tegen de nieuwe algemene bepalingen. Dat in de nieuwe bepalingen is voorzien in een jaarlijkse indexering van de huurprijs, hetgeen wettelijk is toegestaan, maakt de nieuwe huurovereenkomst niet onredelijk. Ten aanzien van de overige bepalingen is door [gedaagde 1] c.s. niet onderbouwd waarom deze niet redelijk zouden zijn.
De huurverhoging van € 50,- per maand is evenmin als onredelijk aan te merken. Nog daargelaten dat de woning in die zin is verbeterd dat inmiddels de dakrenovatie heeft plaatsgevonden en een nieuwe CV-ketel is geplaatst, gaat het om een verhoging van 4,35%, nadat de huur de voorafgaande vijf jaren niet was verhoogd. [gedaagde 1] c.s. hebben niet gemotiveerd betwist dat een huurprijs van € 1.200,- per maand marktconform is zodat aan [eiseres] niet kan worden tegengeworpen dat zij geen taxatierapport heeft overgelegd.

Al met al was sprake van een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst.

4.2

Nu sprake is geweest van een redelijk aanbod tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst en [gedaagde 1] c.s. hier niet binnen zes weken mee heeft ingestemd, kan de gevorderde ontbinding worden toegewezen. Gelet op het verzoek van [gedaagde 1] c.s. ziet de kantonrechter echter in de omstandigheden van het geval aanleiding hem op grond van het bepaalde in artikel 7:274 lid 6 BW nog een termijn van een maand te gunnen om alsnog het aanbod te aanvaarden. Voor het geval dat [gedaagde 1] c.s. hiervan geen gebruik maakt, zal de kantonrechter bepalen dat de huurovereenkomst eindigt per 1 juli 2020, welke datum tevens het tijdstip van de ontruiming is als bedoeld in artikel 7:273 lid 2 BW.

4.3

De gevorderde machtiging om de ontruiming (in dat geval) zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie en politie zal worden afgewezen. Immers is de deurwaarder op grond van de artikelen 556 lid 1 en 557 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, zonder rechterlijke tussenkomst, bevoegd de hulp van de sterke arm van de politie in te roepen, waarbij de kosten van de ontruiming ingevolge het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders voor rekening van gedaagde komen.

4.4

Voorts dient beoordeeld te worden of en, zo ja, vanaf wanneer de door [eiseres] gestelde huurverhoging is ingegaan of ingaat. Op grond van het bepaalde in artikel 7:252 BW moet een voorstel tot wijziging van de huurprijs schriftelijk en ten minste twee maanden voor de voorgestelde ingangsdatum worden gedaan. [eiseres] heeft een brief overgelegd van 17 mei 2019 waarin zij [gedaagde 1] c.s. aanzegt dat de maandelijkse huurprijs met ingang van 1 juli 2019 zal worden verhoogd met € 50,-. [gedaagde 1] c.s. heeft echter betwist deze brief te hebben ontvangen. In de brief van 5 juni 2019, waarvan [gedaagde 1] c.s. de ontvangst wel heeft erkend, is [gedaagde 1] c.s. wederom bericht over de huurverhoging. Voor beide brieven geldt dat de voorgeschreven termijn van twee maanden niet in acht is genomen, zodat de huurverhoging in elk geval niet per 1 juli 2019 kan zijn ingegaan.

4.5

Niet is gesteld of gebleken dat [gedaagde 1] c.s. de huurcommissie binnen vier maanden nadat de verhoging van de huurprijs blijkens het voorstel in had moeten gaan heeft verzocht uitspraak te doen over de redelijkheid van het voorstel. Dat [eiseres] na haar brief van 5 juni 2019 niet ook nog binnen drie maanden na de voorgestelde ingangsdatum een aangetekende brief met hetzelfde voorstel heeft gestuurd, is in de onderhavige zaak niet van belang nu vaststaat dat [gedaagde 1] c.s. van de (per gewone post verzonden) brief van 5 juni 2019 kennis heeft genomen en dus door het niet verzenden van een aangetekende brief niet in zijn belangen is geschaad. Bij gebreke van een verzoek van [gedaagde 1] c.s. aan de huurcommissie als hiervoor bedoeld, wordt [gedaagde 1] c.s. ingevolge artikel 7:253 lid 3 BW geacht de voorgestelde verhoging van de huurprijs te zijn overeengekomen, zij het dat de verhoging niet is ingegaan op 1 juli 2019, maar, gelet op de minimaal in acht te nemen termijn, eerst op 1 september 2019. Vanaf die datum is de nieuwe huurprijs van € 1.200,- per maand verschuldigd.

4.6

Ten aanzien van de gevorderde huurachterstand heeft [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling erkend dat op dat moment nog ‘slechts’ sprake was van één maand huurachterstand alsmede een bedrag van € 350,- (7 x € 50,- aan huurverhoging over de maanden juli 2019 tot en met januari 2020). [gedaagde 1] c.s. heeft erkend een maand huur onbetaald te hebben gelaten, maar beriep zich aanvankelijk op opschorting vooruitlopend op verrekening met hierna nog te bespreken kosten van herstel van gebreken. Nu [gedaagde 1] c.s. zich in de onderhavige procedure niet (langer) op verrekening beroept, dient de huur betaald te worden. Dit bedrag van € 1.150,- zal dan ook worden toegewezen. Nu reeds is geoordeeld dat de huurverhoging geldt vanaf de maand september 2019 is [gedaagde 1] c.s. voorts over de maanden september 2019 tot en met januari 2020 een bedrag van € 250,- (5 x € 50,-) aan verhoging verschuldigd. In totaal is derhalve een bedrag van € 1.400,- aan hoofdsom toewijsbaar.

4.7

De gevorderde huurtermijnen van € 1.200,- per maand voor iedere maand tot aan de datum van beëindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde en waarbij een ingetreden maand als een volle maand wordt gerekend, zullen worden toegewezen, zij het vanaf de maand februari 2020 en zij het alleen voor zover de huurovereenkomst – bij niet gebruik maken van de te geven terme de grâce – daadwerkelijk zal eindigen en ontruiming zal plaatsvinden. Voor zover [gedaagde 1] c.s. wel gebruik maakt van de terme de grâce geldt dat zij de huurprijs van thans € 1.200,- per maand uiteraard ook elke maand tijdig bij vooruitbetaling zal moeten (blijven) voldoen.

4.8

[eiseres] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in de aanmaning van 11 juni 2019 aan [gedaagde 1] c.s. een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist op grond van het bepaalde in artikel 6:96 lid 6 BW. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2704). De zinsnede: “… binnen 15 dagen na dagtekening van deze brief” voldoet niet.

4.9

De onweersproken gebleven rente zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen op de wijze als in het dictum weergegeven.

4.10

[gedaagde 1] c.s. zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

In reconventie

4.11

[eiser] c.s. vordert na vermeerdering van eis een bedrag van € 13.485,- aan schadevergoeding. Hij heeft dit bedrag onderbouwd met een rapport van 10 april 2019 van [naam persoon] , die de schade begroot op een bedrag van € 7.865,- inclusief btw, en vervolgens met een rapport van 20 januari 2020 van Humida, die de schade begroot op een bedrag van € 13.485,- inclusief btw.

4.12

Voor zover er sprake is van schades aan de opstal, is dit aan te merken als gebreken aan het gehuurde ten aanzien waarvan [verweerster] op grond van artikel 7:206 BW zorg dient te dragen voor herstel. [verweerster] heeft bij brief van 5 juni 2019 te kennen gegeven de waterschade aan de plafonds in de woonkamer, de hal en de badkamer (inclusief gipsplaten vervangen en sauswerk) te willen (laten) herstellen door een door haar aangewezen aannemer Heel & Goed. Ook heeft zij een offerte aangevraagd bij de door [eiser] c.s. voorgestelde partij [naam persoon] , maar [verweerster] stelt hiervoor niet te hebben gekozen omdat [naam persoon] niet wilde voldoen aan haar verzoek tot het verstrekken van een gespecificeerde offerte en zijn KvK-nummer niet wilde geven. Vervolgens heeft [verweerster] - onbetwist - met [eiser] c.s. verschillende afspraken gemaakt voor het herstel van de gebreken door Heel & Goed, maar [eiser] c.s. heeft deze volgens [verweerster] telkenmale afgezegd en op een gegeven moment te kennen gegeven niet in te zullen stemmen met herstel door Heel & Goed. Ook dit is door [eiser] c.s. niet weersproken. [verweerster] heeft terecht aangevoerd dat het in beginsel aan de verhuurder is om te bepalen wie de werkzaamheden uitvoert. Door [eiser] c.s. is niet onderbouwd waarom Heel & Goed de werkzaamheden niet goed zou kunnen uitvoeren. Dat [verweerster] ten aanzien van voornoemde gebreken heeft geweigerd het herstel uit te voeren en dat zij daarmee in verzuim is, is gelet op het voorgaande niet komen vast te staan. Ten aanzien van deze gebreken zal de door [eiser] c.s. gevorderde schadevergoeding dan ook worden afgewezen.
Dit neemt overigens niet weg dat [verweerster] nog altijd gehouden is aanwezige gebreken te herstellen, maar een beslissing daarover is in deze procedure niet gevraagd.

4.13

[eiser] c.s. vraagt voorts vergoeding van schade aan zijn eigendommen. Op grond van het bepaalde in artikel 7:208 BW is de verhuurder gehouden tot het vergoeden van de door een gebrek veroorzaakte schade indien het gebrek lopende de overeenkomst is ontstaan en aan hem is toe te rekenen. [verweerster] heeft betwist dat de schade aan haar kan worden toegerekend. Zij stelt dat sprake is geweest van een andere lekkage dan die welke in maart 2019 is verholpen. Dit is echter in zoverre niet relevant, nu uit het onbetwist bij [verweerster] begin 2018 bekende advies van Seton van 29 januari 2018 genoegzaam volgt dat een renovatie van het dak op korte termijn van belang is om ernstige lekkages in de nabije toekomst te voorkomen. Seton concludeert dat het gehele dak is verouderd en eerdere lekkages op onprofessionele wijze zijn gerepareerd. Door vervolgens ruim een jaar te wachten met het (laten) verrichten van werkzaamheden aan het dak heeft [verweerster] het voorzienbare risico genomen dat er lekkages zouden ontstaan als de onderhavige (de lekkage van 24 december 2018) en dat [eiser] c.s. daarvan schade zou ondervinden. Dat de lekkage is ontstaan kan [verweerster] dan ook worden toegerekend.

4.14

[verweerster] heeft aangevoerd dat [eiser] c.s. zich voor inboedelschade kan wenden tot zijn inboedelverzekering, maar [eiser] c.s. heeft onweersproken gesteld dat hij hierover niet beschikt en gesteld noch gebleken is dat partijen een verplichting tot het aangaan van een dergelijke verzekering zijn overeengekomen. Derhalve kan [eiser] c.s. [verweerster] aanspreken.

4.15

Vervolgens is de vraag welke schade [eiser] c.s. exact heeft geleden en of de door hem gevorderde kosten van herstel redelijk zijn. Voor de door Humida vermelde herstelwerkzaamheden aan het gipsplatenplafond in de woonkamer, hal en badkamer, inclusief het vervangen van de gipsplaten en het sauswerk, geldt hetgeen hierboven onder 4.12 is overwogen. [verweerster] dient voor herstel zorg te dragen. Schadevergoeding voor deze posten kan bij de huidige stand van zaken niet worden toegewezen.

Ten aanzien van de posten ‘vervanging van kleding, schoenen c.q. stomerijkosten’ (€ 1.000,-), ‘waardevermindering schilderijen’ (€ 250,-) en ‘fauteuils maken deel uit van een bankstel. Nieuw bankstel’ (€ 1.750,-) geldt dat [eiser] c.s. geen onderbouwing heeft gegeven van de aanschaf dan wel (nieuw)waarde van deze goederen en of en in hoeverre rekening is gehouden met de leeftijd van deze goederen en de daarmee samenhangende waardeverminderingen. Deze schadeposten zullen daarom worden afgewezen.
Met betrekking tot de laminaatvloer in de woonkamer en de hal, het behang in de slaapkamer, de kapotte mechanische ventilator in de badkamer en plafondschade in de bijkeuken, komt Humida tot een schadebedrag van bij elkaar € 3.200,- inclusief btw, zij het dat ook hier niet duidelijk is of en in hoeverre rekening is gehouden met aftrek van ‘nieuw voor oud’. Deze schade zal naar redelijkheid worden vastgesteld op een bedrag van € 2.000,-, welk bedrag zal worden toegewezen.
Ten slotte heeft Humida geconstateerd dat de keukenkastjes zijn uitgezet door het water. Bij gebreke van informatie over de leeftijd van de keuken zal ter zake niet € 3.000,-, maar € 1.000,- worden toegewezen.

4.16

[verweerster] zal derhalve worden veroordeeld om € 3.000,- te betalen ter zake van schadevergoeding, dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 april 2019. De proceskosten in reconventie zullen worden gecompenseerd nu beide partijen in reconventie over en weer op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld.

5. De beslissing

De kantonrechter:


in conventie:

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiseres] te betalen € 1.400,- aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de dag van verzuim tot aan de dag van algehele voldoening;


en bovendien, maar alléén voor het geval gedaagde niet binnen de gestelde termijn
het aanbod tot het aangaan van de nieuwe huurovereenkomst aanvaardt:


stelt het tijdstip waarop de huurovereenkomst zal eindigen vast op 1 juli 2020;

stelt het tijdstip van ontruiming vast op 1 juli 2020 te 0:00 uur;

verstaat dat deze toewijzing van de vordering geldt als een veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip, hetgeen inhoudt dat (in dat geval) [gedaagde 1] c.s. het gehuurde dienen te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege hen in het gehuurde bevinden en dat [gedaagde 1] c.s. het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van [eiseres] dienen te stellen;

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiseres] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te betalen de krachtens de huurovereenkomst verschuldigde huurtermijnen van € 1.200,- per maand, voor iedere maand – te rekenen vanaf 1 februari 2020 – tot aan de datum van beëindiging van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde en waarbij een ingetreden maand als een volle maand wordt gerekend;

en in alle gevallen:

veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 338,11 aan verschotten en € 360,- aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis;


verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde;


in reconventie:

veroordeelt [verweerster] om aan [eiser] c.s. te betalen een bedrag van € 3.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 10 april 2019;

compenseert de proceskosten in reconventie in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Joele en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

590